Wij weven!

Politiek gezien was Heinrich Heine een hybride man, die tegelijkertijd met Karl Marx en de vroegmarxisten flirtte en leed onder de ‘stille angst van de kunstenaar en de geleerde’, de angst dat het triomferende proletariaat kunst en wetenschap tot een zielloos geheel zou disciplineren.

Heine had, ongetwijfeld tot zijn postume ongenoegen, een warm plekje in het hart van de latere aanhangers van het marxisme-leninisme. ‘Du hegtest ganz offen die Liebe, zum Proletariat!’ beweerde het Oostduitse partijdagblad Neues Deutschland.
Het valt moeilijk te rijmen met Heines talrijke uitvallen in de richting van het atheïstische janhagel, stinkend naar kaas, tabak en brandewijn. 'Wij willen ons graag voor het volk opofferen, want zelfopoffering behoort tot de meest geraffineerde vormen van genot’, zei hij. 'Maar de reine, sensitieve aard van de dichter verzet zich tegen elk persoonlijk contact met het volk - en de gedachte aan zijn liefkozingen, waarvoor God ons beware, is des te afschrikwekkender. Een goede democraat zei eens dat hij, als een koning hem de hand zou drukken, dit lichaamsdeel in het vuur zou reinigen. Zo zeg ik op mijn beurt: Als mij de eer zou zijn beschoren een handdruk met het soevereine volk te wisselen, dan zou ik dit lichaamsdeel onmiddellijk gaan wassen.’
Ongeïntimideerd herdacht De Waarheid, het dagblad van de Nederlandse communisten, op 16 februari 1946 ’s dichters negentigste sterfjaar. Met een vertaling van zijn gedicht 'Die schlesischen Weber’, in de vertaling van Gerrit Kouwenaar, die in die dagen nog bij het Kremlin op de loonlijst stond. Ik citeer de eerste alinea: 'Geen tranen in de somb’re ogen/ de monden verbeten, aan de weefstoel gebogen…/ Duitsland, wij weven je lijkgewaad/ met de drievoudige vloek in iedere draad -/ Wij weven, wij weven!’
Hetzelfde gedicht stond in dezelfde vertaling op 13 december 1947 in dezelfde krant. Ik citeer de derde alinea: 'Vervloekt de koning, de koning der rijken,/ die onze ellende niet wilde begrijpen,/ die zelfs onze laatste duit niet versmaadt/ en ons als honden verrekken laat - Wij weven, wij weven!’
Die koning was Friedrich Wilhelm IV, vorst van Pruisen, en de Silezische wevers waren de handwerkers uit Peterswaldau en Langenbilau, die in juni 1844 in opstand waren gekomen tegen de allerellendigste omstandigheden waaronder zij hun arbeid moesten verrichten.
Heine publiceerde zijn gedicht op 10 juli 1844 in Karl Marx’ blad Vorwärts, een feit waarop de communisten tot op heden apetrots zijn gebleven, hoewel het communisme inmiddels is opgeheven.
Heine was inderdaad de Bürgerschreck, tijdens zijn leven en na zijn dood. Hetgeen, honderdzesentwintig jaar na zijn Silezische wevers, werd bewezen door de Avro, de burgerlijke omroepvereniging par excellence. Wij schrijven 1970, het jaar dat de liederenzanger Jaap van de Merwe zich voornam Heines gedicht voor de Avro-microfoon te brengen. Nog maar weer eens een citaat, nu het vijfde en laatste: 'Het spoeltje flitst, de weefstoel kraakt -/ met ijver wordt dag tot nacht gemaakt./ Oud-Duitsland, wij weven je lijkgewaad/ met de drievoudige vloek in iedere draad./Wij weven, wij weven!’
Het gedicht werd door de Avro-leiding, die de inhoud 'te provocerend’ vond, botweg verboden.