‘Wij zijn allen narren’

Carnavaleske provocaties zijn een effectief middel om kritiek te leveren op de samenleving. Deze narrentechnieken zijn al eeuwenoud, en niet alleen voorbehouden aan linkse protestbewegingen. Ook GeenStijl is er goed in.

Carnaval is de wereld op zijn kop. Een tijdelijke bevrijding uit het keurslijf van de heersende moraal. Een vrolijke omkering van de strikte middeleeuwse hiërarchie van standen en de plechtige ernst van haar politieke en religieuze orde. Verschillende auteurs hebben zich gebogen over deze merkwaardige maatschappelijke omkeertruc van het carnaval. En zoals we kunnen zien, is het carnavaleske repertoire nog immer politiek explosief.

Een belangrijke referentie is de Russische criticus Mikhail Bakhtin die carnaval op ongeëvenaarde wijze beschreven heeft in zijn beroemde studie Rabelais en zijn wereld. Volgens Bakhtin incorporeert de stijl van schrijvers als Rabelais een carnavaleske techniek, waarbij het erom gaat de bestaande (literaire) orde te interrumperen door middel van humor en verwarring. De studie van Bakhtin is een ode aan het maatschappijkritische poten­tieel van deze carnavaleske volkscultuur van de lach. ­Tegelijkertijd wordt zijn werk door velen gezien als een bedekte satirische aanval op de orthodoxie van het stalinistische regime, waar ­Bakhtin al eerder in zijn leven in aanvaring mee was gekomen.

Bakhtin dicht carnaval een zekere utopische kwaliteit toe. Het is een uitnodiging tot het betreden van een denkbeeldige wereld, waar gemeenschap, vrijheid, gelijkheid en overvloed ten volste beleefd kunnen worden. Daarin was carnaval anders dan de officiële festiviteiten van aristocratie, staat of kerk. Feesten die communiceerden dat alles stabiel en onveranderlijk was, waar iedereen zijn plaats kende in de hiërarchie van rangen en standen, waar iedereen gebonden was aan de vigerende normen en verboden. Nee, carnaval was juist een feest van veranderlijkheid en vernieuwing, vijandig tegen elke norm en autoriteit. Het enige moment dat werkelijke communicatie mogelijk was tussen mensen die anders gescheiden waren door conventie. Maskers en vermommingen dienen ter ontbinding van vaststaande identiteiten en rolpatronen, maken het mogelijk voor mensen om zichzelf her uit te vinden.

Alhoewel het carnaval dingen gemeen heeft met traditionele kunstvormen, verschilt het van de kunsten en de traditionele spektakels, in zoverre dat het geen onderscheid tussen acteurs en toeschouwers erkent. Carnaval is geen spektakel dat enkel gezien kan worden, want elke toeschouwer is er onmiddellijk deel van. Terwijl het carnaval voortduurt is er geen leven buiten het carnaval, het hele leven is onderworpen aan haar wetten. In de Nederlandse traditie zien we dat terugkomen in de ceremonie waarbij de burgemeester de stadssleutels overdraagt aan Prins Carnaval en zijn narren. Stad en straatnamen worden veranderd, en een nieuwe geografie ontstaat. Een utopische kaart waar Tilburg Kruikestad is, Breda Kielegat, en Den Bosch Oeteldonk.

