Angst is de hoeksteen van de samenleving

Wij zijn altijd bevreesd

Het gevoel van onveiligheid neemt toe, in het Westen, zegt men. Maar de veilige samenleving bestaat niet. Anders was zij overbodig.

Hoewel de wereld voor de westerse mens de afgelopen honderd jaar ontegenzeggelijk veiliger is geworden — kijk naar de gemiddelde levensverwachting — is het onveiligheidsgevoel niet afgenomen. Integendeel. Sinds men met het meten is begonnen is de sterkte van dat gevoel alleen maar toegenomen. Men meet dus niet voor niets, zou je denken. En los van een bepaald zwaan-kleef-aan-effect (als tien procent zich onveilig voelt volgt het elfde procent al snel), zal die stijging dan voornamelijk reëel zijn. Gevoelsreëel althans.

Criminaliteit, zedenloosheid, lokale en internationale terreur, schietpartijen op scholen: deze dankbaar door de hongerige media uitgemolken thema’s bevestigen en versterken het geloof in dat gevoel. Op klassiek orwelliaanse wijze wordt de al dan niet reële angst door machthebbers aangegrepen om nieuwe veiligheidswetten door te voeren die niet zelden haaks staan op grondwettelijke burgerrechten. Het onveiligheidsgevoel en de dreiging van aanslagen en terreur roepen wrang nostalgische gevoelens op over de angst voor het rode gevaar in de jaren vijftig. Ook toen de totale paranoia. Het gevaar kon van alle kanten komen. Zat in het water, zweefde in de lucht en tastte de luchtwegen van onze kinderen aan, want de vijand was gewetenloos. Een beest eigenlijk, geen mens zoals wij. Inmiddels, net als destijds, drijft een gehele industrietak op deze gevoelens van onveiligheid. Was in de jaren vijftig het leger nog de voornaamste klant omdat de vijand een staatsvijand was, nu heeft de vijand het op iedereen gemunt. En dient iedereen zich persoonlijk te beschermen. Safety is big business.

De 21ste eeuw zal geen dictator van de statuur Hitler of Mao of Saddam Hoessein nodig hebben. Zij zal geregeerd worden door de überdictator, de boeman Angst. Treffend geportretteerd door de stateloze Osama bin Laden, de zichzelf opblazende beeldschone 23-jarige bouwkundig ingenieur, of de gedecoreerde oorlogsveteraan die zomaar om zich heen begint te schieten in een shopping mall.

De vraag is of dat allemaal zo nieuw, onverwacht, schokkend en slecht is. Bijna unaniem spreken media en machthebbers over de laatste golven van internationale terreur als een bedreiging van de westerse samenleving. Maar natuurlijk weten zij ook, diep in hun hart, dat juist het tegendeel waar is. De veilige samenleving bestaat niet, en zal nooit bestaan. De absolute en constante veiligheid van een utopische samenleving zal die samenleving overbodig maken. Want de enige reden voor het bestaan van een samenleving is angst. Al dan niet reëel.

De filmer en kunstenaar Jan Dietvorst, die sinds enkele jaren werkt aan een serie films over de Asmat in Papoea-Nieuw-Guinea, vertelde mij het volgende verhaal: «Bij vertrek uit een dorp werden wij door de lokale bevolking uitvoerig gewaarschuwd voor de bewoners van het volgende dorp, enkele uren lopen verderop. Moordenaars, dieven, oplichters, die woonden daar. Beesten eigenlijk, geen mensen zoals wij. In het volgende dorp aangekomen reageerde de bevolking geschokt toen wij vertelden uit welk dorp wij die ochtend waren vertrokken. ‹Komen jullie daar vandaan? En hebben jullie er overnacht ook nog? Maar dat zijn moordenaars, dieven en oplichters. Beesten eigenlijk, geen mensen zoals wij.›»

Dit ritueel zou zich gedurende de gehele lange reis blijven herhalen. De Asmat, een niet bijzonder ambitieus, uit het stenen tijdperk gekatapulteerd volk van dromers, klampen zich blijkbaar wanhopig vast aan hun angsten. Want wat zouden ze zonder die angsten zijn? Zou hun wereld, die nu nog zo overzichtelijk is, zich niet tot misselijk makende verten gaan uitstrekken?

De Asmat leven in een zeer kleine wereld. Door de angst buiten te sluiten, letterlijk buiten de grenzen van hun dorp, definiëren zij een oase van veiligheid. De angst sluit de onveiligheid buiten. De Asmat lijken een specifiek antropologisch fenomeen, maar feitelijk zijn wij natuurlijk allen Asmat.

Niet het gezin, maar de angst is de hoeksteen van iedere samenleving. En omdat het gevaar, de moeder van de angst, niet altijd zichtbaar en aanwezig is, dient zij geritualiseerd te worden. Zodat zij er altijd is, ook als zij er niet is. Boze geesten, de duivel, de zelf moordterrorist, de seriemoordenaar of de anachronistische kannibaal — zij houden de gedachte aan het gevaar levend. Zij voeden de angst van mensen wier leven zich over het algemeen vrij gebeurtenis- en dus gevaarloos voltrekt.

Deze geritualiseerde angst, die zich in moderne tijden uitdrukt in het onveiligheidsgevoel, dient dan ook slechts ten dele als waarschuwing voor gevaar. Voornamelijk is zij een instrument ter verkenning en toetsing van de vermeende eigenheid van mens en samenleving.

Elke samenleving heeft een vijand nodig. En als die niet aan de andere kant van de grens te vinden is, dan wordt hij wel in eigen gelederen gezocht. De ook in de laatste troonrede zangerig aanbeden «gevoelens van onveiligheid» richten zich, bij gebrek aan een nabije buitenlandse dreiging, de laatste decennia dan ook met name op de eigen onderbuik. En zo kunnen met behulp van de media bepaalde, min of meer toevallige lokale incidenten epische proporties krijgen. En kunnen individuen uitgroeien tot de maskers van het Pure Kwaad. Personages als Marc Dutroux en Volkert van der G. — enigmatische figuren die door hun raadselachtige herkenbaarheid de perfecte aanjagers zijn van een burgerlijke vorm van paranoia.

Nieuw is het onveiligheidsgevoel niet. Saillant is wel dat het de laatste tijd zo naar binnen toe is gericht, met als direct gevolg een plotselinge interesse in de «eigen» normen en waarden. Verder zijn deze toe nemende gevoelens van interne onveiligheid een goed teken. Het duidt erop dat het Grote Gevaar, dat altijd van over de grens kwam, blijkbaar onder controle is. Echt gevaar dreigt dus pas wanneer het onveiligheidsgevoel gaat afnemen.