Protesten wereldwijd

Wij willen!

De afgelopen weken kwamen op drie continenten mensen op de been om verandering te eisen in hun land. Is dit een mondiaal moment? En wat bepaalt het succes van zo’n protestgolf?

Protestmars in Hongkong. 20 oktober © Kim Kyung-Hoon / Reuters / ANP

Twee weken geleden ontvingen 240.000 Catalanen via de Russische berichten-app Telegram een anonieme oproep om het vliegveld van Barcelona te bezetten. Het bericht bevatte een code om een boarding pass aan te maken waarmee de demonstranten voorbij de beveiliging konden komen. Het was een directe imitatie van een soortgelijke bezetting in Hongkong, twee maanden eerder. In Hongkong droegen demonstranten Catalaanse vlaggen, als teken van verbondenheid. Bij straatprotesten in Libanon en Irak leenden de demonstranten elkaars protestslogans.

Het zijn nieuwssnippers zoals deze die de indruk versterken dat er iets mondiaals gebeurt, in de straten van hoofdsteden in Zuid-Amerika tot Oost-Azië. Onwaarschijnlijk grote straatprotesten lopen sinds een paar weken synchroon in tal van landen, en eerder dit jaar waren dat er ook al veel. Vaak zijn die protesten de grootste in decennia, in sommige landen de grootste ooit. En ze lijken overal een vertaling van een diepe onvrede met het systeem waarin mensen leven en met de politieke elite die de macht in handen heeft. De directe aanleidingen voor de protesten zijn soms maar klein, en vaak worden die al snel teruggedraaid. Maar de demonstranten blijven maar komen.

In Libanon was een WhatsApp-belasting de vonk. Vorige week vormden ruim een miljoen mensen, misschien wel een kwart van de bevolking, een menselijke keten door het land. In Chili ging het om een duurder metrokaartje, ook daar kwamen een miljoen mensen op de been. In Hongkong was het een uitleveringswet; nadat die was opgeschort gingen alsnog een miljoen mensen de straat op. Honderdduizenden mensen komen ook op de been in Catalonië, Irak, Indonesië, Bolivia, Haïti. En eerder dit jaar was dat zo in Frankrijk, Egypte, Soedan, Engeland, Algerije, Rusland, Brazilië, Ecuador, Venezuela, Servië, Zimbabwe en andere landen.

In al die landen zijn de aanleidingen van de demonstraties anders. Maar de mondiale trends op de achtergrond zijn dezelfde. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, António Guterres, bracht die twee zaken vorige week met elkaar in verband. ‘We zien demonstraties op verschillende plaatsen, maar er zijn sommige overeenkomsten’, liet hij via zijn woordvoerder weten. Overeenkomsten zoals ‘het gevoel van mensen dat ze onder extreme financiële druk staan, het vraagstuk van ongelijkheid en andere structurele problemen’.

Duurdere metrokaartjes en WhatsApp-kosten zijn de druppels die de emmer doen overlopen

Het is een speculatieve verklaring, maar inderdaad nam in de meeste landen ter wereld de binnenlandse inkomensongelijkheid toe. Sommige landen die nu in de greep van straatprotesten zijn, zoals Chili, Irak en Libanon, behoren tot de meest ongelijke ter wereld. De kleine pocketbook issues die mensen daar de straat op brengen, de duurdere metrokaartjes en WhatsApp-kosten, zijn dan de druppels die de emmer doen overlopen – analoog aan de benzinebelasting die de gilets jaunes voortbracht. In veel landen is corruptie een hoofdmotief voor de protesten. En corruptie gaat vaak hand in hand met ongelijkheid, als een kleine elite zich de rijkdom van een land toe-eigent.

