Toneel - Al te luide eenzaamheid

‘Wij zijn als olijven’

Op de overvolle, met papier en grote bierflessen beladen speelvloer duikt hij op vanachter de ruïnes van wat ooit vleugels moeten zijn geweest, toetsen met snaren. Alles lijkt hier trouwens ruïne.

Medium toneel

Door een opening in dit imaginaire keldergewelf wordt overtollig papier gestort, dat de rauwe werkmens en ‘papierpletter’ Hanta met zijn handgedreven pers tot balen verwerkt. Hij haalt er soms werken tussenuit. Hij redt boeken van de anonimiteit der papierbalen. De geredde literaire en filosofische werken koestert hij. Hij leest erin. Hij proeft de schrijvers, hij spiegelt zich aan hun wijsheden. Hegel en Kant, Sartre, maar liever toch Camus, zij leveren hem de steunbalken voor zijn universum van de hoop, dat weliswaar duister is en verstoft, maar ook vrolijk want alcoholdoordrenkt – zonder het mateloos vloeiende Praagse bier lukt het hem niet om zijn eveneens mateloze eenzaamheid te temmen.

Hanta is de verteller uit de novelle Al te luide eenzaamheid die de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal (1914-1997) in de eerste helft van de jaren zeventig schreef, een juweel van net aan honderd pagina’s, dat Hanta mogelijk uit zijn eigen papierlawines had gered, om het eens rustig te lezen. Hij koestert zijn zelf opgelegde martelaarschap met katholiek geduld: ‘Wij zijn als de olijven. Pas wanneer we worden vermorzeld, geven wij het beste van ons prijs.’ En de vermorzeling komt eraan. Socialistische arbeidersbrigades hebben een papiervernietigingsmachine ontworpen die Hanta’s reddingsoperaties overbodig zal maken. De Vlaamse toneelspeler Koen van Kaam, die Hanta speelt in de wonderschone voorstelling die de titel van Hrabals boek draagt, zakt nog dieper weg tussen zijn stoffige en verwonde schouderpartij. Hij schreeuwt het bijna uit en laat het daarna weer stil diep in hem huilen: ‘Ik, die 35 jaar stampsel en macalatuur tot balen heb geplet, ik die dus niet kan leven zonder die verrassing dat ik elk moment een mooi boek als premie uit dat walgelijke papier kan vissen, ik moet voortaan onbevlekt, onmenselijk schoon papier verpakken.’

Bij de toneelspeler heeft zich dan al lang een lethargisch musicus gevoegd, Jorgen Cassier geheten, die uit de ruïnes van vleugels, pianola’s en orgeltjes een reeks droge, alleengelaten, hoge en lage tonen tovert, alsof de vergane instrumenten met Hanta mee bidden, in zijn litanieën die smeken om verlossing en rust, om Helleense cultuur en fosforiserende, lichtgevende wijzers voor alle Praagse kathedralen. En om een monumentenstatus voor zijn uit de tijd gevallen pletpers. Het noodlot nadert. De kleine alcoholistische krabbelaar moet wijken voor de moderniteit.

De wonderschone vertaling van Kees Mercks (voor het toneel bewerkt door regisseur Koen De Sutter) klinkt hier als de kwetsbare apologie voor in de steek gelaten schoonheid die zich niet (meer) verdedigen kan. Net als zijn arme gecremeerde moeder, of die lieve onschuldige Macinka, die een piepklein villaatje voor zichzelf kan bouwen, omdat ze alle aannemers van Praag haar bed in trekt. Mooie zijlijnen in een verhaal, dat hier als toneelvertelling staat als een huis gebouwd op boeken. Wat een voorstelling!

Theater Zuidpool, Al te luide eenzaamheid. 4 november in Theater aan het Spui in Den Haag, 10 en 11 december in Maastricht, 19 april in Bergen op Zoom, en verder vooralsnog in Gent, Antwerpen en andere Vlaamse steden; zuidpool.be


Beeld: Koen van Kaam als Hanta en op de achtergrond Jorgen Cassier in Al te luide eenzaamheid. Foto Wendy Marijnissen