Het Kinderpardon: het klinkt mooi, maar het werkt niet

‘Wij willen een toekomst’

Al zeven jaar leeft Mary in Nederland zonder verblijfsvergunning. Zij is, evenals 92 procent van de andere kinderen, afgewezen voor het Kinderpardon. Kinderrechten worden met voeten getreden, Mary heeft besloten in actie te komen.

Mary (links) en Ellen op de bank in hun tijdelijke woning

Mary voelt zich ongemakkelijk. Ze staat met haar zusje Aida bij een oud zeil dat in de open werkplaats op de betonnen vloer ligt. Ze heeft nog nooit een spandoek gemaakt en heeft geen idee wat ze moet doen. Ze is net zeventien geworden, heeft lange, donkerbruine haren, oranje gelakte nagels, om haar hals een dun kettinkje met een gouden bijbeltje waarop het Onze Lieve Vader in het Armeens staat geschreven, gemaakt door haar vader, en zit eigenlijk met haar hoofd bij haar eindexamen mavo. Mary heeft het zeil al doormidden geknipt en in de lengte aan elkaar gemaakt met tie-wraps. Nu is het een langwerpig spandoek geworden. Ze krijgt spuitbussen met verschillende kleuren in de hand geduwd. Onzeker kijkt ze om zich heen. Dhjana, medecampagnevoerster, geeft haar een vel papier. ‘Ga aan tafel zitten en schrijf op wat in jullie hart zit, wat willen jullie zeggen?’

‘Geen kind aan de kant, geen kind uit het land’, oppert Aida voorzichtig. Haar zusje is drie jaar jonger dan zij, ze zijn veel samen, maar praten niet zo veel, Aida trekt zich vaak in zichzelf terug. Ze is nog stiller dan zijzelf is. Ze is naast haar gaan zitten aan de houten picknicktafel op de binnenplaats. Mary schrijft de zin in mooie, krullende schoolletters op het gelinieerde A4’tje. Samen kijken ze er zwijgend naar.

‘Wij blijven hier’, fluistert Mary.

‘Wij willen blijven’, zegt Aida, even zacht.

‘Een kind blijft een kind.’ Ze komen erin.

‘We zijn geen criminelen. Zal ik die opschrijven?’ vraagt Mary.

‘We zijn toch helemaal geen criminelen’, verbetert Aida.

Langzaam groeit het lijstje. ‘Stop uitzetting.’ Mary’s zwarte pen glijdt zorgvuldig over het papier.

Aida: ‘Wij willen een toekomst.’

Mary: ‘Sta op voor je rechten.’

Het oude zeil ligt klaar op de betonnen vloer. Er past een lange slogan op. ‘Welke kiezen we?’ Aida kijkt Mary vragend aan.

Mary lijkt een verlegen meisje, met neergeslagen ogen en een zachte stem, maar eigenlijk is ze heel zeker van haar zaak, na zeven jaar ervaring met de Nederlandse asielwereld kent ze het klappen van de zweep. Er zouden veel meer kinderen en ouders naar het FabLab in Amersfoort komen om spandoeken te maken, maar naast Dhjana, Mary en Aida is er nog niemand. Mary was er al bang voor. Zij weet als geen ander hoe angstig iedereen is om iets te doen. Zelf is ze ook best bang, eigenlijk is ze een heel stil iemand, ook in de klas bijvoorbeeld, daar zegt ze weinig, ze snapt soms zelf ook niet hoe het komt dat ze dit opeens is gaan doen.

Het begon heel anders. Ze kwam hier toen ze tien jaar oud was. Ze herinnert zich nog weinig van haar leven voor die tijd. Het is een vaag gevoel, meer niet. Haar moeder vertelde haar dat ze een goed leven hadden, ze woonden in de Armeense hoofdstad Jerevan, hadden drie huizen, haar moeder was theologe, haar vader edelsmid. Ze weet dat haar ouders te bang zijn om terug te gaan, dat ze een goede reden hadden om te vluchten. Dat is voor haar voldoende. De laatste tijd praten haar ouders over de nieuwe spanningen met Azerbeidzjan, over de doden die deze maand vielen in de etnisch-Armeense enclave Nagorno-Karabach. Het waren de zwaarste vuurgevechten sinds de jaren negentig, zeggen haar ouders. Voor haar voelt het allemaal heel ver weg.

