COMEBACK VAN DE KLASSIEKEN

Wij zijn allen keynesianen

Niet Marx, maar zijn aloude liberale tegenstrevers beleven met de kredietcrisis een revival. Maar over welke Smith en welke Keynes hebben politici het eigenlijk?

PLOTSELING IS JOHN MAYNARD KEYNES overal. Alleen al de afgelopen week maakte Duitsland plannen bekend om vijftig miljard euro in de economie te pompen, gaf de Amerikaanse Senaat toestemming voor besteding van 350 miljard aan financiële reddingsgelden en kondigde ook de Nederlandse regering nieuwe steunmaatregelen aan. Om de haverklap valt daarbij de naam van dé econoom van de twintigste eeuw. Van de nieuwe ‘keynesiaanse’ regeringsploeg van Obama tot de Britse minister van Financiën Alistair Darling, die Keynes’ gedachtegoed onlangs heel zinnig noemde. Aan de universiteit van Cambridge wordt een Keynes Society opgericht.
‘An old economist finds new rock star status’, kopte de Christian Science Monitor dan ook. Maar Keynes is niet de enige die een comeback maakt. De overgebleven fans van de neoliberale ordening klampen zich nog steviger dan voorheen vast aan die andere bekende liberale econoom, Adam Smith. Die heeft toch maar bewezen dat de vrije markt het beste is, zei voorzitter Ben Bernanke van de Amerikaanse Federal Reserve onlangs in een interview met Het Financieele Dagblad.

De herontdekking van Keynes en Smith komt niet uit de lucht vallen. In academische kringen beleven de klassieken al langer een opleving. De dominante ‘neoklassieke’ school ligt onder vuur. Zij heeft volgens critici, zoals de in Frankrijk onder overwegend jonge economen ontstane beweging voor een ‘postautistische’ economie, ieder contact met de werkelijkheid verloren. Als alternatief keren velen zich tot de werken van Smith, Ricardo en Marx. Bij de oude meesters is de economie nog een sociale wetenschap. Niet de zogenaamd neutrale ‘natuurwetenschap’ die de neoliberale economen ervan gemaakt hebben.
Het herlezen van de klassiekers leidt tot verrassende inzichten. Dat ondervond ook voormalig Fed-topman en Obama-adviseur Paul Volcker. Eind vorig jaar meldde hij op een conferentie over de kredietcrisis dat hij, Adam Smiths The Wealth of Nations herlezend, op een merkwaardig inzicht was gestuit. Smith waarschuwde in een passage dat de grote Schotse banken een gevaar vormden voor het publieke welzijn. Als een van hen zou omvallen, zou de hele economie dat voelen, de burgers niet het minst. Het recept van Smith: zorg voor vele, kleine banken. Het huidige antwoord van overheden op de kredietcrisis, aldus een verbaasde Volcker, leidt tot precies het omgekeerde. Als straks de rook optrekt, zullen er veel minder, veel grotere banken zijn overgebleven. Ben Bernanke mag Adam Smith omarmen, de man zelf zou gegruweld hebben van de resultaten van diens beleid.
Smith wordt wel vaker verkeerd begrepen. Maar zijn ook nu weer door politici en opinieleiders uitgedragen imago van rechtse rouwdouwer wordt in een reeks publicaties weerlegd. Zo betoogt Emma Rothschild, directeur van het Centre for History and Economics in Cambridge, dat Smith is heruitgevonden als een vrije-marktfundamentalist. De in de achttiende eeuw levende Smith was lang niet altijd tegen overheidsingrijpen, zeker niet als het doel was armoede te bestrijden. ‘Als regulering de arbeider steunt, is zij altijd rechtvaardig en billijk; maar het ligt soms anders als het de meesters steunt’, zo citeert ze Smith. Elders spreekt Smith zich uit voor progressieve belastingen. Hij had het sowieso niet erg op zakenmensen. Hij wist dat zij, alle retoriek ten spijt, tot de felste tegenstanders van vrije marktwerking behoren. Het was de taak van de overheid om ervoor te zorgen dat de kapitalisten elkaar dusdanig beconcurreerden dat hun winsten tot een minimum zouden worden beperkt. Voor de neoliberale shocktherapie van Milton Friedman en diens volgelingen was Smith al helemaal niet te porren. Grote veranderingen in de economie ‘zouden nooit plotseling geïntroduceerd moeten worden, maar langzaam, geleidelijk en na zeer lang waarschuwen’.
Smith was voor alles een exponent van de Schotse Verlichting. Hij was een tegenstander van kolonialisme en slavernij en geloofde heilig in (door de staat verzorgd) onderwijs als instrument om een betere maatschappij te creëren. Dan zou het onderscheid tussen ‘een filosoof en een gewone straatkruier’ helemaal niet zo groot blijken als gedacht, schreef hij. Wat dat betreft baarde de verregaande arbeidsdeling in de industrie hem zorgen. De aan het begin van zijn meesterwerk beschreven speldenfabriek mocht efficiënt zijn, ze was allerminst zijn ideaal. Te ver doorgevoerde arbeidsdeling zou uiteindelijk de intelligentie van de werknemers ondermijnen. Wie in zijn werk slechts enkele, eenvoudige handelingen moet verrichten, wordt volgens Smith ‘zo dom en onwetend als een mens mogelijkerwijs kan worden’.

