HEINRICH HEINE

‘wij willen nectar en ambrozijn’

DUITSLAND, EEN WINTERSPROOKJE, EN ANDERE GEDICHTEN
Gekozen, vertaald en toegelicht door Peter Verstegen. Nawoord Arnon Grunberg
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 787 blz., € 39,95

HEINRICH HEINE
OVER DUITSLAND
Vertaald door Wilfred Oranje en H.L. Mulder. Nawoord Theo Kramer
Atlas, 335 blz., € 29,90

Waarschijnlijk is er geen schrijver naar wie met zoveel modder is gegooid als Heinrich Heine. Niet alleen tijdens zijn leven, maar nog minstens tot een eeuw na zijn dood (in 1856) was hij het middelpunt van heftige controversen en het doelwit van agressieve laster. Een vast element in de scheldkanonnades was zijn ‘on-Duitse’ houding, hij zou een ‘verachter van het vaderland’ zijn. En natuurlijk was de toonzetting vaak antisemitisch, ook al lang voor de pathologische jodenhater Julius Streicher in het nazi-weekblad Der Stürmer protest aantekende tegen het initiatief van een paar Heine-bewonderaars om de dichter met een standbeeld te eren: ‘De graven van de Duitse helden uit de wereldoorlog zijn aan verval onderhevig en voor dat joodse zwijn van Montmartre gooien ze het geld van de Duitse belastingbetaler het raam uit.’
Een wending ten goede, en nu definitief, onderging Heine’s reputatie in Duitsland pas eind jaren zestig van de vorige eeuw, toen het land zich op alle fronten van zijn nationalistische erfenis ontdeed. Eindelijk kon men in Heine’s vrijheidsdrang, in zijn verzet tegen kerk en adel, antisemitisme en kleinburgerlijkheid, een voorloper zien van de eigen democratische ambities. Heine was inderdaad al vroeg on-Duits in zijn afkeer van die laatfeodale Duitse trekken, hij was naar de geest zelfs een van de eerste ambassadeurs van de Europese gedachte. In een tijd dat de reactie zich uitsloofde om met alle politieke en ideologische middelen het eigen volk, en vervolgens de rest van de wereld, te germaniseren, behoorde hij tot een kleine minderheid van dissidenten die zich juist wenste te ontgermaniseren. Dat was niet alleen een kwestie van opvattingen maar eerder nog van stijl. Door zijn ironie en zijn zelfspot, die krachtig contrasteerden met de eenduidige ernst van het gros van zijn landgenoten, kreeg hij iets ongrijpbaars, en dat was op zich al reden genoeg om hem als volksvijandig te wantrouwen.
Heine zag zichzelf als politiek schrijver, maar hij was het tegendeel van een populist. Al in 1817, als student in Göttingen, had hij een zo indringende ervaring opgedaan met de agressie van opgehitste massa’s dat hij voorgoed immuun zou zijn voor een verheerlijking van de spontane vitaliteit van ‘het volk’. Tijdens het zogenaamde Wartburgerfest was hij getuige geweest van boekverbrandingen, een uitbarsting van Teutoonse agressie onder de feestende en dronken studenten waarvan de schrik hem altijd is bijgebleven. Een van zijn vroegste werken, het drama Almansor, draagt daarvan de sporen. De schrijver laat op de markt van Granada een koranverbranding plaatsvinden, die door de hoofdpersoon wordt becommentarieerd met deze profetische, inmiddels beroemde woorden: ‘Dat was slechts een voorspel, daar waar men boeken/ verbrandt, verbrandt men uiteindelijk ook mensen.’
Toch predikte Heine, als geen literator voor hem, de revolutie. Hij stelde zijn landgenoten Frankrijk ten voorbeeld als het land van de vrijheid: de Fransen ‘zijn het uitverkoren volk van de nieuwe religie, in hun taal zijn de eerste evangeliën en dogma’s opgetekend, Parijs is het nieuwe Jeruzalem en de Rijn is de Jordaan die het gewijde land van de vrijheid scheidt van het land van de droogstoppels’. Niet verwonderlijk dat Heine in dat nieuwe Jeruzalem, waar hij in 1831 noodgedwongen naar was uitgeweken, bevriend raakte met de twintig jaar jongere Karl Marx. De dichter moet van grote invloed zijn geweest op de toekomstige theoreticus van het socialisme, niet alleen op diens revolutionaire inzichten, maar vooral ook op zijn spottende, zelfverzekerde stijl.
Dat verklaart waarschijnlijk waarom Heine in de voormalige DDR, nog voor zijn rehabilitatie in de Bondsrepubliek, op het schild van de communistische partij werd gehesen, al kon dat, zoals gebruikelijk, alleen dankzij een selectieve blik en de nodige tekstcorrupties. Berucht zijn de lotgevallen van een passage uit Heine’s onvoltooide Geständnisse (1854), waarin hij Marx en Engels, alsook hun ‘meedogenloos handelende volgelingen’, de enige mannen in Duitsland noemt ‘waar leven in zit’, en aan wie bijgevolg ‘de toekomst behoort’. Marxistische literatuurwetenschappers konden die zin alleen triomfantelijk confisqueren nadat ze de woorden ‘naar ik vrees’ uit het origineel hadden geschrapt.
In Nederland is de belangstelling voor Heine altijd wat achtergebleven. Heel lang moesten we ons vooral behelpen met niet al te dikke bloemlezingen uit zijn poëzie. Zijn belangrijkste pleitbezorger was Martin van Amerongen, die in Vrij Nederland en in deze krant met enige regelmaat – en in een aan Heine schatplichtige stijl – verslag deed van zijn onderzoek naar leven en werk van zijn bewonderde voorbeeld. Over de laatste acht jaar van Heine’s door alle denkbare ziektes en kwalen vergalde leven schreef hij Het matrassengraf (herziene editie 2002). Ook danken we aan hem de eerste integrale vertaling van De Harzreis (1975), een uitgave waarin Heine’s tekst is aangevuld met een verslag van de inleider ‘in het voetspoor’ van de dichter. Eerder waren er van de Reisebilder, waarvan De Harzreis het eerste en beroemdste deel is, wel al fragmenten in het Nederlands verschenen, maar we moesten tot 2003 wachten voor we van dat miraculeuze boek een volledige vertaling in handen konden houden.

