Rondetafelgesprek

‘Wij worden van welvaart en consumptie een beetje ongelukkig’

De onvrede van de burgers is door de politiek jarenlang ontkend. Nu schiet het de andere kant op: u heeft gelijk, we doen het zoals u zegt. Ad Verbrugge, Gabriël van den Brink en Theo de Roos gaan op zoek naar een remedie.

Ad Verbrugge (42) groeide op in Terneuzen, studeerde in Leiden en doceert nu filosofie aan de Vrije Universiteit. In 2004 publiceerde hij Tijd van onbehagen, een essaybundel waarin hij zijn afkeer belijdt van ‘cultuurverlies’ in Nederland: de relativering van traditionele waarden en verlies van sociale samenhang. Als medeoprichter van de stichting Beter Onderwijs Nederland leverde hij kritiek op decennia van (progressieve) hervormingen in het Nederlandse onderwijs, als muzikant is hij van de zachtaardiger inbreng.

Gabriël van den Brink (59) groeide op in
Eersel en werd daar volgens zijn eigen website ‘gevormd door Augustijnen’. Hij beleefde zijn linkse studentenperiode in Nijmegen en is nu hoogleraar sociologie in Tilburg. De lijst onderwerpen waarover Van den Brink publiceert is verbluffend lang, van geloof tot taal en van agressie tot integratie. Al in 1996 publiceerde hij Onbehagen in de politiek, over de onderbuikwrevel die hij toen al op grote schaal aanwezig zag. In 2005 voegde hij daar nog de essaybundel Voorbij fatsoen en onbehagen aan toe, over het debat over normen en waarden.

Theo de Roos (61) groeide als domineeszoon op in Brummen, trok voor zijn studie naar Amsterdam en werkte daar in de sociale advocatuur. Hij is nu hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Tilburg en mengt zich vaak in de vele verhitte discussies over gerechtelijke uitspraken. Lang voor de controverses over de Schiedammer en Deventer moordzaak losbarstten, schreef hij in 2000 Het grote onbehagen: Emotie en onbegrip over de rol van het strafrecht. Hij adviseert regelmatig het Openbaar Ministerie, onder meer over ‘De Zaak’ Wilders.

OF HET NU gericht is op bankiers, allochtonen of ‘dat zooitje in Den Haag’, onvrede is een erkende kracht die niet meer weg te denken is bij omstreden moordzaken, het maken en breken van politieke carrières en het sturen van het publieke debat. Voordat in brede kring doordrong hoe groot de sluimerende onvrede in Nederland werkelijk was, hadden sommige wetenschappers de onderstroom al benoemd en ontleed. De Groene Amsterdammer bracht drie van hen – filosoof Ad Verbrugge, hoogleraar sociologie Gabriël van den Brink en hoogleraar strafrecht Theo de Roos – samen boven vijf gangen Franse cuisine in een klein restaurant in Leiden, voor een gesprek dat uitwaaierde van moderne techniek en onze verhouding tot ons lichaam tot de politieke ruimte en ingrijpen achter de voordeur.
Ad Verbrugge steekt van wal. Hij heeft aangekondigd dat hij later op de avond even weg moet, dus hij neemt de ruimte. ‘Het woord “onbehagen” wijst op een ervaring van je niet op je gemak voelen, dat de dingen je ontglippen. Het wijst op sociale vervreemding, maar ook op gebrek aan richting. Er zit iets ongedefinieerds in, een dreiging, waarbij je de vinger niet meteen op de zere plek kunt leggen.
In mijn boek Tijd van onbehagen schreef ik over iets wat ik al uit m’n jeugdjaren meenam. Ik kan het moment niet meteen aanwijzen, maar mijn onbehagen heeft alles te maken met een cultuur die verandert: m’n eigen afkomst, de rol van het christendom, de erfenis van de jaren zestig, de opkomst van de media, de pop. Ik kom uit de provincie, uit een milieu waarin het provinciale nog heel duidelijk aanwezig was, terwijl ik zelf progressief was in m’n liefde voor bepaalde kunst en literatuur. Tegelijkertijd voelde ik dat er een spanning lag, die ook over m’n eigen levensgrens heen ging.
