Wij weten iets van hun lot II

Op 13 december 2012 publiceerden wij in De Groene Amsterdammer een kritische bespreking van Bart van der Booms studie ‘Wij weten niets van hun lot.’ Gewone Nederlanders en de Holocaust (Amsterdam 2012).[1] Eerder verschenen commentaar op het boek was voornamelijk lovend en bevatte nauwelijks kritische noten.[2] Het debat heeft zich inmiddels ontwikkeld; dat is verheugend en logenstraft de geschiedopvatting van Van der Boom dat een historische discussie er vooral is om deze tot een ‘ordelijk einde’ te brengen.[3]

In commentaren op het boek werd vooral ingegaan op de door Van der Boom zelf opgeroepen tegenstelling met Ies Vuijsje’s boek Tegen beter weten in (2006).[4] Onze kritiek bewoog zich langs een andere lijn. In Wij weten iets van hun lot hebben wij betoogd dat Van der Booms studie op verschillende punten – zoals het ontbreken van een serieuze bespreking van andere visies; what if redeneringen; onvoldoende begrip voor antisemitisme als factor; inzicht in de onderduikproblematiek – gebreken vertoont. Ons betoog draaide om de wijze waarop in het geschiedbeeld dat Van der Boom oproept de bestaande verschillen tussen slachtoffers en omstanders in posities, gevoelens en motieven worden verkleind. Nivellering is de beste omschrijving van wat Bart van der Boom bewerkstelligt in zijn boek. In ons essay hebben wij zijn boek naast andere recente voorbeelden van nivellering geplaatst. Wij wilden hiermee wijzen op een trend.

Tunnelvisie
In hun bijdrageaan de discussie constateren de historici Rudolf Dekker en Arianne Baggerman een tunnelvisie bij Van der Boom in diens lezing van de dagboeken.[5] Het frappeerde ons dat Van der Boom dit opvat als het toeschrijven van ‘kwade trouw’ terwijl wij het eerder zien als een inhoudelijke duiding van zijn boek. Als ondersteunend bewijs bespreken wij hier het vroegere werk van Van der Boom. ‘Wij weten niets van hun lot’ beoogt een reactie te zijn op Ies Vuisje’s Tegen beter weten in en critici pro en contra zijn hier ten onrechte in meegegaan. Onvermeld is gebleven dat Van der Boom in 2003 in ‘We leven nog.’ De stemming in bezet Nederland alle kwesties en conclusies uit zijn latere werk al had verwoord. De jodenvervolging wekte ‘woede, afschuw en medelijden’ op; het Duitse optreden ging ook diegenen die de joden ‘weinig sympathiek’ vonden te ver. De maatregelen waren on-Nederlands en gaven aanleiding tot ‘sombere beschouwingen’. De jodenvervolging was niet de centrale gebeurtenis voor ‘tijdgenoten’. Wij zien de holocaust nu als uniek, maar toen zag men dat niet zo. Deze vaststellingen mondden uit in de volgende passage:

‘De tijdgenoot wist niet, begreep niet, dat de afgevoerde joden in principe allemaal industrieel vermoord werden. De tijdgenoot wist niet dat Auschwitz mogelijk was. In zijn voorstelling was het lot van de joden misschien zwaarder, maar niet principieel anders dan dat van al die andere mensen – onder wie hun eigen zoons of buurjongens in de arbeidsinzet – die eveneens onvrijwillig in de gevaarlijke maalstroom van de wereldoorlog werden meegesleept.’[6]

In de geciteerde passage zijn drie stellingen verwoord: de kennis ontbrak, het lot van de joden werd niet wezenlijk anders ervaren dan het lot van de ‘eigen’ mensen en ‘Auschwitz’ was onvoorstelbaar. Daarnaast hanteert Van der Boom het beeld van een ‘maalstroom’ van de oorlog die iedereen ‘onvrijwillig’ meesleept.

Dit schreef Van der Boom in 2003. Acht jaar eerder, in 1995, verscheen zijn dissertatie Den Haag in de Tweede Wereldoorlog inclusief stellingen.[7] Stelling 2 bevat al de kern van wat Van der Boom later de mythe van de schuldige omstander zal noemen.

‘De veronderstelling dat het relatief hoge percentage uit Nederland gedeporteerde joden vooral te wijten is aan de onverschilligheid van hun niet-joodse medeburgers, is ongefundeerd.’