Elke ochtend tussen zes en acht uur kan de politie komen om een gezin ‘op te halen’. Sommige mensen slapen met hun kleren aan

Gisteren zijn ze weer verhuisd. Ze woonden een paar maanden in een tijdelijke woning ‘ergens in het land’ (de plaats zelf houdt ze liever geheim), nu zitten ze in een andere flat, om de hoek. Weer tijdelijk. Het is van mensen die in Afrika wonen en hun huis ter beschikking stellen. Ze hebben al hun spullen overgebracht, de meeste met de fiets. ‘De organisatie’, zoals ze de stichting Vluchtelingen Onderdak noemt die hen helpt, kwam met een busje voor de grote spullen. In de zeven jaar dat ze nu in Nederland is, zijn ze minstens twaalf keer verhuisd. Het geeft altijd stress. Haar moeder denkt bij elke verhuizing terug aan hun vlucht uit Armenië. Ook haar vijfjarige zusje Ellen is van slag, ze dreint de hele dag. Ze heeft haar vanochtend nog toegesproken toen ze weer een scène maakte omdat niemand met haar wilde bellenblazen.

‘We doen: “Stop uitzetting”’

Mary ging direct het eerste jaar naar school in Den Helder, waar ze in een asielzoekerscentrum woonden. Na groep 8 mocht ze naar een kopklas, een schooljaar tussen de basisschool en het voortgezet onderwijs speciaal voor gemotiveerde, slimme leerlingen met een taalachterstand. Maar toen hun asielverzoek was afgewezen, werden ze overgeplaatst naar de gezinslocatie in Katwijk. Daar was geen kopklas, zei het coa. Ze wilden haar op laagste niveau doen, in een internationale schakelklas (isk). Ze moest elke dag huilen, zo verdrietig was ze. Ze maakte alles goed, de leraar zei dat Nederlandse leerlingen niet eens zo goed waren. Toen werd ze nog verdrietiger. Dat ze zo laag was ingeschat. Gelukkig hielp haar leraar uit Den Helder haar, hij regelde dat ze naar de kopklas in Leiden kon. Zo ging ze na twee jaar school in Nederland naar de mavo en nu doet ze eindexamen. De mondelingen zijn heel goed gegaan. Het coa hecht geen waarde aan ons, is Mary’s overtuiging. Ze sturen het liefst alle asielkinderen naar een isk.

De vrijheidsbeperkende gezinslocatie in Katwijk is opgericht in 2011 nadat Nederland op de vingers was getikt door het Europees Comité voor Sociale Rechten omdat het uitgeprocedeerde gezinnen met minderjarige kinderen op straat zette. Er is plaats voor zo’n vierhonderd mensen. Inmiddels zijn er zeven locaties in het land voor gezinnen die volgens de ind het land moeten verlaten. Het regime is sober, de vrijheden zijn beperkt: bewoners mogen de gemeentegrens niet over, volwassenen hebben stempelplicht, wat betekent dat ze elke dag op een vast tijdstip in de rij moeten staan om zich te melden. In Katwijk is dat tussen één en twee ’s middags, er is een aparte basisschool op het terrein, de asielkinderen ontmoeten dus zelden tot nooit Nederlandse kinderen. Alleen de middelbare school is in de buurt.

Mary woonde er in totaal vier jaar. Het is een apart land, dat zegt haar vader altijd, het is geen Nederland. De gezinslocatie ligt aan een doodlopende weg in Katwijk, ver buiten het kustplaatsje. Het zijn voormalige barakken voor militairen die werkten op het vliegveld Valkenburg dat ernaast ligt. Hun woonkamer was niet groter dan vier bij twee meter, daar aten en sliepen ze met z’n vijven. Ze kookten in een gemeenschappelijke keuken. Er hangen camera’s in de gangen, ook in het computerlokaal, zelfs langs de weg. Er zijn heel veel regels, zo mogen kinderen niet op de gang spelen, dan krijgen de ouders vijftien euro boete. Er mag niet zomaar bezoek komen, ze moeten altijd een identiteitsbewijs zien. Toen ze een keer een vriendin meenam van school liet de receptie haar niet binnen. Het vriendinnetje moest een briefje hebben van haar moeder. Zo proberen ze alle sociale contacten weg te nemen. (Stiekem smokkelde ze wel eens een vriendinnetje mee.)

