Kathinka Dittrich over tolerantie en het koningshuis

‘Wij willen normaal met jullie samenleven’

Als directeur van het Amsterdamse Goethe-Institut schudde Kathinka Dittrich de Nederlands-Duitse verhoudingen in de jaren tachtig flink op. Inmiddels is ze een grande dame van de Europese cultuurpolitiek.

‘In 1979 maakte ik in m'n eentje een tripje naar Amsterdam vanuit New York, waar ik toen het Amerikaanse cultuurprogramma van het Goethe-Institut coördineerde. Een paar maanden later zou ik beginnen als directeur van het Amsterdamse Goethe-Institut, en ik wilde de sfeer proeven. Ik kende Amsterdam niet. O, wat had de stad een open uitstraling en wat was alles er schoon! ’s Avonds ging ik een hapje eten. Om acht uur viel het restaurant opeens totaal stil. Ik hield gelukkig mijn mond: het was 4 mei. De volgende dag waren het minder de officiële kransen die grote indruk op me maakten dan de kleine bosjes bloemetjes die overal waren neergelegd. Dat wordt moeilijk, in Nederland, dacht ik.’
Kathinka Dittrich was amper veertig toen ze directeur van het Goethe-Institut in Amsterdam werd. In de Duitse diplomatie stond Nederland bekend als een van de moeilijkste posten ter wereld: even onwetend als vijandig. De 'moffen’ werden alleen dan 'Duitsers’ wanneer ze bruikbaar waren. Zelfs bij de bouw van het Nationale Monument op de Dam in de jaren vijftig was al een Duitse onderneming betrokken. 'Wat wil je, na de bezetting’, evalueert dr. Kathinka Dittrich van Weringh in haar Keulse woning. 'Aan de ene kant waren jullie een handelsvolk met een rationele, open economie. En tegelijkertijd klampte men zich vast aan het oorlogsverleden, als een steuntje in de rug. Het slachtoffer-zijn was goed voor de nationale identiteit.’
Toen ze in Amsterdam begon, had iedereen de mond vol van het televisiedebat dat kort tevoren had plaatsgevonden tussen Hollanders en cdu-voorzitter Helmut Kohl. 'Kohl gedroeg zich selbstherrlich, maar die Nederlanders stelden dan ook vragen! Het waren eerder idiote beschuldigingen, op de meest impertinente toon.’ In 1985 leek de Hollandse Kohl-affaire zich te gaan herhalen. 'In mei kwam bondspresident Richard von Weizsäcker op staatsbezoek naar Nederland. Hij wilde graag bij ons op het Goethe-Institut met Nederlandse scholieren praten. Ik hield mijn hart vast. En inderdaad, de “vragen” waren wederom vreselijk. “De Duitsers zijn antisemieten”, riepen die scholieren tegen Weizsäcker. Maar de bondspresident ging rustig op alles in, hij riep niet terug dat ze konden barsten met al hun vooroordelen. Tot slot nodigde hij de hele groep uit om een week naar Duitsland te komen, dan konden ze zelf zien hoe het daar was. En zo geschiedde.’
De bondspresident had luttele dagen eerder, op 8 mei, in de Bondsdag de Duitse capitulatie in 1945 herdacht met een legendarische toespraak. Toen Weizsäcker onlangs zijn negentigste verjaardag vierde, werd in de Duitse media uitgebreid uit die speech van 1985 geciteerd: 'De achtste mei was een dag van bevrijding. Hij heeft ons allen bevrijd van het mensverachtende systeem van de nationaal-socialistische heerschappij.’
'De bevrijding van het nationaal-socialisme’ - dat was een verfrissend heldere formulering, een die anders klonk dan het toen gebruikelijke 'ineenstorting’. Inmiddels zijn we 25 jaar verder, de laatste Duitse slechteriken zijn 85-plus. Maar bij onze 'Nationale Haatweek’, zoals columnist Nico Scheepmaker de eerste meiweek ooit aanduidde, is op de Dam nog steeds geen Duits staatshoofd welkom. Bondskanselier Schröder herdacht in Warschau en Moskou de oorlog en mocht ook bij de plechtigheden in Rotterdam zijn. In het grensgebied herdenken Duitsers en Nederlanders veelvuldig samen en hetzelfde doen ze op internationale vredesmissies, zelfs op 4 mei.