Ik heb lang het gevoel gehad dat ik met iets heel privaats bezig was. Het bezorgde mij bijna een soort blijdschap, al is dat het verkeerde woord, een soort opgetogenheid, toen zo rond de millenniumwisseling sprake was van een keerpunt door de opkomst van Fortuyn. Ik merkte plotseling: in wat er nu doordringt, speelt wat ik zelf ook bevreemdend vond. Al is het alleen maar dat ik door de Haarlemmerstraat liep en het mij opviel dat mensen elkaar niet meer in de ogen keken. Net zo goed als ik het, al heel jong, bevreemdend vond dat vrienden van me een walkman opzetten tijdens een gesprek. Iemand trekt zich in z’n eigen belevingswereld terug en stapt uit de lijfruimte. Hij maakt zich op een bepaalde manier ongeplaatst. De moderne techniek schept een nieuwe, virtuele biotoop, die ons van onze plaats rukt.’
‘Ad’, vat Gabriël van den Brink samen, ‘je vertelt een paar dingen die met andere woorden steeds naar dezelfde ervaring verwijzen. Je hebt het over being in touch en vervreemding. Een gevoel dat de verbinding met de wereld en de verbinding met andere mensen is verbroken.’
‘Zeker’, beaamt Verbrugge, ‘het heeft met contact te maken, met binding, met het idee van saamhorigheid en geborgenheid. Mijn vader was radio- en televisiemonteur en ik merkte dat ik een ambivalente verhouding had tot elektronica. Ik wilde zelf met m’n handen werken. Ik heb m’n eigen surfplank gemaakt, m’n eigen skateboard. De consequenties van de moderne techniek hebben we nog lang niet overzien. Dan heb ik het niet alleen over wat het geestelijk met ons doet dat we niet meer op één plaats zitten.
De Turkse buurt die wij hadden in Terneuzen kun je niet los zien van de economie, techniek en de transportmiddelen. Het feit dat er schotelantennes staan, maakt dat er een andere biotoop ontstaat. Modernisering is een technisch, economisch en moreel proces. Je kunt niet over normen en waarden spreken zonder de verandering van ruimte en leefwereld mee te nemen. De verwevenheid van techniek, wetenschap en economie en de globalisering die zich voltrekt, heeft enorme sociale implicaties: de grote groepen die over de aarde rondtrekken, de wereldhandel, de relatie tot de natuur die in het geding is. Ik werd daar als jongen, opgroeiend in een industriegebied, door getroffen.’
‘Waarom?’ roept Van den Brink. ‘Zeeuwen zijn toch eeuwenlang het zeegat uit gevaren?’
‘Natuurlijk, maar het gaat om de mate waarin én de schaal waarop én wat het doet met m’n lichaam. Het is de ervaring van de dislocatie, het feit dat ik ergens kan zijn en er tegelijkertijd niet kan zijn, waarbij iets van buitenaf op mij inwerkt en mij in staat stelt mij van de omgeving te onttrekken. We hebben het over de noodzaak om in balans te komen met die dislocatie door de moderne techniek en het feit dat wij altijd ergens lijfelijk gesitueerd zijn.
Daar hoort voor mij vanzelf het besef bij dat de vrijheid, om met Hegel te spreken, wederkerigheid nodig heeft. De ware vrijheid heeft met erkenning te maken en daardoor ook met binding. Onze bevrijdingsagenda heeft sterk de nadruk gelegd op mijn handelingsruimte als individu, om iets te ondernemen, m’n eigen geluk te zoeken, m’n gevoel te uiten. Daar zitten goede kanten aan, maar het miskent de afhankelijkheidsverhoudingen waarin we staan, waardoor je roofbouw pleegt en niet ziet dat het heel belangrijk is dat de ander je ziet en ook voor je zorgt.’