Afgelopen jaar verbleven in totaal 1844 mensen in de zeven gezinslocaties in Nederland, 555 gezinnen, waaronder zo’n duizend kinderen. Een flinke toename sinds de oprichting in 2011 toen er nog maar 222 gezinnen werden opgevangen. Sinds 2011 is ook de gemiddelde verblijfsduur per gezin gestaag opgelopen, van ruim 27 maanden naar bijna 42 maanden in 2015, dat blijkt uit cijfers die De Groene Amsterdammer bij het coa opvroeg. Het punt is dat veel mensen nog procedures hebben lopen of uit landen komen waar ze niet of moeilijk naar kunnen worden uitgezet. Ook Mary’s ouders zaten nog in procedure. Dat duurt lang. Na een nieuwe aanvraag moesten ze zes maanden wachten, dan weer zes maanden, et cetera. De Dienst Terugkeer en Vertrek (dt) zei steeds tegen hen: ‘Oké, jullie kunnen dat doen.’ Maar de laatste keer zeiden ze: ‘Als jullie nu een nieuwe procedure starten, dan komen we met de vreemdelingenpolitie.’ Toen zijn ze weggegaan.

De politie-invallen vond Mary het allerergst. Elke ochtend tussen zes en acht uur kan de politie komen om een gezin ‘op te halen’. Meestal zijn het twee tot vier agenten. Ze heeft dat zo vaak meegemaakt. Ze bellen aan, of maken soms zelfs de deur open. Niemand weet voor wie ze komen en wanneer. De meeste mensen zijn daarom al om zes uur op. Sommige mensen slapen in kleren, hebben hun koffers gepakt klaarstaan. Je krijgt vijf tot tien minuten, alles gaat zo snel mogelijk. Ze willen zo min mogelijk onrust bij de andere bewoners veroorzaken. Ze heeft vaak gezien dat mensen in ondergoed worden meegenomen, soms ook heel hardhandig. Ze worden in een busje gestopt en rijden weg. Dan worden ze naar de gesloten gezinsvoorziening Kamp Zeist gebracht en vervolgens op een vliegtuig gezet.

Dit gebeurt bijna elke week, soms twee keer in de week. Mensen raken elke keer in paniek. Soms wordt er een maand niet uitgezet, dan worden mensen weer rustig. Stel, denken ze, dat het nu voorbij is? Maar dan komen ze weer. Dan is iedereen weer in paniek.

Eén keer dacht haar vader dat de politie voor hen kwam. Het was zes uur. Haar moeder was met Ellen bij vrienden. Tegen Mary en Aida zei hij: ‘Pak je jas en ga weg.’ Mary sprong in haar pyjama op de fiets, haar hart klopte in haar keel, ze fietste met Aida heel hard weg, richting school. Na een half uur belde haar vader op. ‘Kom maar terug, het was niet voor ons.’

Er is de afgelopen jaren veel kritiek geuit op de gezinslocaties en de praktijk van deze politie-invallen. Al in 2014 concludeerde de werkgroep Kind in azc – onder meer Unicef, Vluchtelingenwerk en Defence for Children – in het rapport Het is hier in een woord gewoon… stom, dat deze vorm van opvang moest worden afgeschaft. Volgens de werkgroep strookt het vrijheidsbeperkende en sobere regime van de gezinslocaties niet met de minimumeisen van het VN-Kinderrechtenverdrag. ‘Het is onverantwoord voor de ontwikkeling van de kinderen’, zegt Martine Goeman, juriste en programmamanager Kinderrechten en Migratie bij Defence for Children. ‘Ze hebben slapeloze nachten, mensen zetten wekkers om te kijken voor wie de politie komt, want ouders willen hun eigen kinderen wakker kunnen maken wanneer ze uitgezet dreigen te worden. Het is onbegrijpelijk dat het met zo’n grote overmacht gebeurt. Waarom kan dat niet door een paar maatschappelijk werkers op een normaal tijdstip?’