Wordt het onderhand niet pijnlijk dat de bevrijding van het nationaal-socialisme in onze hoofdstad nog steeds als een 'bevrijding van de Duitsers’ wordt herdacht, zonder Duitsers dus?
'Ik zou gezamenlijk herdenken op de Dam een goed idee vinden. Nu wel. De Duitsers hebben er hard aan gewerkt, moet ik zeggen, om weer normaal met jullie te kunnen samenleven.’
Ook Kathinka Dittrich heeft daar in het Amsterdam van de jaren tachtig hard aan gewerkt. Ze was geschoold in geschiedenis en politieke wetenschappen, maar voor haar functie had ze meer aan haar ervaringen en haar psychologisch inzicht. Ze kwam uitdrukkelijk niet als diplomaat naar Nederland. 'In Spanje heb ik onder Franco’s dictatuur ervaren hoe mensen praten. Je krijgt gevoel voor wat ze níet zeggen, wat onder de tafel blijft. Cultuur is veel meer dan kunst exporteren. Het is een proces van samenwerking, van sensibiliteit, van lange adem. Cultuur is: hoe gaan we met elkaar om. En het Goethe-Institut wil, met dat vreselijke verleden van ons, natuurlijk niemand de Duitse cultuur opleggen. We zijn formeel ook vrij onafhankelijk van de Duitse regering, meer dan culturele instituten van andere staten.’
'Als ik in Amsterdam afstand voelde’, zegt ze, 'wilde ik erover praten: laten we samen de pijn naar boven halen, voorzover mogelijk. De Nederlanders reageerden eerst verbaasd wanneer ik dat voorstelde. Ik vond het logisch. Altijd kijken wat de ander wilde, altijd samen. Ik heb in die zeven jaren nooit iets in m'n eentje georganiseerd.’
'On-Duits’, zou je bijna zeggen. U bent heel informeel.
'Dat komt niet door Nederland. Zo was ik altijd al, denk ik.’ Ze vertelt over het half-aristocratische, half-burgerlijke Pruisische milieu waaruit ze stamt en waarvan haar fraaie meubelen getuigen. In die wereld stonden boeken, beeldende kunst en vooral mensen centraal. 'Mijn moeder en grootmoeder, die me het meest hebben gevormd, hadden als adagium: je bent liberaal, staat open voor anderen en je bent bescheiden. Juist omdat je geprivilegieerd bent, moet je extra verantwoordelijkheid nemen. Je stelt je nooit aan, en als iets misgaat, red je eerst de anderen. Eigenlijk is dat een feodaal principe. Maar luisteren naar je medemens, wie dan ook, hoorde daar wel bij.’
Dat kwam mooi uit, in Nederland.
'Ik heb er amper problemen gehad, ook niet voordat ik met de vrij bekende Koos samen was (de criminoloog Jac. van Weringh - ah). Eigenlijk alleen met Annemarie Grewel. Die zei tegen me: “Met Duitsers werk ik niet samen. Punt uit.”’
U was de excuus-Duitser, 'onze Kathinka’?
'Zoiets. Ik kreeg soms “complimentjes”: “Ach, Kathinka, jij bent niet echt Duits. Jij bent zoals wij.” Dan dacht ik, laat ik nu maar lachen.’ Ze schatert het uit.
In 1982 spat het ondeugende rattekopje Kathinka Dittrich met haar grote ogen zelfverzekerd van de Volkskrant-pagina. Die blik heeft ze nu in Keulen nog. Ze werd toen geïnterviewd vanwege Amsterdam-Berlijn 1920-1940, een megamanifestatie met meer dan honderdvijftig evenementen, seminars en publicaties. Centraal stonden minder de gay twenties in Berlijn dan Nederland en het Duitse Exil 1933-1940, de titel van een essaybundel onder Dittrichs redactie.
Dit boek bracht een paar ferme scheuren aan in het Nederlandse zelfbeeld. Gevluchte Duitse topcineasten, cabaretiers, beeldende en andere kunstenaars, joods en/of links danwel homoseksueel, werden, áls ze ons land al in mochten, hier al gauw van broodroof beticht en buitengesloten of uitgebuit. Zijzelf nam in het boek de film, haar hobby, voor haar rekening. In 1987 zou ze aan de Universiteit van Amsterdam promoveren op Der niederländische Spielfilm der dreissiger Jahre und die deutsche Filmemigration (Nederlandse handelseditie: Achter het doek).