GABRIËL VAN DEN BRINK herinnert zich nog heel goed dat hij in 1970 automatisch greep naar Freuds Das Unbehagen in der Kultur. Net als bij Verbrugge was het onbehagen bij hem eerst een vage, innerlijke notie: ‘Ik had nog nooit van Freud gehoord, maar de herkenning was er al voor ik wist waar het over ging. Het onbehagen is altijd bij mij gebleven, in wisselende heftigheden.
Ik denk wel dat het onbehagen iets specifiek westers is. Als je terugkijkt in de westerse geschiedenis zie je veel periodes waarin het onbehagen groeit en dan weer afneemt. Het heeft ermee te maken dat door het christendom een innerlijke ruimte is ontstaan, het zielenleven, dat wel beïnvloed wordt door wat er maatschappelijk gebeurt, maar dat een eigen beweging doormaakt. Het wil bij de wereld passen, maar de afstand tussen de ziel en de wereld is wisselend. In de zeventiende eeuw, in de tijd van puritanisme en de Reformatie, is de spanning bijvoorbeeld groot. Schama heeft geschreven over het onbehagen in die tijd, en over de overvloed. Wij worden van welvaart en consumptie een beetje ongelukkig. Het is niet rationeel, het heeft met stemmingen te maken, maar het is vrij hardnekkig.
Mijn boek Onbehagen in de politiek dateert van 1996 en dat is een interessant moment, want het ging hartstikke goed met Nederland. Ik was niet gelukkig met Paars. Ik ging op zoek, ik heb met allerlei mensen gepraat, politici en bestuurders, en die kwamen met de meest uiteenlopende0 diagnoses, maar niemand vertelde mij wat het onbehagen was. Ik praatte ook met een paar oud-Amsterdammers in Lelystad. Nou, die wisten het wel, die trokken een muil open, je reinste PVV-praat. Het was voor het eerst dat ik geconfronteerd werd met de onderklasserancune en ik wist niet wat ik hoorde. Over Den Haag, over buitenlanders. Achteraf besefte ik dat die mensen zich ook niet meer herkenden in de wereld.
Overigens blijkt uit statistieken dat een derde van Nederland toen zo dacht, maar dat is pas bij Fortuyn boven water gekomen. Ik ben daar op een empathische manier over gaan nadenken: kan ik begrijpen wat zij bedoelen? Ik vind het ook een belangrijke intellectuele opgave, dat de elite zich verdiept in de bitterste gevoelens van de mensen onderop.’
Theo de Roos, auteur van onder meer Het grote onbehagen, is meer de observator van de drie heren. Hij vertelt: ‘Ik ben een gereformeerde domineeszoon die aan de Vrije Universiteit heeft gestudeerd en grote belangstelling had voor filosofische vraagstukken. Ik ben ook opgegroeid in een dorp, Brummen. Mijn vader stond in een niet eens zo kleine gemeente, met veel arbeiders, veel boeren. Ik ben niet in een elitair, academisch milieu opgegroeid, ik zat op scholen met arbeiderskinderen. Ik nam ook de verzuiling waar; ik was een minderheid, als gereformeerde domineeszoon. Als de anderen al calvinistisch waren, dan hervormd. Ook de katholieke gemeenschap was groter. Ik ben ontzettend gelukkig opgegroeid, met een paar beperkingen, want voetbal op zondag mocht niet.’
‘Drie keer een dorp! Dat is veelzeggend’, concludeert Van den Brink.
‘De spanning stad en platteland’, vult Verbrugge aan.
‘Centrum en periferie, dat is een nog belangrijker tegenstelling’, corrigeert Van den Brink.
De Roos vervolgt: ‘Ik begon in het studentencorps, enorme lol gehad. Kaal geschoren, ontgroend. Na een paar jaar schoof dat op naar links, naar de studentenbeweging. Ik heb me tijdens m’n studie meer met marxisme beziggehouden dan met recht, tot ik ontdekte dat het recht eigenlijk ook enorm boeiend was. Ik heb mijn scriptie geschreven met een paar anderen over politieke justitie in de rechtsstaat, dat ging over de Maagdenhuisprocessen en de Nederlandse staat tegenover de communisten.