Wordt van Adam Smith tegenwoordig een karikatuur gemaakt, Keynes is niet veel beter af. Zeker nu met de kredietcrisis zijn ster tot ongekende hoogten is gerezen. Zelfs Francis Fukuyama – u weet wel, die van de foute voorspellingen – bekende zich onlangs tot het keynesianisme. Dat moet de ware aanhangers van de Britse econoom zorgen baren. En inderdaad beklaagt Nobelprijswinnaar Paul Krugman zich in zijn column voor The New York Times de laatste tijd regelmatig over hoe slecht Keynes – ‘my economic idol’ – begrepen wordt.
Helemaal nieuw is dat niet. Het cliché wil dat keynesianisme gelijk staat aan belastinggeld over de balk smijten. Dat terwijl mede onder de grote tegenstanders van het keynesianisme – in Nederland het rechtse kabinet-Van Agt/Wiegel eind jaren zeventig, in Amerika de Republikeinse presidenten Reagan en George W. Bush – het financieringstekort recordhoogten bereikte. De rechtse afkeer is ook niet zo principieel als voorgesteld. Begin jaren zeventig verklaarde een andere Republikeinse president, Richard Nixon, oog in oog met een dreigende crisis dat ‘we are all keynesians now’. Ook in de daaropvolgende drie neoliberale decennia bemoeiden overheden zich intensief met de economie, vooral als grote bedrijven in nood waren. En sinds de kredietcrisis lijkt Nixons uitspraak opnieuw te kloppen.
Tal van prominente politici zijn bekeerd tot het keynesianisme – op het oog, want wat dat precies inhoudt, blijft onduidelijk. Zo zou Bush zich vorig jaar een rasechte keynesiaan hebben getoond met zijn plan om iedere Amerikaanse belastingbetaler een cheque ter waarde van achthonderd dollar te sturen om de consumptie aan te zwengelen. Ook zijn Britse bondgenoten zouden Keynes omarmd hebben – de Duitse sociaal-democratische minister van Financiën Peer Steinbrück viel in een interview met Newsweek premier Brown aan vanwege diens ‘grove keynesiaanse beleid’. Maar deze week maakte uitgerekend Steinbrücks eigen regering bekend vijftig miljard uit te trekken voor investeringen in infrastructuur, belastingverlagingen en kredietgaranties. Wil de echte Keynes opstaan?
Veel van de huidige steunmaatregelen wijken flink af van de keynesiaanse leer. Ten eerste staat keynesianisme niet gelijk aan willekeurig welke extra uitgave door de overheid. Keynes, die zelf met het instorten van de beurzen in 1929 (tijdelijk) een groot deel van zijn niet geringe vermogen verloor, bepleitte in tijden van crisis een combinatie van lagere rentes en gerichte overheidsinvesteringen in economische infrastructuur, van spoorwegen tot fundamenteel onderzoek. Aangezien bij economisch zwaar weer iedereen op zijn centen blijft zitten, omdat investeringen te risicovol lijken, zijn overheidsbestedingen de enige zekere methode om de economie aan te zwengelen, aldus de Britse econoom en Keynes-biograaf Robert Skidelsky. Dat is wat anders dan elke burger een cheque in de hand drukken.
Keynes had daarnaast serieuze bedenkingen bij het stimuleren van de economie door middel van oplopende begrotingstekorten, zoals nu gebeurt. Van nationalisaties moest hij evenmin veel hebben. Ten slotte drong hij erop aan dat de overheid in tijden van voorspoed de economie zou afkoelen met bijvoorbeeld hogere belastingen. Het omgekeerde is de afgelopen, vette jaren gebeurd. Zowel in de Verenigde Staten als in Europa gingen de belastingen fors omlaag, waarvan niet in de laatste plaats bedrijven en rijkere burgers profiteerden. Inderdaad, soms zijn we allemaal keynesianen, zoals Nixon beweerde. Maar alleen als het slecht gaat.
Ook deze ‘echte Keynes’ is uiteraard niet zonder problemen. Bij een keynesiaans economisch beleid kunnen overheidsinvesteringen weglekken naar het buitenland, zeker in de moderne gemondialiseerde economie. In de jaren zeventig trad stagflatie op, een combinatie van economische stagnatie en inflatie, die door extra overheidsuitgaven slechts verergerd wordt. En de politiek lijkt nog altijd vaak te traag en te opportunistisch om een goed anticyclisch beleid te voeren. Maar over die keynesiaanse zwakten gaat het niet. Het debat wordt beheerst door karikaturen.