Of Reistaferelen een kentering in de Nederlandse Heine-waardering heeft bewerkstelligd, mag worden betwijfeld. Veel aandacht kreeg het boek niet, momenteel is het al weer geruisloos uit de schappen verdwenen. Mogelijk heeft dat te maken met het hardnekkige idee dat Heine alleen of toch vooral de auteur zou zijn van een stroom zoetsappige liefdesgedichten, zoals die door romantische componisten als Schubert, Mendelssohn, Schumann, Brahms en vele anderen op muziek zijn gezet. In die visie is Heine primair de handige tekstleverancier van de negentiende-eeuwse tearjerker.
Maar die visie doet hem ernstig te kort, niet minder ernstig dan die waarin zijn werk als vroege vorm van linkspopulistische agitprop wordt afgeschilderd. Geen boek is geschikter om van beide vooroordelen af te komen en Heine als veelzijdig en modern auteur te leren kennen dan Reistaferelen. Vertaler Wilfred Oranje laat hem met zijn verdriet en zijn woede, zijn spotlust en zijn onverwoestbare humor fris en eigentijds klinken alsof het allemaal zojuist pas uit zijn pen is gevloeid. Het zorgvuldige commentaar van Marinus Pütz maakt verwijzingen en toespelingen begrijpelijk.
Het gaat in dit ruim zevenhonderd pagina’s dikke boek allesbehalve om conventionele reisverhalen. Het relaas van de reis dient op z’n best als chronologisch kader, waarbinnen de auteur zich voortdurend op alle denkbare zijpaden begeeft. In sommige delen, vooral in het oerkomische fragment getiteld Het Boek Le Grand en het gedeeltelijk satirische, gedeeltelijk polemische I Bagni di Lucca, speelt de reisfictie zelfs geen enkele rol meer. Want: ‘Niets saaiers is er op deze aarde dan het lezen van een Italiaanse reisbeschrijving – op wellicht het schrijven ervan na – en de auteur kan haar alleen enigszins draaglijk maken door over Italië zelf zo min mogelijk te praten.’ Dat is natuurlijk ook een sneer aan het adres van Goethe. In zijn jonge jaren had Heine de bijna een halve eeuw oudere Goethe ‘met zijn heldere Griekse ogen’ een nog haast goddelijke volmaaktheid toegedicht, maar daar was nu weinig van over. In een brief verwijt hij de dichtergod ‘een egoïstisch comfortabel leventje’ te leiden. Heine’s eigen reisverhalen kunnen als een moderne, niet op het verleden maar op doorgronding van het heden gerichte versie van Goethe’s Italienische Reise, de klassieke reis met eindbestemming Rome, worden gelezen.
Ook in maatschappelijk opzicht betoont Heine zich een begenadigde waarnemer, bijvoorbeeld in de Engelse fragmenten. In 1827 was hij, uit angst voor de censuur, uitgeweken naar Londen, met het voornemen zich niet over de grootsheid van de stad te verbazen. Maar het verging hem ‘zoals de arme schoolknaap die zich voornam de slaag die hij zou krijgen niet te voelen’. Hij was, kortom, flink geschrokken van de ‘kolossale eenvormigheid’ en de ‘machinale drukte’ van deze ‘overspannen’ stad. Nergens was de warenproductie zo ver binnengedrongen in het dagelijkse leven als hier, nergens ook waren de klassentegenstellingen zo schrijnend. Veel van Heine’s verbluffende observaties lopen vooruit op die van Baudelaire over Parijs een paar decennia later.