Ik leed persoonlijk niet aan onbehagen, ik registreerde het wel, al in het dorp, waar vreselijke ruzies waren. Het leek in niets op Wim Sonnevelds idyllische “het tuinpad van mijn vader…” Ik nam het geïnteresseerd waar, ik was buitenstaander.
Er is nog een tweede factor, die belangrijk is. Toen ik studeerde ging ik in een rechtswinkel werken, de eerste sociale rechtshulp. Je kreeg te maken met mensen die stuk zaten, gefrustreerd waren, nu zou je zeggen: potentiële PVV-stemmers, en die hielp je, ongeacht wat hun politieke opvattingen waren. Iets later, in 1977, startte ik in de Kinkerbuurt in Amsterdam een advocatencollectief en woonde ik vlak bij de Ten Katemarkt, tussen de Turken en Marokkanen. Zij maakten ook deel uit van onze cliëntèle, maar ondertussen kwamen de Nederlanders bij ons klagen over ritueel slachten op het balkon. Ik zag het onbehagen groeien en ging daar eigenlijk heel pragmatisch mee om.’
‘Wat vond je toen van die mensen?’ vraagt Van den Brink.
De Roos: ‘Ik vond het boeiend om ertussen te zitten. Ik ontwikkelde me steeds meer richting strafrecht, en dan constateer je dat er nog keihard klassenjustitie is. Want de strafrechtspleging verwerkt voor 95 procent misdaden van de onderkant. En nog steeds – ik ben nu vaker rechter – zitten de mensen die ik voor het hekje zie verschijnen volkomen klem. Natuurlijk zitten er ook een paar schurken tussen, maar het beeld is nog steeds: er is een soort onderklasse. Dat creëert onbehagen. Ik voel mij lid van een bevoorrechte klasse. Je kunt me niet bozer krijgen dan te klagen over hoge salarissen. De bonussen vind ik een ongelooflijk schertsprobleem. Als je kijkt naar de inkomenscurve zitten wij alledrie helemaal bovenin, en dan nog zeuren. Wat we moeten vaststellen is dat wij het heel goed getroffen hebben.’
‘Toch heb je onbehagen ook als probleem gesignaleerd en daarover geschreven’, zegt Verbrugge. ‘Op welk moment besefte je: dit is een groot maatschappelijk issue?’
‘Het gekke is’, antwoordt De Roos, ‘dat als je kijkt naar het vertrouwen in de rechtsstaat de peilingen meevallen. In Nederland vertrouwt zestig procent de rechterlijke macht. Nederland behoort in de EU daarmee tot de top. Er is onderzoek gedaan, herhaaldelijk zelfs, naar het bekende gegeven van te lage straffen. Daar is wel onbehagen over en de PVV exploiteert dat. Maar als burgers over concrete zaken hun oordeel mogen geven, met dezelfde gegevens als beroepsrechters, dan blijkt hun uitspraak over de straf eigenlijk niet significant te verschillen met die van de beroepsrechters. Het gekke is: er bestaat een beeld, en dat wat men uiteindelijk vindt als men voldoende informatie krijgt. Er is dus onbehagen dat op niet zo veel is gestoeld. Degenen die het voorwerp zijn van justitie accepteren zelf ook voor een groot deel hun straf. Ze hebben een criminele carrière, of een verslavingsgeschiedenis, of een kort lontje.
Het echt onbehaaglijke vind ik het klassenprobleem, dat de “klanten” van de strafrechtspleging absoluut geen afspiegeling van de maatschappij zijn. Dat had ik ook al in de Kinkerbuurt ervaren.’
‘Er bestaat’, vult Van den Brink aan, ‘veel onderzoek naar probleemwijken. Vaak is het een keurige buurt, op het eerste gezicht. Bovendien, in Zuid-Europa heb je dezelfde buurten, maar dan is het geen probleemwijk. Wat is het dat wij er wel het etiket “probleemwijk” op plakken? Wij vinden het au fond niet acceptabel dat mensen daar op een bepaald niveau van verruwing leven. Dat heeft te maken met het morele besef van de elite. Eigenlijk weten we diep in ons hart wat je onder beschaving moet verstaan.’