Omdat er een ‘contra’ ontbreekt, weten we niet aan wie deze veronderstelling wordt toegeschreven. In de lopende tekst van de dissertatie schreef Van der Boom dat ‘niemand wist’ van ‘het ergst denkbare lot’ en dat de zekere dood ‘onvoorstelbaar’ was. In stelling 6 richtte Van der Boom zich niet zozeer op het denken en handelen van omstanders maar op die mensen die we ‘medeplichtigen’ kunnen noemen. Van der Boom sprak over ‘routine-collaboratie’. In zijn rijtje van medeplichtigen vinden we ook plots ‘joden in meerderheid’:

‘Het feit dat de Nederlandse ambtenaren, politiefunctionarissen en joden in meerderheid de Duitse opdrachten betreffende de deportaties opvolgden, is alleen te begrijpen vanuit de volstrekte onvoorstelbaarheid van Auschwitz.’

In de stelling zit ook al het spreken over ‘Auschwitz’ als een pars pro toto. Hoewel iedere lezer zich iets kan voorstellen bij het gestolde begrip ‘Auschwitz’, is voor een geregelde discussie een herhaaldelijk gebruik van deze stijlfiguur hinderlijk. Dit geldt zeker voor een auteur die de Holocaust definieert als directe moord bij aankomst hoewel dit ‘natuurlijk geen nauwkeurige definitie’ is.[8]

Van der Boom wijdde in 1997 een recensie aan het boek van J.J. Huizinga Friesland en de Tweede Wereldoorlog. Hierin verwoordde hij met grote stelligheid de conclusie van zijn latere onderzoek van 164 dagboeken.

‘Een fout mag niet onvermeld blijven. Huizinga meent dat sinds berichten over de Jodenvervolging op radio Oranje in het najaar van 1942 “bekend” was “dat de Duitsers waren begonnen met de stelselmatige vernietiging van de joden”. Nee, vanaf eind 1942 had dit bekend kunnen zijn. Maar alles wijst erop - van de onwil van velen om onder te duiken tot aan de goedgemutste medewerking van de Nederlandse overheid - dat in Nederland bijna niemand doorzag dat het doel van de deportaties niet tewerkstelling was, maar een zekere dood. Het past niet bij ons collectieve schuldbesef, maar het is wel waar: wij hebben het echt nicht gewusst.’[9]

Dit korte overzicht laat zien dat ook zonder zijn latere lezing van de 164 dagboeken Bart van der Boom zich al stellig en zonder twijfel kon uitspreken (en anderen kon kapittelen) over de, in zijn woorden, ‘algemeen bekende en prangende vraag’ naar wat men wist van de Holocaust. Zelfs het doornemen van de 44 dagboeken voor de studie uit 2003 was dus eigenlijk onnodig geweest. In die vroegste teksten vinden we ook de cirkelredenering van kennis en handelen en de belangrijkste conclusies van ‘Wij weten niets van hun lot’.

Slachtoffer-omstander-medeplichtige-dader
Net als geldt voor ‘tunnelvisie’ beziet Van der Boom ook de toepassing van het begrip nivellering op zijn werk als een morele diskwalificatie en het toeschrijven van ‘kwade trouw’. Het zou ons gaan om ‘een aanval’ ‘op mijn intenties’.[10] Maar net als in het geval van de tunnelvisie hebben wij het proces van het verkleinen van bestaande verschillen in zijn werk gelezen. Nivellering is allereerst een analytisch begrip. Ook de historicus Guus Meershoek wijst in zijn lucide bijdrage aan de discussie in de Groene Amsterdammer (zonder de term nivellering te gebruiken) op de onhoudbaarheid van Van der Booms gelijkstelling van joden en niet-joden en op de gevolgen voor de lezing en duiding van bronnen.[11] In Van der Booms teksten worden mensen die in diverse betrekkingen tot de genocide staan, onder één noemer gebracht zonder dat dit verder geproblematiseerd wordt. Er wordt onvoldoende gereflecteerd op de verschillende posities en houdingen van daders, omstanders, medeplichtigen en slachtoffers. Integendeel. Vaker vervagen de scheidslijnen door zijn door elkaar heen gebruiken van begrippen als tijdgenoot, omstander en gewone Nederlander.

In ‘Wij weten niets van hun lot’ spreekt Van der Boom over slachtoffers en omstanders. Welke plaats hij ‘medeplichtigen’ toekent blijft daar wat onduidelijk.[12] In zijn eerdere teksten roept hij wel het hele spectrum van slachtoffer, omstander, dader en medeplichtige op. Dan blijkt ook dat de redeneringen over het niet-weten en de onvoorstelbaarheid van de genocidale praktijk inderdaad ook voor medeplichtigen met hun ‘goedgemutste medewerking’ geldt.