Het terugkeerbeleid is bovendien niet effectief. De laatste cijfers die De Groene Amsterdammer bij de Dienst Terugkeer en Vertrek opvroeg, laten zien dat maar een klein percentage van de bewoners van de gezinslocaties bewezen vertrekt. Over de afgelopen vijf jaar zijn uit alle zeven gezinslocaties in totaal 440 mensen (volwassenen en kinderen) overgebracht ‘naar bewaring’ en daarna gedwongen vertrokken, aldus de cijfers van dt. Er is in 2015 wel een toename van het aantal gedwongen uitzettingen te zien: in 2014 werden van de 1959 mensen die dat jaar in de gezinslocaties verbleven maar tachtig mensen ‘naar bewaring’ overgebracht, in 2015 waren dat er 150 van de 1844 inwoners. Dat is nog steeds maar acht procent. Van de rest van de inwoners zijn afgelopen jaar 230 mensen zelfstandig vertrokken en 330 mensen ‘zelfstandig vertrokken zonder toezicht’ – dat betekent dat niemand weet waar ze naartoe zijn gegaan. Onder deze groep vallen ook Mary met haar ouders en zusjes.

Mary’s beste vriendin werd in december 2014 meegenomen. Het was zeven uur ’s ochtends. Haar moeder had haar pyjama nog aan, haar vader werd in zijn hemd en op slippers geboeid. Het kleinere zusje van zeven schreeuwde zo hard, dat hoort Mary nog steeds in haar oor. Het meisje had haar knuffel in haar hand, gilde dat ze haar los moesten laten. Haar vader had zichzelf gesneden. Hij werd apart in een politieauto gezet en meegenomen. Mary stond met andere vriendinnetjes buiten voor het gebouw toen het gezin werd afgevoerd. Ze huilden allemaal. Ze mocht niet eens afscheid nemen van haar vriendin. Zij was ook Armeens. Ze probeerde haar daarna te bellen op haar mobiele nummer, maar dat deed het niet meer.

Mary met haar vader en zusjes in hun tijdelijke huis
Eén keer dacht Mary’s vader dat de politie voor hen kwam. In haar pyjama sprong ze op de fiets

Het ging steeds slechter met Mary en haar familie. De stress en angst namen toe. De sfeer op de gezinslocatie is gespannen. Veel mensen zijn getraumatiseerd. Een toekomst is er niet. Er is geen afleiding, de onmacht van de volwassenen is groot. Haar ouders mochten niet werken, geen Nederlands leren, geen opleiding doen. Dat is het moeilijkste. Ouders kunnen zelfs niet over het leven van hun eigen kinderen beslissen. De ouders van Mary wilden graag dat Ellen naar een christelijke bassischool zou gaan, maar dat mocht niet. Ze moest naar de openbare basisschool op het terrein zelf. Mary zag dat haar vader niet meer sliep, hij werd heel vaak boos, maar hij wilde het niet op hen afreageren, dan ging hij weg. Haar moeder was alleen nog maar bang.

Vlak nadat Mary’s vriendinnetje was opgehaald, waren ze op een avond al een keer weggeslopen, omdat ze bang waren dat ze ook voor hen zouden komen. Maar na een paar dagen zijn ze teruggegaan, ze wisten niet waar ze heen moesten. Sindsdien hadden ze het er vaak over om echt te vertrekken en het dan goed te regelen. En een half jaar geleden zei Mary op een dag: ‘Zullen we nu weg?’

Haar vader zei: ‘Beslis jij maar.’

‘Ja’, had ze gezegd. ‘We kunnen beter gaan nu.’

Toen zijn ze gevlucht. Het moest een keer gebeuren. Ze sliepen de eerste dagen bij vrienden ‘ergens in het land’. Ze hadden de dagen daarvoor langzaam al wat spullen weggebracht en bij hen neergezet. Op de dag zelf waren ze onafhankelijk van elkaar vertrokken, eerst haar moeder met Ellen, daarna gingen zij en Aida op de fiets naar school, haar vader ging later ‘gewoon’ boodschappen doen. Mary en Aida doken samen op een adres onder, haar ouders met Ellen op een ander.