Maar zo’n universele verklaring vult wel heel erg voor alle demonstranten in wat hen ‘eigenlijk’ beweegt. Daarnaast kan ongelijkheid als grondoorzaak niet goed verklaren waarom de protesten uitbreken op de plaatsen waar ze dat doen: in metropolen die vaak rijker zijn dan het achterland, met de stedelijke middenklasse als aanjager. ‘Why Rich Cities Rebel’ vroeg de econoom Jeffrey Sachs zich daarom af in een column. Hij wees erop dat Santiago de Chile, Hongkong, Parijs en andere proteststeden in hun regio of zelfs mondiaal tot de rijkste behoren.

In veel steden, zoals Moskou, Hongkong en Jakarta, zijn het hoogopgeleide jongeren die het voortouw namen in demonstraties, niet leeggeknepen arbeiders. Sachs zoekt het antwoord in vrijheid. In al die steden, zegt hij met het World Happiness Report 2019 in de hand, ligt het gemiddeld inkomen inderdaad relatief hoog, maar ligt de vrijheid die mensen ervaren om hun leven vorm te geven zoals ze willen veel lager. Hongkong bijvoorbeeld zit qua gemiddeld inkomen bij de top-tien landen van de wereld, maar bungelt in ervaren vrijheid richting plaats zeventig. Je houdt ook niet zoveel vrijheid over om te doen wat je wil als je in een stad woont waar een gemiddeld appartement achttien jaarlonen kost.

Met politieke vrijheid gaat het mondiaal gezien ook niet goed. Volgens de ngo Freedom House zitten we nu in het veertiende jaar op rij dat de politieke vrijheid in de wereld daalt. Er zijn hier en daar succesverhalen, maar al veertien jaar is het aantal landen waar de politieke vrijheid daalt groter dan het aantal landen waar de vrijheid toeneemt. Daaronder zijn veel landen die democratiseerden in de jaren negentig. In die landen, zoals Indonesië, Rusland en Servië, is er vaak teleurstelling over wat de democratie bracht. En veel demonstranten eisen nu niet meer democratie maar eerlijker bestuur. Van die constatering is het een korte stap naar wat er in gevestigde democratieën gebeurt, naar de teleurstelling en frustratie die mensen de straat op drijven in Frankrijk en Engeland of hen laat stemmen op kandidaten die weerzin tegen elites centraal stellen, zoals Donald Trump in de VS.

Het synchroon lopen van zoveel massaprotest creëert een bijzonder mondiaal moment

Het samenvallen van zoveel groot straatprotest is uniek, maar wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat het deel is van een decennialange trend. Harvard-politicoloog Erica Chenoweth becijferde dat in samenlevingen over de hele wereld al tientallen jaren op rij het massaprotest toeneemt als middel om verandering te eisen. In de afgelopen tien jaar waren er meer massademonstraties die het opstappen van leiders eisten dan in elk ander decennium sinds 1900. Decennialang steeg ook de kans op succes van die protesten. Massabewegingen die politieke veranderingen eisten, hadden volgens Chenoweth sinds midden jaren vijftig steeds vaker succes. Rond het jaar 2000 werden hun eisen in zeventig procent van de gevallen ingewilligd. Maar daarna begon dat succes hard te dalen. Nu ligt het ‘succescijfer’ volgens Chenoweth nog maar rond de dertig procent.

Zulke successen zijn er dit jaar al wel geweest. Twee weken geleden keerde de rust terug in Ecuador nadat de regering Decreet 883 introk, een door het imf ontworpen bezuinigingspakket. In Soedan eisten een miljoen demonstranten het einde van het militaire regime en kregen dat. In Algerije gingen naar schatting drie miljoen mensen de straat op; daar stapte president Bouteflika op, de bijna in vegetatiestand levende façade van het Algerijnse regime. Ook zijn vervanger stapte op en de regering kondigde anti-corruptiemaatregelen aan. In andere landen, zoals Rusland, Brazilië en Tsjechië, leidde het (voorlopig) tot niets.