In het essay ‘Den Haag: de Waalsdorpervlakte. Verzet en repressie in de Tweede Wereldoorlog’ uit 2005 laat Van der Boom het hele spectrum aan betrokkenen in de ‘maalstroom’ van de geschiedenis terecht komen. Ditmaal is er ook een plaats voor de categorie van de dader. Het essay bespreekt de Waalsdorpervlakte, waar door de Duitse bezetters meer dan 250 verzetsmensen en slachtoffers van represaillemaatregelen ter dood werden gebracht en waar in 1946 een aantal collaborateurs en nazi’s werden geëxecuteerd, als een herinneringsplaats aan de oorlog. Van der Boom noemt de geëxecuteerde verzetsstrijders, de journalist Blokzijl en NSB-voorman Mussert (hun executies waren ‘meer demonstratief dan rechtvaardig’), de hoogste SS’er in Nederland Rauter en de verrader Van der Waals. Rauter was volgens Van der Boom ‘waarschijnlijk op de hoogte van het lot van de joden’ al bleef hij dat tot aan het einde toe ontkennen. Na deze reeks volgt Van der Booms beschouwing:

‘Toekomstige, meer onthechte generaties zullen in dit bonte gezelschap geëxecuteerden misschien een gemeenschappelijke tragiek zien: mensen opgenomen in de maalstroom van de oorlog, worstelend om het goede te doen of alleen het hoofd boven water te houden. Vooralsnog worden op de Waalsdorpervlakte alleen de helden herdacht en koesteren we de gedachte dat hun dood niet tevergeefs was.’[13]

De passage intrigeert. Stelt Van der Boom nu hier dat ‘Höhere ss- und Polizeiführer’ Rauter was ‘opgenomen in de maalstroom van de oorlog, worstelend om het goede te doen of alleen het hoofd boven water te houden’? Zo niet, wat is dan de strekking van deze passage? Wie behoren tot het bonte gezelschap? Hier lijken ‘helden’ en verschillende typen medeplichtigen c.q. daders onder één tragische noemer te zijn gebracht. Het verkleinen van de bestaande verschillen in posities, gevoelens en motieven vindt hier net als in eerder genoemde passages zijn uitdrukking. ‘Meer onthechte generaties’ zullen wellicht een andere herdenkingspraktijk voorstaan, één waarin Blokzijl, Mussert, Rauter en andere gevallenen naast elkaar als tragische slachtoffers van de geschiedenis worden herdacht. Presenteert de historicus hier een historisch onderbouwde hypothese over een toekomstige herdenkingscultuur? Of is zijn wens de vader van de gedachte? De conclusie dringt zich op dat nivellering als een rode draad door genoemde publicaties van Van der Boom loopt, van 1995 tot 2012.

De Gewone Nederlander
In ons essay van 13 december 2012 wezen wij op het problematisch karakter van het begrip ‘gewone Nederlander’ en ook Guus Meershoek stelde de onhoudbaarheid van het begrip aan de orde.[14] Maar ondertussen staat het wel in de ondertitel met het citaat van Etty Hillesum als hoofdtitel daarboven. Van der Boom besteedt zelf veel aandacht aan hetgeen Hillesum bedoeld kan hebben met het ‘lot’ in het citaat ‘Wij weten niets van hun lot’. Maar hoe zit het met de woorden ‘wij’ en ‘hun’? Van der Boom voert een joodse dagboekschrijfster op die spreekt over andere joden en zet haar in als woordvoerder van de ‘gewone Nederlander’. Was er geen geschikt citaat van een niet-joodse Nederlander voorhanden?

De Nederlander en het Nederlanderschap vervullen een belangrijke rol in ‘Wij weten niets van hun lot’. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het royaal gebruiken van toch hachelijke woorden als ‘wij’ en ‘ons’. Al op de eerste pagina spreekt Van der Boom unverfroren over ‘wij’ Nederlanders. Hij stelt daar dat wij Nederlanders nog steeds bezig zijn met de waaromvraag omdat ‘ze direct raakt aan onze identiteit’. Wij betwijfelen of dit zo is. De herinnering aan de holocaust is verbonden met de identiteit van uiteenlopende herinneringsgemeenschappen en niet alleen met de nationale identiteit waarop Van der Boom eenzijdig de nadruk legt. Hij veronachtzaamt hier zo de impact van identiteiten die verbonden zijn met bijvoorbeeld opvoeding, religie en gedeelde levens- en familiegeschiedenis.