Het Kinderpardon, dat in 2013 is ingevoerd, is bedoeld voor kinderen zoals Mary. Voor asielzoekerskinderen die langer dan vijf jaar in Nederland wonen en hier intussen zijn geworteld. Maar Mary en haar zusjes zijn afgewezen, net als 92 procent van de kinderen die een beroep deden op het Kinderpardon en hier ook al langer dan vijf jaar woonden. De regels van het Kinderpardon zijn volgens Defence for Children en de Kinderombudsman onduidelijk en onrechtvaardig. Sinds de invoering van de definitieve Kinderpardonregeling op 1 februari 2013 zijn van de 1360 aanvragen er honderd ingewilligd. Per jaar komen er honderden kinderen bij die geen vergunning krijgen. ‘Van de 1120 afgewezen kinderen is een deel ondertussen al uitgezet’, zegt Martine Goeman, juriste bij Defence for Children.

Soms komt een gemeente in opstand tegen een uitzetting. Zoals onlangs de gemeenteraad van Wageningen over de dreigende uitzetting van de dertienjarige Tri. In Baarn gingen mensen de straat op tegen de uitzetting van de jongetjes David en Daniël van elf en tien jaar. Alledrie de kinderen zijn hier in Nederland geboren, maar afgewezen voor het Kinderpardon. De staatssecretaris behandelt deze en andere verzoeken op basis van zijn discretionaire bevoegdheid. ‘Welk kind volgens de staatssecretaris wel en welk kind niet onder het pardon valt, is niet transparant’, zegt Coby van der Kooi, beleidsadviseur van de Kinderombudsman. ‘We hebben een doos met dossiers van kinderen op het bureau staan. Kinderen die allemaal jarenlang in Nederland zijn, soms zelfs langer dan vijftien jaar, toch vallen ze buiten de boot en worden ze uitgezet naar een voor hen onbekend land.’ Onterecht, benadrukt ze. Ook de nieuwe Kinderombudsman Margrite Kalverboer maakte zich als bijzonder hoogleraar kind, pedagogiek en vreemdelingenrecht aan de Universiteit van Groningen al jaren zorgen over de uitvoering van het Kinderpardon.

Defence for Children is nu de petitie ‘Ik blijf hier’ gestart voor het verblijfsrecht voor ‘gewortelde kinderen’ in Nederland. Mary en Aida waren bij de aftrap op 23 april, samen met 121 andere kinderen in Leiden. Het grootste probleem zit bij het zogenaamde ‘meewerkcriterium’. Veel pardonverzoeken worden afgewezen met het argument: ‘onvoldoende meegewerkt aan terugkeer’. Maar wat is meewerken precies? Tot hoe ver moet dat gaan? ‘Het is volslagen onduidelijk en willekeurig. Soms hebben ouders zich bij drie ambassades gemeld, hebben ze alles gedaan wat mogelijk is’, zegt Goeman. ‘Maar dan worden ze toch op deze grond afgewezen.’ De vraag of kinderen hier geworteld zijn, speelt dan in de afweging geen enkele rol. ‘De overheid heeft rondom het Kinderpardon zoveel regeltjes bedacht dat vrijwel elk kind wordt afgewezen.’

De regeling voor het Kinderpardon blijkt dus een wassen neus. ‘We denken dat het goed is geregeld maar als maar zo’n miniem percentage wordt toegewezen, stelt dat niet veel voor’, constateert Goeman. Wetenschappelijk onderzoek toont volgens haar overduidelijk aan dat kinderen na vijf jaar niet meer schadeloos uitgezet kunnen worden. De voortdurende bestaansonzekerheid leidt bij vrijwel elk kind tot ontwikkelingsschade. Dat was ook de achterliggende gedachte voor de invoering van het Kinderpardon. ‘Wij maken ons zorgen omdat we de kinderrechten niet meer terugzien’, vervolgt Goeman. ‘Veel kinderen zijn nu afhankelijk van de gunst van staatssecretaris Dijkhoff, dat voelt niet goed als jurist. Dat is heel willekeurig. De kinderen en hun rechten moeten weer centraal komen te staan. Uitzetting van gewortelde kinderen is een ernstige schending van de kinderrechten. Er moet een duidelijke wet komen.’