Wat de factoren voor succes betreft heeft de politicologie ook antwoorden – met allerlei slagen om de arm. Chenoweth stelde bijvoorbeeld vier algemene regels op die het succes van massaprotesten beïnvloeden. Ten eerste omvang: hoe groter en diverser een beweging, hoe groter de kans op succes. Ten tweede vreedzaamheid: massabewegingen krijgen bijna altijd te maken met geweld. Als zij dat beantwoorden met tegengeweld daalt de kans op eindsucces flink. Ten derde flexibiliteit in methodes: bewegingen die steeds nieuwe vormen van protest gebruiken, hebben meer kans dan degenen die steeds hetzelfde doen. En ten slotte de sympathie van belangrijke groepen in de maatschappij. Als de zakenwereld, media, ambtenaren, politie, het leger en andere groepen en elites het regime blijven steunen, is kans op verandering klein.

Al eerder, bijvoorbeeld in het boek The Dictator’s Learning Curve van William J. Dobson, is aangetoond dat onvrije en repressieve regimes beter worden in het voorkomen, ondergraven en afvloeien van protest. Maar ook geweld blijkt vaak effectief, vooral als een regime de massabeweging ertoe beweegt. Politicoloog Kurt Schock rekende voor dat niet-gewelddadige bewegingen doorgaans meer dan tienmaal zoveel burgers achter zich krijgen dan gewelddadige. Hun campagnes zijn meer dan driemaal korter (hoewel nog steeds gemiddeld zo’n drie jaar). Van 1900 tot 2006 bleef maar de helft van alle democratische landen die kampten met een gewelddadige protestbeweging een democratie in de nasleep daarvan; negentig procent bleef een democratie na uitdaging door een niet-gewelddadige beweging. En succes wordt vaak bereikt ondanks geweld, niet dankzij.

Maar dit zijn allemaal grote trends en algemene conclusies die bij straatprotesten worden getrokken in democratieën en autoritaire regimes, in rijke en arme landen, stabiele en instabiele, tegen linkse, rechtse en centrum-regeringen, samenlevingen met een welvaartsstaat of een neoliberaal ontwerp, door bewegingen met een militante, vreedzame, rechtse, linkse of politiek ongebonden signatuur. In Barcelona, tijdens de protestmars van vorige week die een half miljoen mensen op straat bracht, waarschuwde de Canadese historicus Michael Ignatieff voor generalisaties. ‘Dit is politiek, met specifieke aanleidingen en specifieke klachten’, zei hij tegen The New York Times. ‘Als je dat niet erkent, stel je massapolitiek voor als een serie van rare modes, zoals het dragen van dezelfde broeken of hoofddeksels.’

Ook de conservatieve historicus Niall Ferguson wees een mondiaal verband af. Hij spotte met analyses die onderlinge verbanden zoeken in ‘de mondiale protestrazernij’. ‘De overopgeleide rebellen van vandaag hebben gelijke tactieken maar uiteenlopende doelen’, schreef hij in The Sunday Times. Maar die overtuiging lijkt in ieder geval deels samen te hangen met zijn afkeer van massabewegingen in het algemeen en de vaak linkse thema’s die bij veel huidige straatprotesten te zien zijn.

De waarschuwingen tegen overinterpretatie zijn terecht: het over één kam scheren van protesten die allemaal hun eigen achtergrond en oorzaken hebben, betekent dat je ze op een bepaalde manier niet serieus neemt. Maar wie overeenkomsten wegredeneert in hun thema’s en in de grotere mondiale trends waar zij zich tegen afspelen, doet dat ook niet. Het synchroon lopen van zoveel massaprotest creëert linksom of rechtsom een bijzonder mondiaal moment. En hoe verschillend alle protesten ook zijn, ze vormen samen een opvallend harde schreeuw tegen hoe landen worden bestuurd, tegen de politieke bovenlaag die dat doet, en tegen de verdeling van kansen die dat oplevert. Het maakt van 2019 een jaar van wereldwijd protest.