Opheffer

Wij zien de kerkers

Onlangs sprak ik met Frits Lambrecht, de Vlaamse journalist die regelmatig in Irak is en een schitterend boek heeft geschreven over het Midden-Oosten dat De zwarte wieg heet. Ik vroeg hem hoe de mensen in Irak nu dachten. Hij zei: «Wat denk je? De mensen zeggen: ‹Onder Saddam deed onze koelkast het, hadden we licht, een salaris, werk, konden we van alles kopen, en nu hebben we vrijheid, maar niks van dat al. We hebben liever onze eigen dictator dan een vreemde bezetter die ons vrijheid geeft.› Dus in Irak zien ze die Amerikanen graag zo snel mogelijk vertrekken.»

Bernd is een Duitser die ik toevallig ook vorige week sprak. Hij is een voormalige Oost-Duitser, zit nu bij de film, maar is niet gelukkig. Waarom niet? Hij gaf een antwoord dat lijkt op dat van Frits: «Ik kon vroeger alles bij de film doen. Het lichtplan maken, de set dressen, ik regelde het geluid, maar nu kan ik niets meer.» «Wil je liever het oude Duitland terug?» vroeg ik. Ja, eigenlijk wel. Hij zei toen: «Daar had je minder spanningen en Oost-Duitsland was rustig.»

Ik lees nu het boek van Gerard Jacobs, De goden hebben honger. Hij beschrijft daarin de reizen die hij maakte naar Siberië. Als een van de eerste journalisten heeft hij de gesloten steden in Siberië mogen bezoeken. Zijn boek is aangrijpend, omdat het gaat over mensen. (Alcoholische mensen, ben ik geneigd te zeggen.) Maar veel van de mensen die Jacobs aan het woord laat, bewonderen Stalin en de oude tijd. En Jacobs hoorde in Siberië dezelfde argumenten als Lambrecht in Irak: «Vroeger hadden we hier werk, verdienden we niet veel, maar toch redelijk. De mijnen deden het. Nu hebben we niets meer. Iedereen is werkloos. Iedereen drinkt.»

Het is alsof in eigen land de onvrijheid niet zo’n rol speelt. Wij, hier, zien de kerkers, de kampen, de lijken die zowel door de Tigris (Irak) en de Ob (Siberië) dreven, wij zien de onrechtvaar digheid van Saddam en Stalin, maar uiteindelijk worden die, daar, beoordeeld op grond van het feit of men werk had of niet, of men gelukkig was of niet. Men is achteraf bereid een dictator veel te vergeven.

Het vreemde is dat we in Neder land trots zijn op onze houding in de oorlog. Wij waren tegen Hitler. Her en der zie je wel schrijvers als Chris van der Heijden die dat beeld nuanceren, maar nog steeds vinden wij onszelf «goed». Ik heb een ander argument dan Van der Heijden, dat voortkomt uit de anekdotes die ik net heb verteld; waarom wij misschien helemaal niet zo «grijs» waren en veeleer zwart. Ik lees bijvoorbeeld in het boek Noodzakelijk kwaad, over de economische collaboratie in Nederland, geschreven door Joggli Meihuizen, dat het met onze economie in de Tweede Wereldoorlog buitengewoon goed ging. Vooral de eerste jaren. Door de Duitsers hun zin te geven, konden wij de economie die in het slob was geraakt weer een enorme duw geven. Men had werk en eten. Dat daarbij joden niet gewenst waren, speelde geen rol.

Eigenlijk begonnen wij ons pas te ergeren toen het economisch slecht ging. Toen er hongerwinter was. Toen de trams niet op tijd reden en men last van die oorlog begon te krijgen. Ik vermoed dat als de Duitsers de economie gezond hadden gehouden, als we geen bloembollen hadden hoeven eten, we ons blijmoedig achter Hitler hadden gesteld en daar nu met enige weemoed aan zouden terugdenken.

Er is trouwens nog iets opmerkelijks dat me nu pas opvalt bij dictators. Als je Stalin, Saddam of Hitler in het openbaar fel tegensprak, had je een redelijke kans dat je bleef leven. Terwijl je, als je een beetje kritisch was of iets ter discussie stelde, een zekere dood tegemoet ging. Daar zit logica achter.