Als gezinnen zelf vertrekken uit een gezinslocatie wordt het nog moeilijker. Goeman: ‘We maken ons over die verdwijningen ook zorgen. Soms gaan kinderen daarna ook niet meer naar school uit angst opgepakt te worden.’

Mary realiseert zich dat hun vlucht hun kansen heeft verkleind. Maar de gemeente waar ze nu wonen, weet waar ze zijn, ze kunnen bewijzen dat ze niet in het buitenland zijn. En het Kinderpardon was toch al een probleem. Haar ouders hebben alles gedaan om mee te werken met dt. Elke maand hadden ze gesprekken. Het enige dat ze weigerden was hun handtekening te zetten onder het briefje op de Armeense ambassade met de tekst dat ze terug wilden. Dan zouden ze namelijk direct op het vliegtuig worden gezet. Haar vader roept steeds dat hij het niet eerlijk vindt, dat de kinderen niet de dupe mogen zijn van wat de ouders beslissen. Zelf was Mary na haar vlucht vooral heel bang dat ze geen eindexamen meer zou mogen doen.

Vanuit haar eerste schuilplaats belde ze met Dhjana. Dhjana’s nummer ‘circuleerde’. Ze vroeg of ze met z’n allen een tijdje bij haar in huis konden wonen. Dhjana is een kleine vrouw met een rond gezicht, kort, stekelig grijs haar en een kordate blik, ze is eind veertig en rookt onophoudelijk zware shag van het merk Look Out, ze heeft iets overtuigds waarmee ze de wereld tegemoet treedt, en ze staat, naar eigen zeggen, ‘op het vizier van de aivd’. In haar voortuin wappert de zwarte anarchistenvlag, en op haar voordeur prijken stickers als ‘geen mens is illegaal’ en ‘vrouwen tegen racisme’. Ze ving vaker mensen zonder documenten op, hele gezinnen ook, soms negen mensen tegelijk. Haar drijfveer is simpel: ze zou niet willen dat het haar eigen kinderen overkwam. Er is zelfs een baby, van een Guineese moeder, in haar huis geboren. Dhjana had zelf de navelstreng doorgeknipt, aangifte gedaan bij de gemeente van een stateloos kindje. (‘Dat is pijnlijk. Wat voor toekomst krijg je als je al ongedocumenteerd begint?’) Na twee jaar was ze gestopt met het opvangen van mensen thuis, het was zo intensief, en ze wilde andere dingen doen, workshops geven voor duurzaam activisme bijvoorbeeld. Maar tegen Mary kon ze geen nee zeggen.

‘“Stop uitzetting”, dat schrijven we eerst’, besluit Mary. De meisjes leggen gestanste letters van het FabLab op het witte spandoek. ‘“Stop” doen we in zwart’, besluit Mary na even twijfelen. ‘“Uitzetting” in het rood.’ Mary pakt de spuitbus, Aida moet de letter vasthouden.

Mary kan zich niet voorstellen dat ze op een dag niet meer bang hoeft te zijn. Dat ze er gewoon bij mag horen

Mary woonde twee maanden bij Dhjana, samen met haar zusjes en ouders. Totdat ze door ‘de organisatie’ geholpen zijn aan hun tijdelijke woning in een stad. Samen met Dhjana zet Mary zich nu in voor de campagne ‘Geen kind aan de kant’. De laatste twee weekenden in mei rijdt er een bus met 42 activisten langs de zeven gezinslocaties, van Emmen naar Katwijk, er zullen demonstraties zijn in de gemeenten. Mary zal perswoordvoerster zijn (wat ze precies daarvoor moet doen weet ze eigenlijk nog niet), ook heeft ze de tekeningen gemaakt voor het promotiefilmpje op de website. Vooral de bewoners van de locaties zelf zouden mee moeten doen, maar Mary denkt dat de meesten niet durven. Ze zijn bang dat ze door dt dan sneller worden uitgezet.

‘Denk je dat het een succes wordt?’ vraagt Mary aan Dhjana terwijl ze de ‘u’ in rood op het doek spuit. Ze is zenuwachtig. Het is al over vier weken. Aida is ook zenuwachtig.