‘THEO’, ZEGT VERBRUGGE, ‘jij verwerpt de opwinding over de bonussen, maar het gaat óók om die bonussen. Ik denk dat we, als we het over de problematiek van nu hebben, vanuit een regentesk zuilenstelsel terecht zijn gekomen in een heel ander type sociale organisatie, waarin het idee dat iemand zorg voor je draagt niet meer vanzelf spreekt. Laten we het niet romantiseren, maar in de tijd van de verzuiling was de notaris in een dorp niet helemaal voor zichzelf bezig. Zijn strijd was er ook een voor een groep.’
‘We willen niet hebben’, stelt Van den Brink, ‘dat mensen zichzelf zo uitzonderen van de gewone condition humaine. Iedereen moet voor z’n geld werken, je mag meer en minder verdienen, maar je moet er wel iets voor doen. Dat is de basis geworden in het Westen voor alle mensen die een loon ontvangen, ook als het een hoog loon is. Maar dat je zomaar miljoenen verdient zonder dat je iets serieus gepresteerd hebt, is eigenlijk een belediging van onze economische moraal.’
‘Ik heb daar wel een associatie bij’, vertelt De Roos. ‘M’n vader, de dominee, zag allerlei mensen en die kwamen bij ons over de vloer. Arbeiders, maar de directeur van de fabriek was evengoed lid van de gemeente en kwam ook langs. M’n vader had contact met mensen van adel en katholieke priesters. Het was een doorsnee van de hele maatschappij die langskwam, met enorme inkomensverschillen die iedereen accepteerde. Wat belangrijk was, was dat er een grote betrokkenheid was.’
‘Dat type verbinding’, gaat Verbrugge verder, ‘daar zit ook iets heel lijfelijks in. Misschien ben ik er extreem gevoelig voor, zoals in het geval van de walkman. Op eenzelfde manier trof een Turkse vrouw me. Ik zie het beeld nog voor me, ik keek uit het schoolraam en zag die vrouw lopen met hoofddoek en in soepjurk. Het heeft niets te maken met ras, maar ik had de diepe ervaring: ik heb geen contact en zij heeft geen contact.’
Van den Brink gooit het over een andere boeg: ‘Frans de Waal heeft onlangs een boek geschreven over empathie. Hij heeft echt iets heel belangrijks te pakken, namelijk dat voor dieren en ook mensen empathie, het vermogen je in de verbeelding in elkaar te verplaatsen en elkaars gevoelens te kennen, heel fundamenteel is. Mensen begrijpen onmiddellijk aan iemands gezicht hoe het ervoor staat. Van nature zoeken wij contact en we doen dat op het fundamentele niveau van de beleving en de zorg. Maar er gebeuren voortdurend dingen die de innerlijke impuls om contact te maken doorkruisen. De technologie, de verzakelijking, afrekenen op targets, de walkman. Zo lang je in een kleinschalige gemeenschap zit, kun je dat herstellen, maar we leven nu in grote steden, waarin we als vreemden langs elkaar heen leven.’
‘Ik herken er heel veel in’, knikt Verbrugge. ‘Het heeft te maken met een eenheid van denken, voelen, lijfelijkheid en handelen. Met tact, met ritme, met ritmische energie. Zoals een voetbalteam dat in vorm is, dan is “het” er. Dan lijkt het of de een weet waar de ander gaat lopen. Wat ik bij die Turkse vrouw voelde: zij is niet afgestemd op de omgeving, en ik ben niet afgestemd op haar.
Het gaat om tact. We zeggen in het Nederlands: het klopt. Zoals een hart klopt. Het is iets wat energetisch is. Een organisatie die niet klopt heeft geen kracht, daar krijg je onnodige conflicten.’
Van den Brink: ‘Kees Schuyt heeft ooit een mooie tekst geschreven over de klas: Het onderbroken ritme. De klas heeft een ritme en dan worden er ineens targets opgelegd en die onderbreken het ritme, waardoor de levende gemeenschap van een school niet meer klopt.’