Nog voor de crisis op zijn hoogtepunt was, verkondigden de media de terugkeer van Karl Marx. Alweer. Het voornaamste bewijs: de Berlijnse Karl Dietz-uitgeverij verkocht duizend exemplaren extra van Das Kapital. De zogenaamde Marx-revival lijkt dan ook eerder een rituele dans die de media met elke economische dip opnieuw opvoeren. Wat niets afdoet aan de kwaliteit van Marx’ werk. In tegenstelling tot de liberale economen zou hij de kredietcrisis niet analyseren als een uitzondering op de regel. Voor hem ís het kapitalisme crisis. En inderdaad, hoe moet je een slordige tien miljoen hongerdoden per jaar anders kwalificeren dan als een structurele, in het systeem ingebakken crisis?
De door Smith beschreven ‘natuurlijke toestand’ waarnaar de economie als vanzelfsprekend zou neigen, is op dit moment ver te zoeken. Keynes had een scherper oog voor irrationeel gedrag en potentiële crises. Een kapitalist die geld investeert, gedraagt zich eerder als een gelovige dan als een rationele homo economicus, meende hij. Als boeren zich zouden gedragen als aandeelhouders, schreef Keynes ooit, zouden ze ’s ochtends als het regent hun boerderij van de hand doen, om deze ’s middags wanneer de zon schijnt weer terug te kopen.
Maar ook hij dacht met een verstandige politiek het systeem voor zijn kwalen te kunnen behoeden. Reëel of niet, naar die troost zijn politici, economen en andere betrokkenen op dit moment naarstig op zoek. Dus is het niet Marx die zijn comeback beleeft, maar zijn het versimpelde karikaturen van Smith en Keynes die het kapitalisme moeten beschermen tegen de kapitalisten. Om, zoals de voormalige liberale afgevaardigde in het House of Lords Keynes schreef, ‘de ziekte te genezen en daarbij efficiëntie en vrijheid te behouden’. Want dat systeem mag zijn fouten hebben, volgens Keynes gaf het tenminste richting aan ‘gevaarlijke menselijke temperamenten’. Zo bezien is er niets mis met graaiende bankiers en hebzuchtige industriëlen, merkte Keynes op in zijn standaardwerk The General Theory of Employment, Interest and Money: ‘Het is beter dat een mens tiran is over zijn bankrekening dan over zijn medeburgers.’