Besefte u dat u in een wespennest was gedoken? De Nederlandse regering bleek na 1933 een xenofobe asielpolitiek te hebben gevoerd. En de vakbroeders behandelden de gevluchte Duitse collega’s vaak als baantjesjagers die, zoals een befaamd filmcriticus het heersende gevoel vertolkte, 'zich in onze vette polders te goed komen doen’.
'Nee, ik wist niet wat ik in de archieven tegen zou komen. Het was onbekend terrein. Over de Duitse cineasten en hun rol in de Nederlandse film wist men bijvoorbeeld zelfs op het Filmmuseum nagenoeg niets en in internationale filmboeken werden de Exil-jaren vaak doodgezwegen.’
Dittrich benadrukt, als politiek correcte Duitse, dat sommige vluchtelingen de oorlog in Nederland wisten te overleven. 'Maar inderdaad, film was business en “die buitenlanders”, zoals de vluchtelingen ook toen meestal werden genoemd, moesten wel geld in het laatje brengen, anders wilde men ze liever niet hebben. “Eigen volk eerst”, hè. En eigen films in de eigen taal.’ Zulke feiten haalde ze uit allerlei dossiers, zoals die bij de Bioscoopbond: 'Toen men daar zelf ging lezen waarin ik zo verwoed zat te snuffelen, kreeg ik opeens geen toegang meer tot dat archief. Ze waren blijkbaar geschrokken.’ In de archieven vond ze veel dat ze niet heeft willen verwerken, voegt ze toe. 'Zoals stukken waaruit de collaboratie van de Nederlandse cultuurindustrie in de oorlog scherp zichtbaar werd. Daar werd je niet vrolijk van.’
De Nederlanders leken tijdens de bezetting, en dus ook al daarvoor, meer op de Duitsers dan ze lief was: wegkijken en doorleven. Maar voor zo'n scherpe conclusie was het nog te vroeg; ook Dittrich drukt zich in het Volkskrant-interview voorzichtig uit. Tien jaar later sprak zelfs koningin Beatrix in zulke bewoordingen. 'Terugkijkend begon de tijd toen net rijp te worden voor grijstonen in de zelfwaarneming. Het leven is niet zwart-wit, het is niet op te delen in helden en verraders. Grijs-zijn is menselijk.’
Toen Kathinka Dittrich van Weringh in 1986 naar München werd gepromoveerd om daar de hoogste programmachef van alle Goethe-Instituten ter wereld te worden, had Nederland in elk geval wat bijgeleerd over haar, over Duitsers en over zichzelf. Amsterdams burgemeester Ed van Thijn had zelfs Duitse conversatieles bij Dittrich genomen. En het Goethe-Institut gaf inmiddels ook, de wereld op z'n kop zettend, succesvolle cursussen Nederlands voor Duitsers.

Echtgenoot Van Weringh komt binnen. Omdat het interview in het Nederlands plaatsvindt, spreekt ze hem in deze taal aan. In Keulen praten ze doorgaans Duits met elkaar, in Amsterdam Nederlands, en halverwege de route beide talen door elkaar. 'Koos’, vraagt ze hem, indachtig ontactisch opererende Duitsers als Helmut Kohl, 'herinner je je die Duitse persattaché bij onze tentoonstelling in Arti nog?’
Nou reken maar. Van Weringh, verzamelaar en kenner van de politieke cartoon, was betrokken bij die tentoonstelling van 1981 aan het Amsterdamse Rokin. Er was een spannende combinatie te zien van tekeningen uit het satirische Duitse weekblad Simplicissimus van vóór 1914 en kritische affiches van Klaus Staeck uit de Bondsrepubliek van de jaren zeventig. Wie kent niet Staecks fotomontage van de Beierse csu-leider Franz Josef Strauss, die lachend het slagersmes zet in een worst met 'Freiheit’ erop?
Samen vertellen ze over de Duitse persattaché die vlak voor de opening kwam kijken en over Staecks werk zei: 'Dit kan hier niet hangen.’ Van Weringh suggereerde hem toen die affiches vooral weg te halen, dan hadden de Nederlandse media weer een fijn onderwerp over Duitsland. Dittrich: 'De man bond in. Bovendien besliste ik, en niet de Duitse ambassade.’ De tentoonstelling hakte erin. 'We kregen reacties in de trant van: als zulke affiches kunnen, is Duitsland weer een normaal land geworden, daar moeten we maar eens heen. En de persattaché zag zijn fout in.’