Recentelijk zijn er bijna gelijktijdig nog twee belangrijke Nederlandse Heine-vertalingen verschenen. De eerste is een omvangrijke, tweetalige bloemlezing uit zijn poëzie, meer dan voortreffelijk gekozen, vertaald en geannoteerd door Peter Verstegen (die steunt op een eerdere, veel kleinere coproductie met Marko Fondse). De titel Duitsland, een wintersprookje, en andere gedichten geeft al aan dat de vaak nogal traditioneel getoonzette liefdespoëzie uit het Buch der Lieder (1827), waarmee de jeugdige Heine zijn eerste roem verwierf, naar het tweede plan is geschoven. De klemtoon ligt nu – terecht – op de grote verhalende gedichten met sterk politieke inslag, waarin Heine zich overigens, net als in zijn proza, alle mogelijke uitweidingen permitteert.
Het titelgedicht, waarmee het boek ook opent, is van 1844, een jaar nadat de dichter zijn vrijwillige Parijse ballingschap voor het eerst in twaalf jaar onderbrak voor een reis naar zijn oude moeder in Hamburg en zijn aldaar eveneens gevestigde uitgever. Dat het gedicht meteen in bijna alle 36 Duitse staatjes en vorstendommen werd verboden en er in het dominante Pruisen een arrestatiebevel tegen Heine werd uitgevaardigd, kan niet verbazen. Want Heine windt er geen doekjes om: Duitsland is het land van censuur, rechtlijnigheid, bekrompenheid, onderdrukking en despotisme, het stinkt er allemachtig. ‘De stuitendste dampen zijn daar, o God,/ Omhooggekomen in golven;/ Uit zesendertig latrines leek/ de stront er opgedolven.’ Het eerste wat de dichter er hoort is het lied van een meisje, het ‘zelfverloocheningslied’, dat ‘het aardse tranendal’ in positief christelijke stijl bezingt. Daartegenover belooft Heine ‘een nieuw lied en een beter lied’ te zullen zingen. Want: ‘Wij willen immers op aarde reeds/ Het rijk des hemels stichten.’
Vervolgens beschrijft hij de reis die hem van Aken uiteindelijk naar Hamburg voert, waarbij hij de plaatsen die hij aandoet als uitgangspunt gebruikt voor persoonlijke herinneringen, historische excursies, komische intermezzo’s, literaire overwegingen en politiek commentaar. Keulen wordt onder meer aldus geëerd: ‘Het vuur van de brandstapels, ach, dat heeft/ Hier mensen en boeken verslonden;/ De klokken werden erbij geluid,/ Het kyrie-eleïson gezongen.// De domheid en slechtheid, die paarden hier/ Als honden in de straten;/ Hun nazaten zijn te herkennen aan/ De geloofsijver waar ze mee haten.’ De Keulse Dom, nog zonder torens, noemt hij ‘de Bastille des geestes’, en hij prijst Luther, die de bouw heeft onderbroken – voor eeuwig, hoopt Heine, die voorspelt dat deze kerk ooit zal dienen als stal voor de paarden van het leger.
Nog indrukwekkender dan dit venijnige wintersprookje vind ik Atta Troll, een zomernachtsdroom (1847), dat in deze bloemlezing eveneens integraal is opgenomen. Dit gedicht, geschreven in rijmloze kwatrijnen, biedt Verstegen meer ruimte zijn meesterschap, ook in muzikale zin, te bewijzen. De titel slaat op een beer die moet dansen voor de kost en daarom de mensen, ‘uitvaagsel vol hoogmoed’, haat. ‘Atta Troll, die eens een trotse/ Vorst der wildernis geweest is/ In het hoge, vrije bergland,/ Danst in ’t dal nu voor plebejers!// Maar hij wekt geen medelijden,/ Enkel spotlust. Zelfs Juliette/ Moet op haar balkon om al zijn/ Wanhoopssprongen vrolijk lachen.’ Het hele gedicht is doordrenkt van Heine’s gevoeligheid voor dit vernederende lijden, en van zijn verlangen er een eind aan te maken.

