Bangladesh zet bloggers en journalisten achter tralies

‘Wij zetten de strijd van onze ouders voort’

Bangladesh poogt via een oorlogstribunaal zijn gewelddadige ontstaans- geschiedenis te verwerken. Maar het hof splijt de samenleving juist in tweeën. Ondertussen worden de protesten steeds grimmiger.

Dhaka – Het is stil op de straten van de hoofdstad van Bangladesh. Normaal zijn de verkeersaders chronisch verstopt, maar vandaag, 18 maart, zijn er nauwelijks auto’s te bekennen. Een enkele taxi zoeft met meer dan honderd kilometer per uur langs – een snelheid die hier normaal nooit wordt gehaald. De kinderen zijn blij: vrij van verkeer blijkt het asfalt een uitstekend cricketveld.

Achter deze rust gaat een diepe politieke crisis schuil. Sinds enkele maanden is Bangladesh verwikkeld in een chaotisch conflict tussen de politieke islam, een boze jonge generatie en een regering die koste wat het kost de touwtjes in handen probeert te houden. De inzet van deze strijd is de bloedige ontstaansgeschiedenis van het land.

In 2010 startte in Bangladesh het zogenaamde International Crimes Tribunal, dat vermeende oorlogsmisdadigers berecht die actief waren tijdens de onafhankelijkheidsoorlog van 1971 (zie kader). Sindsdien ruziën partijen die het tribunaal verwelkomen met tegenstanders die vinden dat het gerechtshof showprocessen voert. Deze scheidslijn sluit aan bij de politieke landkaart van Bangladesh. Oud-vrijheidsstrijders en aanhangers van de regeringspartij Awami League menen dat gerechtigheid eindelijk geschiedt. Jamaat-e-Islami, de grootste islamitische partij van het land waarvan meerdere kopstukken in het beklaagdenbankje staan, claimt dat het hof wordt gebruikt om politieke tegenstanders uit te schakelen. Jamaat vormt een front met de centrum-rechtse Bangladesh Nationalist Party (bnp), waarvan ook twee leden worden vervolgd.

Vandaag is het hartal, een algemene staking, afgekondigd door de bnp. De nationalisten zijn woedend over de arrestatie van ruim honderdvijftig partijleden, volgend op een demonstratie tegen de regering en het oorlogstribunaal. Het was een actie waarbij het hoofdkantoor van de bnp werd geplunderd. Wie tijdens deze hartal de straat op gaat of de winkelpui opent, riskeert klappen van bnp-demonstranten.

Gebeurtenissen als deze beginnen steeds normaler te worden in Bangladesh. De afgelopen maanden is het openbare leven regelmatig lamgelegd, en ook deze week staan er weer stakingen gepland. Zowel voor oppositiepartijen als regeringsaanhangers is de hartal het instrument bij uitstek om eisen kracht bij te zetten, tot groot ongenoegen van veel Bengalen. De textielindustrie, ’s land belangrijkste economische steunpilaar, klaagt steen en been. Het Internationaal Monetair Fonds waarschuwde onlangs dat de economie van het land merkbaar begint te lijden onder het gestaak.

Gedurende de dag zijn ze op verschillende plekken in Dhaka te zien: boze menigtes die opgesteld achter spandoeken en met geheven stokken als een falanx door de stad trekken. Er worden geïmproviseerde bommen afgestoken en er wordt met molotovcocktails gegooid. Twee dagen later, als de stad enigszins tot rust is ­gekomen, zijn er twee doden te betreuren. Een van de slachtoffers viel onder aanhangers van de regerende Awami League, die op been waren om tegen de staking te protesteren. De ander was een oppositielid.