Maar Van der Boom voert de nationale identiteit niet alleen op als verklaring voor de voortdurende belangstelling voor de holocaust, hij gaat ook met ‘onze’ nationale identiteit aan de haal. Voor hem wordt de natie belichaamd in de ‘gewone’ of ‘modale’ Nederlander’, diezelfde gewone Nederlander die ten onrechte als omstander met een schuld wordt opgezadeld. In een interview stelde Van der Boom: ‘Het is nogal wat om over onze grootouders te zeggen dat ze het wel prima vonden dat hun joodse buren werden vermoord.’[15] Wiens grootouders bedoelt hij?

In_‘Wij weten niets van hun lot’_ zoekt Van der Boom bevrijding en verlossing voor de schuld die de natie, die ‘ons’ ten onrechte is opgelegd. Verantwoordelijk voor die onterechte aanklacht zijn al diegenen die de mythe van de schuldige omstander instandhouden. Deze ‘herdenkers’, onder wie ook historici, zijn niet uit op waarheidsvinding . Hiertegenover staat de historicus van der Boom die tegen de klippen op een taboe slecht.[16] Maar Van der Boom gebruikt het begrip taboe lichtzinnig. Het bestaat volgens ons niet. Dit blijkt alleen al uit het gegeven dat Van der Boom dezelfde uitspraken al langer dan 15 jaar verkondigt zonder in de problemen te geraken.

Van der Boom schrijft in ‘Wij weten niets van hun lot’ dat wij moeten proberen ons te verplaatsen in de gedachtewereld, de zorgen, de angsten, het beperkte begrip van de gewone Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog. Een antwoord is alleen overtuigend ‘wanneer we die gewone mensen van nabij observeren, wanneer we – als waren wij antropologen – een tijdje in hun dorp bivakkeren. Dan blijkt namelijk dat zij mentaal in een andere wereld leefden dan wij.’ Volgens Van der Boom ligt Auschwitz als een ravijn tussen toen en nu in, en ‘om hen te begrijpen moeten we terug over die kloof – terug naar een onschuldiger wereld.’[17]

Naar welke onschuldiger wereld? De antropoloog die zijn tent opslaat in kamp Westerbork, de ‘woonplaats’[18] van Etty Hillesum zou een wereld aantreffen van een lange reeks fysieke en geestelijke vernederingen, van verwarring, doodsangst en dreiging van deportatie. Dit was een wereld die gelijkenissen vertoonde met andere plaatsen, buurten en straten waar joden verbleven De wereld waarover Van der Boom rept, bestond helemaal niet, zeker niet vanaf 1940. Zijn formulering dat ‘Everybody knew “the East” would be no picnic’ mag in dat verband met recht een gotspe worden genoemd.[19]


[1] Evelien Gans en Remco Ensel, ‘Wij weten iets van hun lot. Nivellering in de geschiedenis’, De Groene Amsterdammer, 13 december 2012, 32-35; Bart van der Boom, ‘Wij weten niets van hun lot.’ Gewone Nederlanders en de Holocaust (Amsterdam 2012).

[2] Friso Wielenga, BMGN - Low Countries Historical Review 127-4 (2012) review 77, spreekt over uiterst genuanceerde en overtuigende beschouwingen en plaatst verder marginale kanttekeningen. Robin te Slaa spreekt in de Volkskrant, 26 mei 2010 over ‘een indrukwekkende studie’… een standaardwerk’. Joost Westerweel noemt in Acta historica.nl, 20 september 2012 de stelling en de onderbouwing ‘overtuigend’ hoewel hij tweemaal twijfel uit over selectie en betrouwbaarheid van de bronnen. Ido de Haan, NRC Handelsblad, 4 mei 2012 laat zijn oordeel in het midden. Wel valt uit de recensie de visie te destilleren dat volgens De Haan het niet weten niet noodzakelijk tot niet handelen had hoeven leiden. Het juryrapport van de Libris Geschiedenis Prijs 2012 met verschillende vakhistorici in de jury stelde dat Van der Boom die zijn dagboeken ‘geduldig en liefdevol bestudeerde’ een ‘dapper’ want ‘weinig gangbaar’ standpunt inneemt. Chris van der Heijden beantwoordt de door hemzelf opgeroepen vraag ‘Is hiermee het onderwerp gesloten’ (De Groene Amsterdammer, 23 mei 2012) bevestigend: ‘Er komt vast nog nieuwe informatie, maar wat de conclusie betreft zal er niet veel meer veranderen.’ Hans Blom prijst als oud-directeur van het NIOD het boek aan op de achterflap: ‘een veelzijdig, subtiel en genuanceerd antwoord dat niettemin glashelder is en zeer overtuigend.’ Michel Krielaars, ‘Hoera voor de Gaulle. Nuances uit 164 dagboeken’, NRC Next 26 oktober 2012 vindt dat het boek ‘uitblinkt in zijn wetenschappelijke aanpak van een omstreden kwestie.’