Links Nederland maakte zich in die tijd anders grote zorgen: de Bondsrepubliek zou, met de repressie tegen buitenparlementair links, aan het afglijden zijn naar een politiestaat of erger.
'Ja, je kon van die Duitsers altijd het ergste verwachten, hè. En een klein land als dat van jullie zou de volgende keer weer van ons verliezen. Ik begreep die sceptische houding wel.’
Die scepsis bloeide rond de Duitse hereniging in 1990 nog eens op: angst voor een grote sterke buurstaat.
'Maar terecht was die scepsis niet. Duitsland is enorm zelfkritisch, tot aan de rand van het masochisme. Het is, denk ik, het meest zelfkritische land ter wereld. Je hoort en leest iedere dag in onze media: “Je bent slecht, je bent slecht.” Want je bent een Duitser, nietwaar? Dus ben je extra voorzichtig.’ Ze heeft zich nogal verbaasd, vervolgt ze, over de kritiekloze omgang in Nederland met 'Oost-Indië’: 'Nog steeds begrijp ik niet goed hoe mijn schoonvader, die in het verzet zat en bij wie een joods meisje in huis zat, na de oorlog vrijwillig in jullie kolonie Indië ging vechten. Dat heette een politionele actie, maar het was oorlog. Net zoals nu in Afghanistan, dat besef is tenminste eindelijk in mijn land doorgedrongen. Duitsers nemen deel aan een oorlog: dat ligt bij ons natuurlijk supergevoelig. Nederland straalt daarentegen veel zelfvertrouwen uit, rampen als Srebrenica ten spijt. “We zijn klein, maar we zijn moreel superieur.” Een aantal jaren geleden was dat nog veel erger, het is weer wat gedempt. Maar nu heeft Nederland Geert Wilders, tot enorme verbazing van de Duitsers. Ik snap het zelf ook niet, ondanks mijn Nederlandse ervaringen. Ik heb er wel een idee over, maar ik weet niet of dat klopt. Het heeft te maken met jullie opvatting over tolerantie. Toen ik in Amsterdam woonde, zag ik onder het strijken een vpro-programma dat me goed is bijgebleven. Buitenlandse kunstenaars werden geïnterviewd, die alles prachtig en leuk vonden in Nederland, werkelijk niets was moeilijk of naar. Pas na herhaald doorvragen zei een Fransman plotseling: “Nee, ik heb geen problemen, ik kan doen wat ik wil. Alleen: Dat kan niemand ook iets schelen.” Doing, dacht ik. Dát is een rare vorm van tolerantie!’
Het is, vermoedt ze, een overblijfsel van de verzuiling: 'Iedereen heeft zijn eigen groepje, en je doet niks met mensen in een ander groepje. Je laat iedereen in zijn waarde, ook zo'n mooie Nederlandse uitdrukking, maar wilt niets met de ander te maken hebben. Wegkijken. En anno nu is dat wegkijken fataal: je sluit een heel stuk van de zo dynamische Nederlandse samenleving, met zijn immigratiegolven, buiten. Nederland voelt zich, als klein land, bedreigd door die onoverzichtelijke open grenzen. Terwijl dat juist ideaal is voor jullie: business, business, business.’
In Duitsland lijkt een partij rechts van de liberalen en christenen geen kans te hebben.
'Duitsland heeft inderdaad geen Wilders. En ook geen Haider of Le Pen. De bevolking is daarover behoorlijk eensgezind: met ons verleden dát niet, dát niet. Duitsland is, met grote inspanningen, een heel stabiele rechtsstaat geworden. In Hamburg verscheen een paar jaar geleden even een soort Wilders. Iedereen was alert, niemand nam hem serieus en plotseling was hij verdwenen, afgedropen.’
Na München ging Dittrich naar Moskou om er, vanuit het niets, de eerste vestiging van het Goethe-Institut in het ondergaande Oostblok op te zetten. Vervolgens werd ze in 1994 Kulturdezernentin in Keulen, een soort superwethouder - partijloos. Ze was de eerste naoorlogse Keulse wethouder die uit zichzelf opstapte. Na vijf jaar kon ze de wankelmoedige financiering van de Keulse kunst en cultuur niet langer dragen. 'Soms moet je hard zijn. Als je je werk niet kunt doen, ga je weg.’
Weggaan wanneer je je werk niet kunt doen. Dat adagium was Dittrich kort geleden wederom trouw: in 2008 zegde ze haar belangrijkste functie in Nederland op. Ze was bestuursvoorzitter van de gerenommeerde European Cultural Foundation (ecf). En ze wil het nu eens gezegd hebben: 'Door het optreden van prinses Laurentien kwam een hele club Europese topmensen niet meer aan zijn werk toe.’