Bangladesh begon eind januari te broeien toen het International Crimes Tribunal haar eerste vonnis velde. Abul Kalam Azad, een tv-imam die lid was van pro-Pakistaanse doods­eskaders, werd in absentia tot de strop veroordeeld wegens moord en verkrachting. Vorig jaar ontvluchtte Azad het land. Eind februari was Delwar Hossain Sayeedi aan de beurt. Hij is een van de meest felle en populaire imams in Bangladesh en een prominent lid van Jamaat-e-Islami. Ook hij werd ter dood veroordeeld voor het vermoorden, martelen, ontvoeren en verkrachten van landgenoten in 1971. Uit protest tegen het vonnis gingen duizenden leden van Jamaat-Shibir (de militante studentenafdeling van de partij) de straat op, waarbij bussen in brand werden gestoken, Hindoe-tempels vernield en de oproerpolitie met kogels antwoordde. Het dodental van deze confrontatie staat op minstens 47.

En dan is er de Shahbag-beweging: de groep jongeren, voornamelijk uit de hoogopgeleide middenklasse, die halverwege februari als een donderbui over Dhaka rolde. De beweging ontstond digitaal, op Facebook-pagina’s en blogs. Ze kreeg een naam en een gezicht toen het oorlogstribunaal Abdul Kader Mollah, de huidige assistent-secretaris-generaal van Jamaat-e-Islami, schuldig bevond aan het ombrengen van 344 Bengalen, het onthoofden van een dichter en het verkrachten van een elfjarig meisje. Molla – bijgenaamd ‘de slachter van Mirpur’, naar het deel van Dhaka waar hij als paramilitair actief was – kreeg een levenslange gevangenisstraf. Bij het verlaten van de rechtbank stak Molla wijs- en middelvinger in de lucht, een gebaar dat al snel werd uitgelegd als een triomfantelijke bevestiging van het feit dat hij de doodstraf had weten te ontlopen.

De mildheid van het vonnis, gecombineerd met Molla die zich een overwinnaar toonde, bleek een lont in het kruitvat. Binnen een dag stond er een boze menigte op het Shahbag-plein, een drukke kruising in hartje Dhaka. Hun eis: de doodstraf voor Molla en alle andere razakars, zoals de collaborateurs in het Bengali heten.

Ook riep de menigte om een verbod op Jamaat-e-Islami en gedwongen sluiting van de banken, bedrijven en andere instituten die deze goed georganiseerde partij runt.

Facebook-posts, sms’jes en twitterberichten met #shahbag deden de rest. De menigte zwol binnen een paar dagen aan tot een half miljoen, de grootste massademonstratie die Bangladesh ooit gezien had. Veel buitenlandse media hadden het frame al klaarliggen: de Arabische lente leek overgewaaid naar Zuid-Azië. Een Bangla spring was begonnen, seculier botste met religieus en Bangladesh was ‘met zichzelf in gesprek over wat voor een land het wil zijn’.

Op het eerste gezicht waren er inderdaad parallellen met eerdere protesten in de islamitische wereld. Net als in Tunesië en Egypte was het publiek overwegend in bezit van diploma’s en smartphones en had het genoeg van islamitisch fundamentalisme. Ook bleek de manifestatie een kapstok waar allerhande onvrede aan werd opgehangen. Marxistische studenten verwierpen de gevestigde orde. Textielarbeiders meldden zich om aandacht te vragen voor betere arbeidsomstandigheden. Jonge vrouwen kwamen kijken, afgezet en opgehaald door broer of vader – volgens sommigen een teken van een groeiende drang tot emancipatie.

Maar zoals dat gaat met gelijkenissen, vaak verhullen ze meer dan ze laten zien. Al snel leek Shahbag eerder een uitvloeisel van het regime dan een tegenstander ervan. Het plein stond nauwelijks vol of er ontstond een geolied systeem van watervoorzieningen, toiletten en spreekapparatuur. Gesponsord door de regering, zo ging het gerucht. Het merendeel van de demonstranten die de microfoon namen was onderdeel van de jongerenafdeling van de Awami League.

Inmiddels overheerst dan ook bij velen de teleurstelling. ‘Het begon als een spontane beweging, maar zoals bij alles in dit land werd Shahbag verziekt door de politiek’, zegt Mainul, een student literatuurwetenschappen tijdens een gesprek op de campus van Dhaka University. Zubair, een jonge documentairemaker, wil kwijt dat hij de beweging in het begin steunde, maar inmiddels afstand heeft genomen omdat het hem te politiek is geworden.

