Wij willen oorlog

Wat is de meest gehoorde kreet deze week? ‘Er hadden veel meer dooien moeten vallen op dat Beverwijkse veldje.’

Het vreemde is dat die voetbalsupporters hebben gedaan wat menig spottend intellectueel had opgeschreven: ‘Laat ze naar een veldje gaan en elkaar daar te lijf gaan.’
En opeens vallen er dan echte doden.
Het is de consequentie van wat ik al eerder intuïtief voel: er is een grote behoefte aan oorlog. Aan daadwerkelijke strijd. Dat heeft de volgende oorzaak: Ons leven hier is saai. We zijn wel betrokken bij verschillende oorlogen, maar we spelen daarin slechts pro forma een rol. En als we uit die oorlogen terugkeren, zijn onze soldaten ziek en blijkt onze militaire top consequent de verkeerde en/of laffe beslissingen te hebben genomen. We leveren kortom geen helden meer af.
Het valt aan onze moderne cultuur af te lezen. Al sinds de jaren vijftig kennen we in de Nederlandse literatuur maar drie helden: Reve, Hermans en Mulisch. De een is dronken, de tweede is al dood, de derde denkt dat hij God is. De generatie Nix is de generatie Nix Meer geworden. Een nieuwe generatie is bang voor de consequenties van de polemiek of vindt polemiek te ouderwets. Er is een vlucht in religie.
Helden worden gewantrouwd of onmiddellijk geëxecuteerd. Vrede - het wordt steeds duidelijker - is een hoog goed, maar versuft de geest. Er is slechts één gebied waarin we - vreemd genoeg - enkele aansprekende helden weten te fabriceren. Dat is de sport.
Ajax, bijvoorbeeld.
Maar wat is Ajax? Het is een voetbalteam dat zijn heldendom verworven heeft door een collectief optreden (het Ajax-systeem) dat juist ontwikkeld werd door een gebrek aan helden, aan klassespelers, zoals je vroeger Cruyff, Van Basten en Gullit had.
Zodra er weer enige klassespelers zijn (Kluivert, Bogarde, Seedorf, Davids) zie je dat die onmiddellijk naar het buitenland vertrekken terwijl tegelijkertijd (en daardoor) het Ajax-systeem instort.
Ook daar zijn we nu dus ons heldendom aan het verliezen. Gebrek aan helden betekent gebrek aan manschappen waaraan je je kunt spiegelen.
En dan grijpt een 35-jarige hoteleigenaar die Carlo heet uit Amsterdam-Noord (getrouwd, twee kinderen) zijn kans en benoemt zichzelf tot leider van de Ajax-supporters. Hij is een held, want hij wil vechten en vecht ook - tot de dood erop volgt.
En dan is er een martelaar.
'We zullen je wreken, Carlo’, lees ik op Internet.
Wij, schrijvers, dichters, toneelmakers, musici kijken ernaar, tikken tegen onze kop en zeggen: 'Er hadden veel meer dooien moeten vallen op dat veldje in Beverwijk.’
Want wij schrijven liever boeken die die jongens op dat veldje nooit zullen lezen, we maken liever muziek die ze nooit zullen spelen, we maken liever toneelstukken die ze nooit zullen zien, en we vinden het eigenlijk best dat dat geteisem elkaar uitroeit. En we maken onze cultuur in het besef dat niemand van ons, intellectuelen, echt z'n kop zal uitsteken of een echte held zal zijn.
We weten niet eens meer wat een held is; we weten alleen hoe we op ze moeten reageren: met wantrouwen.
Er zijn geen grote persoonlijkheden meer in Nederland. Nergens. Niet in de politiek en niet in de kunst. We lullen onszelf suf. We weten het inderdaad beter en willen ons niet meer bemoeien met een situatie die we bij voorbaat al verliezen. We zijn te schijterig om te verliezen. Wie verliest, verliest aanzien, status, geld, mogelijkheden om zijn kunst te maken.
En dus wordt een martelaar een held.
En waar één martelaar is, volgen er meer.
Onze culturele saaiheid is de beste voedingsbodem voor de ware volksheld.