Een vergelijkbare conceptie van carnaval zien we bij Menno ter Braak die het in Het carnaval der burgers beschrijft als ‘een golf van ontgrenzing der dagelijkse waarden’: ‘Een stroom van burgernarren schijnt alle gelijkmatigheid te zullen meevoeren; de autoriteiten verontrusten zich en grijpen naar beperkende voorschriften en verordeningen, de geestelijkheid spreekt waarschuwen over de zondeval zonder dat iets de aandrang dezer fantaserende menigte kan stuiten.’ Ter Braak is echter (net als de autoriteiten) geneigd om in zijn beschrijving direct paal en perk te stellen aan dit fenomeen van ontgrenzing. Allereerst door een fundamentele gespletenheid te introduceren tussen het figuur van de dichter, die voor verbeelding, het persoonlijke en de illusie staat en het figuur van de burger, die het functionele, het onpersoonlijke en het versteende belichaamt. Van deze gespletenheid is niets te vinden bij Bakhtin, die in de volkse carnavalsgeest een voorafschaduwing ziet van de literaire meesterwerken van Rabelais en zijn tijdgenoten (Shakespeare, Boccaccio, Dante, Cervantes). Ter Braak zet echter ieder in zijn hoek, netjes met zijn eigen etiket beplakt. Slechts op het carnaval komen deze twee tegenpolen samen. De dichter is namelijk de carnavaleske tegenpool van de burger, en het carnaval is de geest der dichters die de burgers zich eens per jaar kunnen veroorloven, de rest van de tijd is er werk aan de winkel. Deze tijd van transgressie ‘waarin een vlaag van collectief dichterschap de barrières schijnt te willen doorbreken’, is bij Ter Braak enkel een stuip, een gril. Onverbiddelijk is de grens van Aswoensdag, waarna ‘het gezag herademt en de muren massiever zijn dan ooit’. Degenen die voort proberen te leven in de geest van carnaval worden uit­gestoten als ‘onproductieve dwazen’.

Volgens Bakhtin was dit in de geschiedenis echter geenszins het geval. Clowns en narren waren een constante geaccepteerde vertegenwoordiging van de geest van carnaval, buiten het carnavalsseizoen om. De carnavaleske humor was immer present, in de komische en theatrale spektakels op het marktplein, in de satires, parodieën en schotschriften, en in het alledaagse taalgebruik, vol van vloeken, schunnigheden en volkse taalinnovatie. Een vorm van spreken die buiten het carnaval overleefde op het marktplein en uiteindelijk in de literatuur werd verwerkt, waar het een substantiële bijdrage leverde aan de Renaissance. Als een voorbeeld van deze verbinding ziet hij Erasmus’ Lof der zotheid, volgens Bakhtin ‘een van de grootste creaties van de carnavaleske lach in de wereldliteratuur’. In Lof der zotheid neemt Erasmus de positie in van de godin van de zotheid, die zichzelf bewonderend toespreekt over hoe saai en smakeloos het leven zonder haar zou zijn. Het is deze carnavaleske narrentechniek die het Erasmus mogelijk maakte kritiek op de katholieke kerk te leveren, aangezien de auteur ook zichzelf bespot en het altijd de vraag blijft of Erasmus zichzelf en zijn kritiek werkelijk serieus neemt. De zot kan zich altijd beroepen op de eigen zotheid. Het carnavaleske is een vorm van lach die zich juist vereenzelvigt met het voorwerp van spot: het is altijd zelf onderdeel van de wereld die het bespot.

Verschillende hedendaagse politieke bewegingen hebben zich geïnspireerd op deze carnavaleske opschorting en omkering van de bestaande orde. Bakhtins studie over Rabelais werd in 1968 voor het eerst naar het Engels vertaald en belandde gelijk in vruchtbare aarde. Het was de tijd dat de revolutionaire avant-garde­groepering Internationale Situationniste (waar de Nederlandse kunstenaar Constant Nieuwenhuys nog medeoprichter van was), zich bezighield met de carnavalisering van het alledaagse leven. Raoul Vaneigem, samen met Guy Debord een van de vooraanstaande theoretici van de revolte van mei ’68, schreef over carnaval als een methode om de scheidingen in het sociale leven neer te halen: de scheiding tussen leven en kunst, tussen performer en toeschouwer, tussen de schone schijn van de spektakelmaatschappij en een lonkende werkelijkheid van intens beleefde momenten. ‘Onder het plaveisel, het strand’, zo luidde de beloftevolle slogan.

Op deze wijze ontstond in 1968 alom een politieke protestcultuur die zich verweerde tegen de traditionele linkse notie, dat de utopie als een blauwdruk van de toekomst georganiseerd diende te worden. In plaats daarvan plaatste men de utopie volledig in het heden, zoals Vaneigem in zijn Handboek voor de jonge generatie (1977): ‘Dezelfde mensen die langzaam gedood worden in de gemechaniseerde slachthuizen die werk heten zijn ook aan het ruziën, zingen, drinken, dansen, vrijen, bezetten de straten, nemen de wapens op, en scheppen een nieuwe poëzie.’