Daarbij is Shahbag, ontdaan van alle franje, een beweging die zich slecht verdraagt met een roep om liberale democratie. ‘Hang the bloody razakars’, valt er te lezen op een metersgroot spandoek dat nog steeds het plein siert. Niet een gerechtshof, maar een volkstribunaal heeft de voorkeur van de Shahbag-demonstranten. En daarbij staat de straf al vast: enkel de galg kan Bangladesh verzoenen met zijn verleden. Bovendien riepen de demonstranten om de arrestatie van journalisten die kritiek leverden op de beweging.

‘Wij zetten de strijd van onze ouders voort’, vertelt Imran H Shakar, een jonge arts en leider van het groepje dat de Shahbag-beweging ontketende. ‘Bangladesh is weliswaar onafhankelijk, maar de misdadigers die tegen onze afscheiding waren, hebben al die jaren vrij rondgelopen. Wij willen ze voorgoed uit onze samenleving bannen.’ Shakar ontkent banden met de Awami League. Zijn oproep om journalisten te arresteren is volgens hem te billijken omdat ze ‘propaganda publiceren’.

Het bleek niet eenvoudig om Shakar te ontmoeten. De protestleiders verblijven nooit lang op een plek en zeggen afspraken op het laatste moment af. Ze vrezen represailles van Jamaat-e-Islami en hun studentenvleugel Shibir. Die angst is niet ongegrond. In februari werd Rajib Haider, een blogger en actief in Shahbag, doodgehakt met machetes op weg naar huis vanaf het plein. De politie heeft een groep vermeende daders gearresteerd die lid zouden zijn van Shibir.

Uiteindelijk tref ik Shakar in een hokje, achter in de kantine van het universitair medisch ziekenhuis van Dhaka, vlak bij het Shahbag-plein. In een kale, raamloze ruimte zit een tiental jonge mannen in een kring om hem heen. De lucht is zwaar van de sigarettenrook. Met zijn korte, verzorgde baard en zijn dieprode kurta met geborduurde sjaal doet Shakar een stuk chiquer aan dan zijn kompanen, gekleed in T-shirts en spijkerbroeken. Op tafel liggen adreslijsten. ‘We zijn nu bezig om de beweging uit te breiden’, legt hij uit. ‘We zoeken contact met geestverwanten op het platteland en met Bengalen in het buitenland.’ Shakar zegt vele steunbetuigingen te ontvangen uit het Verenigd Koninkrijk en Canada. ‘Daar zitten zowel jongeren als oud-vrijheidstrijders bij.’

Het gezelschap moet lachen om de vergelijking met de Arabische lente. ‘Het is hier precies andersom. Bangladesh is in oorsprong een seculier en democratisch land’, zegt Shakar. ‘Dat is een gift die de generatie van 1971 aan ons heeft gegeven. Wij strijden tegen de verwatering daarvan.’

Het is een curieuze situatie. Met zijn dertig jaar is Shakar zichtbaar de nestor van de club. Geen van de aanwezigen in de benauwde ruimte is oud genoeg om zich de onafhankelijksstrijd te kunnen herinneren. Toch spreken ze als waren ze oorlogsveteranen. Shakar dringt erop aan notie te nemen van hun slogan, ‘Joy Bangla’, dezelfde woorden die werden gebruikt door het verzetsleger. En deze oorlogskreet is niet het enige erfstuk. De eisen van Shahbag zijn neergelegd in een zespuntenplan. Het is een directe verwijzing naar de zespuntenbeweging, die 1966 pleitte tegen de economische uitbuiting van Oost-Pakistan door West-Pakistan.