[3] Van der Boom, ‘Wij weten niets’, 419: ‘Omdat [Ies Vuijsje] de eerste is die na De Jong het onderwerp uitgebreid onderzocht en zijn boek een discussie losmaakte die… een orderlijk einde verdient…’ Op een kritische bijdrage van Guus Meershoek schrijft Van der Boom in de eerste zin: ‘Hoe meer discussie, hoe beter, zegt mijn uitgever, dus waarschijnlijk moet ik blij zijn.’ (www.wijwetennietsvanhunlot.blogspot.nl, 2 februari 2013).

[4] Ies Vuijsje, Tegen beter weten in. Zelfbedrog en ontkenning in de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2006).

[5] Rudolf Dekker en Arianne Baggerman, Ingezonden brief(Wij weten niets van hun lot 5), De Groene Amsterdammer, 24 januari 2013.

[6] Bart van der Boom, ‘We leven nog.’ De stemming in bezet Nederland (Amsterdam 2003) 67.

[7] Bart van der Boom, Den Haag in de Tweede Wereldoorlog . Proefschrift Rijksuniversiteit Leiden (Den Haag, 1995).

[8] Bart van der Boom, ‘Ordinary Dutchmen and the Holocaust: a summary of findings’. In: Peter Romijn et al. (ed.) The Persecution of the Jews in the Netherlands 1940-1945. New Perspectives (Amsterdam 2012) 29- 52: 42 (‘obviously not an accurate definition’).

[9] Bart van der Boom , Recensie J.J. Huizinga, ‘Friesland en de Tweede Wereldoorlog’, de Volkskrant, 3 januari 1997.

[10] www.Wijwetennietsvanhunlot.blogspot.nl , 14 december 2012 (12.34).

[11] Guus Meershoek. ‘Een aangekondigde massamoord, De Groene Amsterdammer, 31 januari 2013; 30-33.

[12] Guus Meershoek gaat hier uitgebreid op in ‘Een aangekondigde massamoord’.

[13] Bart van der Boom, ‘Den Haag: de Waalsdorpervlakte. Verzet en repressie in de Tweede Wereldoorlog’. In: Wim van den Doel (red.), Plaatsen van herinnering. Nederland in de twintigste eeuw (Amsterdam 2005) 122-133: 132-133.

[14] Meershoek, ‘Een aangekondigde massamoord’.

[15] Bas Kromhout, ‘Nederlanders hebben het nicht gewusst’, Historisch Nieuwsblad, 24 april 2012. http://www.historischnieuwsblad.nl/nl/nieuws/18562/nederlanders-hebben-het-nicht-gewusst.html. Eerder aangehaald in Gans en Ensel, ‘Wij weten iets van hun lot.’

[16] www.wijwetennietsvanhunlot.blogspot.nl, 4 december 2012: ‘Dat ik boze reacties krijg, begrijp ik.
Ik pretendeer in mijn boek een taboe te slechten, dus zou het bijna verontrustend zijn als niemand boos werd. Wat me echter blijft verbazen is dat mensen wel de moeite nemen om me te vertellen dat ik er helemaal naast zit, maar vervolgens geen belangstelling hebben voor een discussie daarover.’

[17] Van der Boom, ‘Wij weten niets’, 263.

[18] Prof. Arnold Heertje wees op het benoemen van Bergen-Belsen en Westerbork als ‘woonplaats’ in de bijlage van ‘Wij weten niets van hun lot’ (lezing Bart van der Boom voor het Genootschap voor de Joodse Wetenschap in Nederland, Amsterdam, 3 februari 2013).

[19] Van der Boom, ‘Ordinary Dutchmen and the Holocaust, 46.