Verbrugge: ‘We snakken naar een gevoel van heelheid. Zeker in Nederland, waar we zo sterk aan ons individuele geweten hechten, is de omslag in de jaren zestig met een bijna religieuze dynamiek doorgevoerd. Het type onbehagen dat we nu kennen heeft denk ik veel te maken met de diplomatiek van de tact.’
‘Op een dancefestival heb je alleen maar tact!’ roept Van den Brink.
‘Ja, dat denk jij!’ zegt Verbrugge. ‘Dat is niet waar. Ik ken de dance, de tact is er zeer sterk uitwendig. Het moet van buiten, door de bas, worden opgeroepen en het wordt in hoge mate versterkt door ecstasy, verdovende middelen, alcohol. Wat juist niet te maken heeft met aansluiting op je omgeving, maar met het je terugtrekken in je eigen beleving. Het is de tact van de tactloze. Het is kenmerkend voor iemand die in een roes verkeert dat hij de voeding met de situatie verliest. Dat noem ik de virtuele, kunstmatige biotoop.’

EEN DEEL VAN de diagnose is gesteld: onbehagen heeft alles te maken met vervreemding. Maar wat is de remedie ertegen? Verbrugge peinst: ‘Er gebeurt nu iets wat ik belangrijk vind: de herontdekking van het bezielde lichaam. In de tango bijvoorbeeld, maar ook in zen, tai-chi of de martiale sporten. De behoefte om ons lichaam weer meester te worden. Daarnaast is er de opkomst van de politiek van Leefbaar in Nederland. De idee dat je moet zorgen voor je eigen tuintje. Het belang van je buurt, je straat, eigen verantwoordelijkheid daarvoor.’
‘Voltaire besluit Candide met “Il faut cultiver son jardin”’, valt De Roos in.
Verbrugge: ‘Precies! Ik denk dat het normen-en-waardendebat daar ook bij aansluit. We moeten gaan zien dat het zonde is van jonge mensen. Zonde niet alleen in morele zin. Gewoon zonde dat een leven zo loopt, dat het zinloos is geworden, dat het in al zijn getormenteerdheid tot niets leidt.’
‘Is het sinds de jaren zestig en zeventig zorgelijker geworden?’ vraagt De Roos.
Van den Brink: ‘Het is van klasse veranderd. Er werd in de jaren zestig en zeventig ook geleden en gevochten, maar dat was in de hogere klassen, en het had ook allerlei ideële motieven. Er zat ook veel meer cultureel kapitaal achter. Het probleem is dat het nu in de lagere klassen gebeurt, en daar loopt het veel vaker uit op ellende. Seks, drugs en rock-’n-roll toen en nu is een totaal ander verhaal.’

AD VERBRUGGE MOET weg. De reden van zijn vertrek sluit prachtig aan bij zijn betoog over de herontdekking van het lichaam: hij gaat met zijn vriendin naar tangoles. De heren hebben tot dusverre uitgewijd over hun eigen onbehagen, dat allicht samenvalt met het onbehagen zoals dat door de elite wordt beleefd. Maar het omgekeerde onbehagen, dat van de onderkant tegenover de elite, is de laatste jaren veel manifester.
Garbriël van den Brink gaat er voor zitten: ‘De eerste vorm van onbehagen is sociaal of sociologisch. Het heeft te maken met het feit dat er een kloof is tussen onze verwachtingen en wat er gebeurt. En onze verwachtingen van het gedrag van anderen gaan omhoog. We zijn niet tevreden over de prestaties van voorzieningen, van onderwijs en politie en dat zorgt voor onbehagen. De tolerantie daalt bovendien. Ik heb verwachtingen, jij voldoet daar niet aan, jij veroorzaakt onbehagen bij mij. Of zoals de WRR zegt: het gedrag blijft ver achter bij de normen, en dat is lastig.