De retoriek van de Shahbag-jongeren tekent het klimaat in Bangladesh. De oorlog is meer dan veertig jaar geleden, maar het land zit gevangen in de kluwen van het verleden. De huidige minister-president is Sheikh Hasina. Zij is de dochter van Sheikh Mujibur Rahman, zonder meer een van de meest illustere figuren uit de recente geschiedenis van Bangladesh. Rahman was een socialist, vrijheidstrijder, voorman van de zespuntenbeweging, mede-oprichter van de Awami League, ’s lands eerste president en premier van 1972 tot en met 1974. Op 15 Augustus 1975 werd hij bij een militaire coup vermoord. Overal in Dhaka siert zijn portret de muren, soms met een foto van zijn dochter erbij. Voor Awami League-sympathisanten is hij een eerbiedwaardige founding father. Veel islamitische partijen, waaronder Jamaat-e-Islami, willen zijn erfenis het liefst ongedaan maken.

Het had weinig gescheeld of Rahman was minister-president van heel Pakistan geworden. Na een verkiezingsoverwinning in 1970 kon hij aanspraak maken op het premierschap. Uit vrees voor verlies van het oostelijk deel van het land weigerde Zulfikar Ali Bhutto, voorman van de rivaliserende Pakistan Peoples Party, deel te nemen aan besprekingen om een regering te vormen. Rahman greep de impasse aan door op 7 maart 1971 een de facto onafhankelijkheidsverklaring uit te spreken. Pakistan kondigde de staat van beleg af, verbood de Awami League en arresteerde Rahman. Het was de opmaat naar de oorlog in Oost-Pakistan.

Sultana Kamal spreekt over deze gebeurtenissen alsof het gisteren was. Ze is advocaat en voorzitter van een invloedrijke vrouwenrechtenorganisatie in Bangladesh. ‘Ik was een vrijheidsstrijder’, vertelt Kamal, geboren in 1950, tijdens een gesprek op haar kantoor. ‘Mijn familie heeft veel dierbaren verloren. Mijn eigen broer is omgebracht door het Pakistaanse leger en de razakars, net als veel van mijn vrienden.’ Hartal, gewelddadige demonstraties, militante islamieten: de recente gebeurtenissen in Bangladesh brengen de herinneringen nog meer aan de oppervlakte, vertelt ze. ‘De geschiedenis herhaalt zich. Weer wordt Bangladesh geconfronteerd met islamitisch geweld. Ik zie _madrassa-_studenten door de straten lopen, opnieuw hoor ik de imams die vrouwen door het slijk halen en mensen hersenspoelen.’

Zoals Kamal zijn er velen onder de 160 miljoen Bengalen. Het is de groep voor wie het International Crimes Tribunal een langgekoesterde wens vervult. Na een eerste gestrande poging om de collaborateurs te berechten, besloot Sheikh Mujibur Rahman in 1973 amnestie te verlenen aan het merendeel van de verdachten. Voor Sultana Kamal is dat altijd onverkwikkelijk geweest.

Er zijn meer voorbeelden die laten zien dat het Bangladesh van 2013 akelig veel lijkt op het land in haar instabiele beginjaren. In januari 1972 keerde Sheikh Mujibur Rahman als overwinnaar terug naar zijn land. Er wachtte hem een chaos van miljoenen vluchtelingen en een maatschappij die op zijn gat lag als gevolg van oorlog. Gebrek aan middelen en een noodlottige hongersnood in 1974 (die volgens sommigen deels aan de regering te wijten was) deden de jonge natie steeds verder richting afgrond glijden. In een laatste poging om orde op zaken te stellen kondigde Rahman in december 1974 de noodtoestand af. Oppositiepartijen werden verboden en media werden gemuilkorfd.

Deze tactieken lijkt Sheikh Hasina, de huidige minister-president, te hebben afgekeken van haar vader. De arrestatie van de honderdvijftig oppositieleden werd uitgelegd als noodzakelijk om de orde in het land te bewaken. De pers moet ook nu op eieren lopen. Dat ondervindt Mahmudur Rahman, hoofdredacteur van Amar Desh, de tweede grootste krant van het land. Hij was adviseur van de bnp-regering die van 2001 tot 2006 aan de macht was. Daarna begon hij een tweede carrière als krantenman. ‘Amar Desh is een anti-establishmentkrant’, vertelt Rahman in zijn kantoor op een verdieping van een lelijke betonnen kolos in het centrum van Dhaka. ‘Wij publiceren veel over corruptieschandalen en politiegeweld.’