In Nederland waren het de provo’s die door middel van hun happenings rond het Lieverdje hun eigen politieke carnavalsgeest ontwikkelden. Door middel van eindeloze spot en provocatie werden de autoriteiten van de jaren vijftig langzaam op de knieën gedwongen. Amsterdam werd omgetoverd tot een carnavalesk magisch centrum. Verkiezingsaffiches met ‘Stem Provo, kejje lachen’ veranderden de politiek voor het eerst in een instrument van vermaak.

Een tweede golf van carnavalesk protest deed van zich spreken aan het einde van de jaren negentig, met de opkomst van de anders­globaliseringsbeweging. Op 18 juni 1999 werd het Global Carnival Against Capital georganiseerd in Londen. Tienduizenden demonstranten stroomden de City binnen. Het hart van het financiële district in Londen werd omgetoverd tot een kleurrijk straatfeest, waardoor het een dag lang helemaal plat kwam te liggen. De demonstranten kregen carnavalsmaskers uitgedeeld met de volgende boodschap: ‘De maskerade is altijd een essentieel onderdeel van carnaval geweest. Verkleden en vermommen, het vervagen van identiteiten en grenzen, transformatie, transgressie; alles komt samen in het dragen van een masker. Het brengt ons samen, maakt het mogelijk als een stem te schreeuwen tegen degenen die ons regeren en verdelen: “wij zijn allen narren, paria’s, clowns en criminelen”.’

Het gebruik van carnavaleske protestmethoden is echter verre van voorbehouden aan linkse protestbewegingen. Zo laat de Franse antropologe Lynda Dematteo in haar onderzoek naar de Italiaanse Lega Nord – L’idiotie en politique: Subversion et néo-populisme en Italie (2007) – zien dat de Lega op vrij bewuste wijze carnavalesk opereert. In haar interviews met Lega Nord-aanhangers en politici werd ze geconfronteerd met het feit dat de Lega weliswaar een xenofoob programma richting migranten heeft, maar dat desalniettemin met een zekere speelsheid uitdraagt. Juist door over de schreef te gaan, is de stelling van Dematteo, door humoristische overdrijving en het spelen met beschuldigingen, is de Lega in staat om de stap van transgressie naar het xenofobe te maken.

De leden van de Lega Nord verweten Dematteo een gebrek aan humor. Ze vertelden dat hun veronderstelde racisme enkel een provocatie was om aandacht te trekken voor de sociale problemen waar ze meer geconfronteerd werden. Een goed voorbeeld zijn de uitspraken van de voormalige burgemeester van Treviso, Giancarlo Gentilini, die voorstelde om de ‘voor niets deugende buitenlanders te verkleden als konijnen en pief paf poef met een geweer te doen’. De uitspraken zijn zo grotesk dat we het moeilijk vinden ze serieus te nemen: ze lijken vooral de spreker in diskrediet te brengen. Wie echter serieus op deze uitspraken ingaat, krijgt te horen dat het enkel om een grapje ging. Hier zijn we terug bij Bakhtins analyse van de taal van het carnaval. De bevrijde vorm van spreken, wars van etiquette en fatsoen, wordt hier ingezet voor het creëren van nieuwe muren en scheidslijnen.

Het is niet moeilijk om een dergelijke vorm van carnavalspolitiek ook in Nederland terug te vinden. In het bijzonder bij GeenStijl, dat al jaren een bepaalde techniek van humoristische overdrijving toepast, waarmee openlijk seksisme en racisme zonder al te veel consequenties een publiek podium kunnen krijgen. Omdat GeenStijl op klassiek carnavaleske wijze iedereen in de zeik neemt, ook zichzelf. Op internet is het bovendien de anonimiteit van reaguurders en GeenStijl-scribenten die als een potent carnavalsmasker fungeert. In eenzelfde traditie van carnavaleske transgressie kunnen we ­Theodor Holmans recente uitspraak plaatsen over het meldpunt voor Oost-Europeanen: ‘Ja, ik vind niet dat je andere mensen moet aangeven. Schop ze verrot. Pak een pistool en schiet ze neer. Maar we gaan ze niet aangeven. Dat heeft iets miezerigs.’ Elders in het bewuste interview meldt Holman: ‘Ik hoop dat je dit met de juiste relativering zal brengen. Haha! Snap je wat ik bedoel? Ik wil stukjes schrijven, langs de kant staan en mensen uitfluiten.’

Het is van de zotte.