Het tweede probleem is meer politiek. Het laatste SCP-onderzoek wijst uit dat we allemaal gelukkig zijn met onszelf, maar niet met het geheel. Waarom? Het geheel, de natie, de politiek is een verbeelde gemeenschap en dat geheel krijgt geen vorm. Er zijn geen leiders die zeggen: met het land gaat het die kant op. Als je kijkt naar de vraag van het SCP naar sterke leiders, dan zie je dat de behoefte vanaf 1970, toen de vraag voor het eerst gesteld werd, tot in de jaren negentig daalde. Vanaf het midden van de jaren negentig begint het te stijgen, en nu wil tweederde van de mensen in Nederland weer een sterke leider.
Het derde niveau is meer existentieel. Het gaat over hoe je het bestaan ervaart in contact met anderen en wat je daaraan mist, al is het nog zo vaag. De kerken gaven dat destijds vorm en dat is weggevallen. Het tactische aspect, van elkaar aanraken, gevoelsmatig en letterlijk, verdampt in een digitale wereld.
Ik ben in Tilburg bezig met een groot onderzoek naar de manier waarop idealen en geestelijke beginselen werkzaam zijn in het moderne leven. Het heilige vind je niet meer in de kerk, maar als er een zeehondje wordt doodgeknuppeld op de ijsschotsen van Groenland, dan is het onmiddellijk daar. Wetenschappers hebben over het klimaatdebat gezegd dat wetenschap en geloof er door elkaar lopen en daar hebben ze gelijk in. Het is veelbetekenend dat mensen er een geloof van maken. De natuur en het lichaam en de vitaliteit is een transcendentale categorie aan het worden.
Een tijdlang was de politiek een antwoord op het onbehagen. In 1870 zie je dat het sacrale de politiek binnensluipt – de oprichting van de ARP, Kuyper – dan krijg je confessionele politiek, waarbij religieuze waarden en rituelen greep krijgen op de politieke agenda. Het socialisme was daar een variant op. Het sacrale verplaatste zich eerst naar het sociale en dat loopt ongeveer tot 1970. Vanaf 1970 schuift het opnieuw op, van het sociale naar het vitale. Daar zitten we middenin. De politiek is geen zingevend verband meer, politici zouden wel willen, maar ik zie ze daartoe niet in staat.’
GABRIËL VAN DEN BRINK heeft onbehagen vaak als een positieve kracht beschreven. Onbehagen is de onvermijdelijke schaduw die de modernisering begeleidt. Maar tijdens het herengesprek lijkt hij het toch vooral als iets negatiefs zien.
‘Het is alletwee’, legt hij uit. ‘Omdat onbehagen een onaangenaam gevoel is, dwingt het je om anders te gaan handelen. Je moet het niet benoemen als louter slecht. Het is niet genoeg om te zeggen: u praat onzin over migranten. Je moet met een verhaal komen dat de ervaring serieus neemt. Maar de onvrede van burgers is jarenlang regentesk ontkend. Of we schieten de andere kant op en zeggen: u heeft gelijk, we doen het zoals u zegt. Beatrix die Ali B knuffelt, Balkenende die op een skateboard stapt: het is allemaal lafheid. Bij de bovenlaag is er een onvermogen en onwil om de standaard die ze voor zichzelf en voor hun kinderen hanteert ook hoog te houden voor openbaar gedrag.’
‘Ik heb eens een artikel geschreven’, zegt De Roos, ‘waarin ik in essentie hetzelfde schreef over de regenteske houding tegenover het onbehagen van burgers over de strafrechtpleging. Ik denk dat er nu meer gebeurt om aan de onvrede tegemoet te komen. Door uit te leggen en te communiceren. Wat ik wel storend vind, is dat als er iets misgaat, bijvoorbeeld tijdens een verlof van een tbs’er, de onvrede van de burger niet alleen wordt geëxploiteerd door Wilders, maar ook door de minister. Als reactie op de ontsnapping van Saban B. wilde Hirsch Ballin de beslissing over verloven bij de rechter wegnemen. Hij was de druk van de media nog voor.’