Het kantoor van Rahman is comfortabel ingericht, met airconditioning, donker houten meubels en zachte banken. Een geluk, aangezien de hoofdredacteur deze ruimte sinds vier maanden niet heeft verlaten. Er loopt een aanklacht tegen hem wegens vermeende opruiing, een vergrijp waar mogelijk de doodstraf op staat. Ook Shahbag riep om zijn arrestatie. ‘Het gaat de autoriteiten op dit moment nog te ver om binnen te vallen, maar als ik de straat op ga weet ik niet wat kan gebeuren’, zegt Rahman. In 2010 jaar bracht hij al een tijd door in de cel, waar hij naar eigen zeggen gemarteld is.

De aanklacht tegen Rahman is gestoeld op een grondwetswijzing die de Awami League in 2010 doorvoerde. Alle activiteiten die de grondwet ondermijnen gelden sindsdien als halsmisdrijf. Formeel was het doel militaire coups te voorkomen, maar in de praktijk wordt de wet gebruikt om kritiek op de regering en op het International Crimes Tribunal te smoren, zo rapporteert Odhikar, een mensenrechtenorganisatie in Dhaka.

In diezelfde grondwetswijziging werd de voorziening voor een interim-regering geschrapt. Sinds midden jaren negentig was het zo dat de zittende regering aftrad voordat het land naar de stembus ging. Een zogeheten caretaker government, bestaande uit meerdere partijen, overzag vervolgens de verkiezingen. Zo bleef het risico op verkiezingsfraude beperkt. Nu kan de Awami League onafhankelijk van anderen verkiezingen houden.

De discutabele koers van de huidige regering hangt als een schaduw over het International Crimes Tribunal. ‘There is little doubt that hard-line elements within the ruling party believe that the time is right to crush Jamaat and other Islamic parties’, staat er in een WikiLeaks_-cable_ van de Amerikaanse ambassade in Dhaka over het tribunaal. Verschillende mensenrechtenorganisaties wijzen op rammelende procesvoering. De schaarse buitenlandse juridische experts in Dhaka slikken hun kritiek voorlopig in uit vrees het land te worden uitgezet.

Asif Nazrul, hoogleraar rechtswetenschap aan Dhaka University en publicist, is stellig. ‘Dit land heeft gebrek aan een onafhankelijke rechterlijke macht. Partijloyaliteit speelt vaak een belangrijke rol bij hoge benoemingen’, zegt hij tijdens een kop thee in zijn appartement op de universiteitscampus. ‘Dit speelt het International Crimes Tribunal ook parten. Het hof heeft bij voorbaat al de schijn tegen omdat zowel op de rechters als de aanklagers de verdenking rust dat ze benoemd zijn vanwege hun band met de Awami League.

De grootste knauw voor de geloofwaardigheid van het tribunaal kwam in december vorig jaar. The Economist kreeg beschikking over zeventien uur aan Skype-conversatie tussen de voorzitter van de rechtbank en een Bengaalse jurist in Brussel. In de gesprekken werden vonnissen voorbesproken en kwam er een directe band tussen de overheid en de rechtbank aan het licht. De rechter in kwestie trad af, maar de aanvraag van de verdediging om de processen over te doen werd afgewezen.

Het stemt Asif Nazrul somber. ‘Bangladesh wacht al jaren op dit hof. Maar nu wordt de rechtsgang vertroebeld door vermeende politieke motieven. Het lijkt er sterk op dat de Awami League er bewust voor heeft gekozen om de uitspraken van het hof dicht op de verkiezingen van 2014 te laten plaatsvinden, om er zo electoraal munt uit te kunnen slaan.’