Een tweede recente Heine-vertaling betreft een bundeling van twee essays – Religie en filosofie in Duitsland en De romantische school – die Heine tussen 1833 en 1835 schreef voor een Frans publiek. De verzameltitel Over Duitsland, in het origineel De l’Allemagne, verwijst kritisch naar een precies zo getiteld boek van Madame de Staël (door uitgeverij Contact in 1993 in vertaling uitgebracht). Heine wil haar idealisering van de Duitse cultuur en haar positieve visie op de romantische herleving van de middeleeuwse poëzie corrigeren; zelf ziet hij in die herleving vooral een funeste terugkeer van een ‘katholiek-feodale wijze van denken’.
De beide essays kunnen daarnaast als tegenhanger worden gezien van twee kort daarvoor geschreven artikelen waarin Heine de Duitse lezers op de hoogte wil stellen van ‘Französische Maler’, naar aanleiding van de Parijse Salon van 1831, en van ‘Französische Zustände’, over het leven van alledag in Parijs en actuele politieke ontwikkelingen. Verbazingwekkend maar waar, de vlijmscherpe polemist Heine ziet deze diplomatieke pendeldienst nu als niet minder dan zijn ‘levenstaak’: ‘Ik heb wellicht de vredesmissie de volkeren nader tot elkaar te brengen.’ Het uiteindelijke doel van die missie: de synthese van (Frans) sensualisme en (Duits) spiritualisme. Dat de auteur in een voorwoord bij de tweede druk van Religie en filosofie in Duitsland (1852) laat weten dat zijn opvattingen over religieuze kwesties inmiddels ‘een nogal ingrijpende verandering’ hebben ondergaan, doet niets af aan de constatering dat hij juist over de maatschappelijke betekenis van het christendom in dit essay buitengewoon verhelderende dingen zegt.
Het katholieke christendom, aldus Heine, heeft een kunstmatige vijandschap tussen lichaam en geest gewekt, waarvan toekomstige generaties niets meer zullen begrijpen. Achttien eeuwen lang is het erin geslaagd alles wat aangenaam en lieflijk is als werk van de duivel voor te stellen. Maar wie zich liet verleiden, kon zijn zonden afkopen. Dat hypocriete systeem heeft uiteindelijk zelfs de bouw van de Sint-Pieter mogelijk gemaakt, die zodoende – Heine constateert het met sarcastisch genoegen – ‘een monument van zinnelijke lust’ werd. Luther, die tegen de aflatenhandel in het geweer kwam, is een van Heine’s grote helden, niet alleen omdat hij ‘de geest een lichaam gaf’, maar ook vanwege zijn bijbelvertaling, dankzij welke ‘dit politiek en religieus verbrokkelde land een literaire eenheid’ werd.
Een nog grotere held is Spinoza, die hij tegen elke verdenking van atheïsme wenst te verdedigen: ‘Niemand heeft ooit in meer verheven bewoordingen over God gesproken dan Spinoza.’ Volgens Heine is het pantheïsme, dat een rehabilitatie van de materie wil, de heimelijke geloofsleer van alle vooruitstrevende Duitsers. Zijn eigen pantheïsme doet overigens eerder aan Epicurus denken dan aan Robespierre, tot wiens revolutionaire geestverwanten hij zich richt met dit schitterende hedonistische manifest: ‘Wij strijden niet voor de menselijke rechten van het volk, maar voor de goddelijke rechten van de mens. (…) Wij willen geen sansculotten zijn, geen sober levende burgers, geen goedkope presidenten. Wij stichten een democratie van goden die allemaal even zelfbewust, heilig en gelukkig zijn. U wilt eenvoudige kledij, strenge zeden en flauwe genietingen. Wij daarentegen willen nectar en ambrozijn, purperen mantels, kostbare parfums, wellust en pracht, een dansende schare van lachende nimfen, muziek en komedies. – Wees daarom niet verstoord, o deugdzame republikeinen! Op uw bemoeizuchtige verwijten antwoorden wij hetzelfde als een nar bij Shakespeare al zei: “Denk jij, omdat je zo deugdzaam bent, dat er op deze aarde geen lekkere taarten en geen zoete champagne meer mogen zijn?”’

Natuurlijk, er blijft altijd nog wel iets te wensen over (het Denkschrift over Ludwig Börne, de late autobiografische geschriften, een mooie selectie uit de brieven), maar het valt niet te ontkennen dat de Nederlandse Heine-lezer momenteel weinig reden tot klagen heeft.