Er lijkt toch nog polemiek te ontstaan. ‘Ik zou in dit dilemma de kant van Hirsch Ballin kiezen’, zegt Van den Brink. ‘Ik vind dat je moet anticiperen op problemen die zich nog niet hebben gemanifesteerd. In probleemwijken zie je mensen die op allerlei manieren uitvallen – geen werk, slechte gezinssituatie, niet op school, drugsgebruik, crimineel gedrag. Er zijn onderzoeken die kunnen aangeven: er is grote kans dat het misgaat in die straat, bij dat gezin. Als je je het lot van mensen aantrekt, kun je niet de ingreep weigeren die vooruit grijpt op de toekomst. Als je een kind langs een kanaal ziet lopen dat niet kan zwemmen, trek je het daar ook weg. Dat gebeurt nu op sociaal vlak.’
De Roos sputtert tegen: ‘Er wordt steeds meer achter de voordeur opgetreden, Rouvoet wil dat ook. Ik vind als jurist toch dat je telkens ter discussie moet stellen onder welke condities zoiets mag.’
Van den Brink: ‘Als je geen vorm van dwang wil toepassen, ben je niet voor werkelijk helpen waar je weet dat ’t nodig is. Misschien is dat wel het probleem van onze tijd: we zijn zó democratisch en zó respectvol dat we niet meer durven zeggen als we in ons hart weten: dit gaat fout.’
De Roos: ‘De overheid moet burgers aanspreken op de eigen verantwoordelijkheid.’
‘Voor de elite en de middenklasse is dat vanzelfsprekend’, zegt Van den Brink, ‘maar de onderklasse gaat dat nooit doen. Die mensen vragen om iemand die zegt: nu linksaf slaan, nu rechtsaf. In bepaalde milieus moeten er mensen zijn met gezag en gewicht die ingrijpen en sturing geven.’

AD VERBRUGGE KOMT weer binnen. Hij woont om de hoek en kent de kwaliteit van het restaurant; het toetje wil hij zich niet laten ontgaan. De tango heeft hem duidelijk verkwikt. ‘Ik had nog enkele gedachten bij het gesprek’, zegt hij, terwijl zijn dessert wordt opgediend. ‘De onvoorspelbaarheid van de huidige politiek heeft volgens mij alles te maken met wat in de jaren negentig wel het “einde van de ideologie” is genoemd. Daardoor is een probleem van de representatie ontstaan. Hebben mensen nog het idee dat er iemand is die hun behoeften ziet? Van klein niveau – heb je het gevoel dat je baas zich voor je inspant – tot het niveau van de politiek. Heb je het gevoel dat de politiek voor jou zorgt en een idee van gemeenschap uitdraagt? Dat is nu erg problematisch geworden.
De traditionele politieke assen bepalen niet meer de politieke dynamiek. We zien nu de mobilisering van rancune, of van wrok over dat de bestuurders niet meer voor je zorgen, en dat kan Jan Marijnissen evengoed roepen als Geert Wilders. Daarbij is na de omslag in de jaren zestig een vorm van kosmopolitisme als politieke attitude ingesleten bij de elite. Kosmopolitisten zijn aanhangers van een eigen soort ideologie, waarbij we het vooral van internationale instituties moeten hebben als de EU, het IMF of de VN. Het probleem is dat er geen gedeelde politieke ruimte meer is. De kosmopolitisten van D66 gaan mee met de globalisering en hebben een internationale oriëntatie. Bij de lokalisten, die je vindt van de SP tot de PVV, zijn de lokale problemen het uitgangspunt. De leefbaren zijn een heel andere politieke categorie dan links of rechts. De lijfelijke wereld keert bij hen terug. En het zijn niet alleen de angsthazen die zich bij de leefbaren thuis voelen.’
Gabriël van den Brink vindt dat politici het niet moeten opgeven. Ze moeten proberen het lokale met het hogere doel te verbinden. Politici moeten zich veel minder op de vlakte houden: ‘Strijd is zwaar onderschat in de democratie. Politici moeten vijanden durven maken. En veel minder vergaderen.’