Achter het omstreden tribunaal gaat een diepliggend probleem schuil. Evenwichtige geschiedschrijving van de gebeurtenissen in 1971 staat nog in de kinderschoenen. Pas sinds kort is er op wetenschappelijke conferenties aandacht voor gevoelige onderwerpen, zoals misdaden gepleegd door Bengaalse vrijheidsstrijders of bloedige afrekeningen met collaborateurs na de onafhankelijkheid.

Een treffende illustratie van hoe het verleden in Bangladesh wordt geordend, is het Liberation War Museum. De oorlog van 1971 wordt daar getoond als de bekroning van de strijd voor onafhankelijkheid die Bangladesh eeuwenlang heeft gevoerd, eerst tegen de Britten en later tegen Pakistan. Vitrine na vitrine in het hokkige gebouwtje is gevuld met memorabilia: de pijp van Sheikh Mujibur Rahman, de mitrailleurs die guerrillastrijders boven hun hoofden hielden terwijl ze de door rivieren waadden. Lugubere apotheose is een glazen kast van ongeveer drie bij twee meter, gevuld met schedels en botten. Dit tentoongestelde massagraf wrijft de geschiedenisles verder in: de Bengalen hebben onbeschrijflijke gruwelijkheden moeten ondergaan.

In de museumwinkel zijn voor een luttel bedrag kopieën te krijgen van propagandaposters die werden ingezet ter ondersteuning van Bengaalse guerrilla. Ook zijn er tientallen documentaires verkrijgbaar, op zelfgebrande cd’s. Veel daarvan bevatten opnames van massagraven en hongerende vluchtelingen in kampen, aangevuld met getuigenissen van Bengaalse vrijheidsstrijders; dit alles ondersteund door een onheilspellende soundtrack van ijle rietfluiten en staccato getokkel op de sitar.

‘Het refrein in Bangladesh is een melodramatische herhaling over Pakistaanse “schurken” en Bengaalse “slachtoffers”, vaak met weinig aandacht voor feitelijke juistheid en analytische verfijning’, schrijft Sarmila Bose in haar boek Dead Reckoning: Memories of the 1971 Bangladesh War. Bose is oud-journalist en onderzoeker aan het Centre for International Studies van Oxford University. Haar boek bevat ooggetuigenverslagen van zowel Pakistaanse als Bengaalse zijde. Tegenover de verhalen van moord en verkrachting door het Pakistaanse leger en zijn trawanten stelt Bose anekdotes over etnisch geweld gepleegd door Bengaalse nationalisten. Hun doelwit waren de Bihari-Pakistanen, Urdu-sprekende moslims die na de scheiding van India in 1947 in Oost-Pakistan terechtkwamen.

Bose’s werk is het brandpunt van een felle historikerstreit. Haar wordt verweten een apologeet te zijn die volle omvang van Pakistaanse excessen niet onder ogen ziet. Ook het dodental in de oorlog van 1971 is twistappel. Het populaire mantra in Bangladesh is dat er drie miljoen slachtoffers vielen als gevolg van Pakistaans geweld. Het is een cijfer waarvoor geen harde bewijzen bestaan, zo schrijft Bose in een artikel in het Journal of Genocide Research. Pakistan houdt het op 26.000 doden, een onwaarschijnlijk laag aantal. De waarheid ligt ergens in het enorme gat dat tussen de twee schattingen gaapt.

Het is tegen dit troebel historisch decor dat de huidige crisis in Bangladesh zich ontvouwt. Het International Crimes Tribunal heeft vooralsnog enkel aandacht voor oorlogsmisdaden gepleegd door de collaborateurs die nu tot oppositiepartijen behoren. Het voedt de kritiek dat de processen politiek zijn.

Het verleden wordt door alle partijen gebruikt als stok om de ander mee te slaan. Tijdens zijn verdediging claimde Abdul Kader Mollah het slachtoffer te zijn van een persoonsverwarring. De ‘slachter van Mirpur’ zou iemand anders zijn met dezelfde naam. Tegenstanders van Jamaat-e-Islami menen dat de partij haar democratisch bestaansrecht heeft verloren omdat ze in 1971 de kant koos van de uiteindelijke verliezer. De Shahbag-beweging blijft herhalen dat ze het werk van de vrijheidsstrijders wil afmaken.