De ecf initieert grensoverschrijdende culturele samenwerkingsprojecten die tot beter wederzijds begrip in Europa moeten bijdragen. Het is een onafhankelijke non-gouvernementele organisatie, in naam dan. Dittrich: 'De ecf is in Amsterdam gevestigd omdat het Prins Bernhard Cultuurfonds de stichting haar belangrijkste inkomsten verschaft, bijeengebracht door diverse Nederlandse loterijen. In ruil daarvoor voert het koningshuis het patronaat. Prinses Margriet was jarenlang onze presidente, zeg maar beschermvrouwe, en dat ging in een uitstekende verstandhouding. Toen stelde ze Laurentien als haar opvolgster voor. Prinses Laurentien heeft het functioneren van de ecf volledig lam weten te leggen. Tja, zo werkt dat in Nederland, met de monarchie. Leg het maar eens uit aan je Europese connecties.’
Ging het om botsende visies op ECF’s missie?
'Nee, het ging niet om visies. De prinses is geen cultuurvrouw, zij zit in de pr-business. Dat is ook prima. De rol van het patronaat is deuren openen bij sponsoren en zo. Niet onbelangrijk, indirecte macht. Maar operationele taken heeft Laurentien formeel niet. Dat werd het probleem. Wanneer ik haar, als bestuursvoorzitter, bijvoorbeeld inlichtte over een komende bestuursbenoeming, stampvoette ze: “Ik ben toch geen schoolmeisje!” De prinses wenste over van alles mee te beslissen - tegen de statuten in. “Statutes are boring”, sprak ze eens ter vergadering.’
De ecf probeerde het de prinses naar de zin te maken, bijvoorbeeld door een etentje voor haar te organiseren met Europese kopstukken in haar huis in Brussel, waar ze een pr-bureau heeft. Maar het had weinig effect. 'Naar buiten stralend lachend, behandelde ze ons wie den letzten Dreck. Zo bestelde ze mij om acht uur ’s ochtends, vlak voor onze bestuursvergadering, omdat ze nog “enige vragen” had. Nou goed. Toen we naar die vergadering moesten, stapte zij in haar auto. En ik, de voorzitter van het bestuur, mocht er bij wijze van spreken achteraan rennen.’
Zo veranderde een prestigieuze organisatie in rap tempo in een club die vooral met zichzelf bezig was, 'met interne procedures en statuten die de prinses wenste te veranderen, omdat ze meer zeggenschap wilde. We werkten ons rot voor haar. Wat niet de bedoeling was, eerder omgekeerd.’ Maar Dittrich probeert de zaak weer van twee kanten te bekijken. 'Ik denk dat haar gedrag uit innerlijke onzekerheid voortkomt. Laurentien heeft haar rol nog niet gevonden. Ze moet zich met haar burgerlijke achtergrond bewijzen in de koninklijke familie. Zo heeft ze ons eens berispt omdat we het “hrh” voor haar naam vergeten waren, “Her Royal Highness”. Ze heeft geen gevoel voor proporties. Jammer.’
Waarom heeft het ECF-bestuur toen niet geopperd: 'Waarde HRH, misschien is het verstandig dat u zich aan uw functieomschrijving houdt?’
'Zoiets doorzetten is volstrekt onmogelijk. De Nederlandse monarchie is onaantastbaar, inclusief het hele apparaat. Dat werd ons ook ingefluisterd door de mensen van de loterijen.’
Dittrich stapte dus op. Enige tijd later deed de langjarige Nederlandse vice-voorzitter Morris Tabaksblat hetzelfde, 'ook voortijdig, dus dat was een duidelijke daad voor iemand van zijn kaliber, die niet zo ver van het koningshuis af staat.’ Vervolgens stapte ook de Oostenrijkse directeur op. Dittrichs opvolger, een vermaard diplomaat uit Parijs, probeert de schade nu te beperken, zegt ze.
'Het is spijtig. Eigenlijk wilde Laurentien van de ecf een soort pr-club maken. Ze is een pr-vrouw, alles moet snel en efficiënt. Maar cultuur is niet van snel, snel, snel. Culturele samenwerking is, zoals gezegd, een proces van lange adem. Daar heeft de prinses nog geen gevoel voor.’