Gelukkig is het precies na haar examens. Ze wil hierna de havo doen en daarna hbo rechten studeren, ze wil later opkomen voor de rechten van kinderen. Ze wil ze beschermen. Wie denkt dat een gewoon kind bang zou zijn om te slapen? Kinderen in gezinslocaties zijn bang dat ze door de politie worden meegenomen voor iets dat ze niet gedaan hebben. Ze vluchtten, dachten hier veilig te zijn. Maar de meesten voelen zich, net als zijzelf, heel onveilig. Ze leven elke dag in onzekerheid.

Laatst ging haar klas op schoolreis naar de Ardennen. Dat was een risico, zeker nu er meer controles zijn aan de grens. De school vond het goed als ze meeging, ze zouden de helft van het reisgeld betalen zelfs, maar het risico was voor haar. Ze is niet gegaan. Ze vond het heel erg jammer, maar als ze haar zouden pakken, zou alles voorbij zijn. Toen ze in de eerste klas zat, hadden kinderen het er al over: de werkweek in de derde wordt zo leuk. Ze dacht toen: dat is over twee jaar, dan heb ik misschien wel een verblijfsvergunning. Volgend jaar is een werkweek op 4 havo, dat haalt ze vast ook niet. (Ze kan zich niet voorstellen, de dag dat ze niet meer bang hoeft te zijn. Dat ze er gewoon bij mag horen).

Thuis gaat het nu veel beter dan in Katwijk. Maar het is complex. Ze praten nooit met elkaar, niemand in het gezin zegt iets. Ze denkt aan haar kleine zusje, Ellen, die hier geboren is en de eerste vier jaar van haar leven alleen de vier muren van de gezinslocatie heeft gezien, aan haar gestreste ouders, aan haar zusje Aida die zich steeds meer terugtrekt, aan haarzelf. Mary moet altijd alles vertalen, de brieven, de gesprekken. Soms zelfs tussen haar vader en Ellen, omdat haar vijfjarige zusje dan te moeilijke woorden in het Nederlands gebruikt en weigert Armeens te spreken. Mary zou samen met haar vriendinnen in een rijtjeshuis gaan wonen, allemaal naast elkaar. Zo hadden ze het afgesproken, daar droomden ze van. Nu is de een uitgezet, van de ander weet niemand waar ze is. Ze wil er niet te veel aan denken, ze wil niet huilen. Het was niet alleen slecht in Katwijk. Ze mist het ook, maar ze is blij dat niet elke dag begint met angst. Er is nu meer rust.

Mary heeft na haar vlucht uit Katwijk besloten niet meer te zwijgen. Ze heeft op haar nieuwe school een werkstuk gemaakt over haar situatie. Iedereen vroeg: ‘Wat is het Kinderpardon?’

Mary zei: ‘Het klinkt mooi, maar het werkt niet.’

Een jongen vroeg: ‘Waarom ben je verhuisd?’

Mary: ‘Ze wilden ons terugsturen.’

Hij: ‘Daar moet je niet met iedereen over praten.’

Mary: ‘Ik vind het belangrijk dat mensen het weten.’

Een meisje vroeg: ‘Heb je je speelgoed meegenomen?’

Het is moeilijk om het er steeds over te hebben, maar ze wil het vertellen. Ze vluchten nog steeds in dit land. Haar moeder vindt het heel eng dat ze meedoet aan de campagne. Ze raakt al in paniek bij het zien van politie. Maar Mary weet dat ze ook trots is. Haar zusje Aida en haar vader doen ook mee. Mensen moeten weten wat er gebeurt. Ze worden vergeten. Ze leven in een andere wereld, een schaduwwereld die een gewone Nederlander nooit ziet. Ze wil niet meer dat iemand anders bepaalt wat ze doet met haar leven.

‘“Wij blijven hier”, doen we dat in fluorescerend groen of blauw?’ Mary en Aida kijken elkaar aan.

Mary: ‘Blauw.’

Aida: ‘Blauw.’

Mary pakt de spuitbus, Aida trekt de overall aan. Ze denkt aan haar nieuwe kamer, ze heeft hem bijna ingeruimd. De kleren liggen in de kast, haar schoolspullen op haar bureautje. Tot oktober kunnen ze hier blijven. Waar ze daarna naartoe gaan, weet ze nog niet.