Op dit moment staan nog zeven vermeende oorlogsmisdadigers klaar om berecht te worden. De vrees is dat naarmate de vonnissen zich opstapelen, de confrontaties in de straten van Dhaka steeds grimmiger worden. Een voorproefje daarvan kwam vorige week toen de Shahbag-demonstranten vochten met islamisten die inmiddels luidkeels de dood van de ‘atheïstische bloggers’ eisen.

Jamaat-e-Islami ziet gewelddadig protest in ieder geval als noodzakelijke zelfverdediging, vertelt AZM Obayedullah, kaderlid van Jamaat en oud-president van Shibir. Op een avond in het kantoor van een textielexporteur waar ik hem ontmoet, houdt hij een hermetisch betoog waarin hij de overheid repressie verwijt. ‘Jamaat-e-Islami is niet tegen het berechten van oorlogsmisdadigers, maar het International Crimes Tribunal wordt nu gebruikt om een democratische partij te onderdrukken’, aldus Obayedullah.

De Awami League, ondertussen, graaft zich steeds dieper in. In antwoord op de Shahbag-protesten wijzigde de regering met terugwerkende kracht de wet, waardoor het plots mogelijk werd voor de aanklagers van het tribunaal om tegen een vonnis in beroep te gaan. De tot levenslang veroordeelde Abdul Kader Mollah staat daarom mogelijk binnenkort opnieuw terecht. Ook kunnen nu organisaties worden gedaagd voor hun betrokkenheid bij misdaden tijdens 1971.

Onlangs werden vier jonge bloggers gearresteerd omdat ze in hun digitale publicaties de islam, officieel de staatsgodsdienst van Bangladesh, zouden hebben beledigd. En nog steeds loopt er een aanklacht tegen honderdvijftig oppositieleden omdat ze protesteerden tegen de vermeende banden tussen Awami League en het oorlogstribunaal.

Ook Mahmudur Rahman, de hoofdredacteur van Amar Desh, bleek niet veilig. Eind vorige week viel de politie zijn kantoor binnen en arresteerde hem. Omdat Rahman over de Skype-gesprekken tussen het hof en externen publiceerde, wordt hem het ondermijnen van de veiligheid in Bangladesh ten laste gelegd.

The Unfinished Revolution, was de ondertitel die onderzoeksjournalist Lawrence Lifschultz meegaf aan zijn boek over Bangladesh. Een juiste omschrijving, zo is andermaal bewezen.

De scheuring van Pakistan

De vrijheidsstrijd van Bangladesh, de Pakistaanse burgeroorlog en de derde Indo-Pakistaanse oorlog: drie titels waarmee het gewapend conflict in Oost-Pakistan van 26 maart tot en met 16 december 1971 wordt omschreven. De keuze verraadt veel over welke blik op de geschiedenis wordt gehanteerd.

Het geweld begon in de nacht van 25 maart met Operation Searchlight, een militaire actie gericht tegen de Bengaalse intelligentsia en bedoeld om de afscheidingsbeweging de kop in te drukken. Sinds het creëren van een Pakistan in twee delen, bij de opdeling van India in 1947, leefde er onder de bevolking in Oost-Pakistan de wens voor een onafhankelijke staat. In antwoord op Operation Searchlight nam een Bengaalse guerrilla de wapens op tegen het Pakistaanse leger.

De oorlog werd berucht vanwege het systematische geweld tegen de Bengaalse bevolking en de schending van mensenrechten, waarbij het leger werd bijgestaan door lokale milities. Door velen worden deze daden als genocide aangemerkt. De oorlog bracht een exodus op gang van miljoenen vluchtelingen die de grens met India overstaken. Militaire interventie van India, in antwoord op een preventieve aanval op Indiase stellingen aan de grens met West-Pakistan, dwong het Pakistaanse leger uiteindelijk zich over geven. Kort daarna werd een onafhankelijk Bangladesh door de meerderheid van de Verenigde Naties erkend.