Trump, Erdogan, Farage: de aantrekkelijkheid van het populisme

‘Wij zijn de honderd procent’

Populisten zijn gewoon andere elites die proberen de macht te grijpen met behulp van een collectieve fantasie van politieke puurheid. Toch zijn ze nog steeds in opkomst in het Westen.

Medium c00d530e60b64ffcaed2c698b4801274 0

Na de Brexit, en nu een overwinning van Donald Trump in november nog steeds een mogelijkheid is, verkeren progressieven in paniek over het populisme. Zij hebben moeite te begrijpen hoe ze een figuur als Trump ideologisch moeten plaatsen – vandaar de enorme hoeveelheid inkt die is verspild aan de vraag of hij wel of geen fascist is – en de nogal ongelukkige poging om de term ‘trumpisme’ te munten (weet je, Trump is echt een vertegenwoordiger van het trumpisme). Daarnaast hebben progressieven zich beziggehouden met de feitelijke aanhangers van de Brexit en Trump, en snelle conclusies getrokken over wat zij denken en – vooral – voelen. Als gevolg hiervan is de inhoud van wat uiteindelijk een ‘isme’ is – dat wil zeggen: een politiek geloofssysteem – verward met de veronderstelde psychologische toestand van de aanhangers daarvan, namelijk gevoelens van wrok en betrekkelijke misdeeldheid.

Het is juist dat in Europa en de Verenigde Staten (althans in het geval van Trump) minder goed opgeleide mannen de voornaamste achterban vormen van wat doorgaans als ‘populisme’ wordt aangeduid. Het is waar dat in onderzoeken veel kiezers blijk geven van hun gevoel dat het land als geheel achteruit gaat (een oordeel dat niet noodzakelijkerwijs afhankelijk is van hun persoonlijke economische situatie; het is eenvoudigweg niet waar dat iedere aanhanger van wat op plausibele wijze kan worden geclassificeerd als een populistische partij een objectieve ‘verliezer van de globalisering’ is). Maar dit alles is hetzelfde als zeggen dat we de intellectuele inhoud van de sociaal-democratie het best begrijpen als we haar kiezers blijven beschrijven als arbeiders die jaloers zijn op rijke mensen. Het profiel van de aanhangers van het populisme doet er duidelijk toe, maar het is neerbuigend om alles wat zij denken en zeggen tot wrok te reduceren en het hele verschijnsel af te doen als een onsamenhangende politieke expressie van het trumpenproletariaat en zijn Europese equivalenten.

In plaats van te speculeren over de motieven van de kiezers moeten we proberen vast te stellen wat het populisme werkelijk is. En dat kan alleen maar worden gedaan door aandacht te besteden aan wat de populistische leiders zelf zeggen. Het cruciale punt is dit: het is niet genoeg om kritisch te zijn over de elites om voor populist uitgemaakt te worden. Anders zou iedereen die problemen heeft met de status-quo in – bijvoorbeeld – de VS, Groot-Brittannië, Griekenland en Italië per definitie een populist zijn. Maar wat je verder ook mag vinden van bijvoorbeeld Bernie Sanders, Jeremy Corbyn, Syriza in Griekenland of de opstandige Vijfsterren Beweging van Beppe Grillo in Italië, het is moeilijk te ontkennen dat hun aanvallen op de status-quo dikwijls gerechtvaardigd zijn. Bovendien is vrijwel iedere presidentskandidaat in de VS een populist, als kritiek op de bestaande elites de essentie van dit verschijnsel zou uitmaken: iedereen claimt immers ‘tegen Washington’ te zijn.

Als ze in de oppositie verkeren, oefenen de populisten zeker kritiek uit op de elites. Maar er is ook altijd iets anders wat zij doen, dat bijna als een ‘keurmerk’ van het populisme kan worden gezien: zij beweren dat zij, en alléén zij, het volk vertegenwoordigen. Denk bijvoorbeeld aan de Turkse president Recep Tayyip Erdogan toen hij zich tot de critici in zijn land wendde: ‘Wij zijn het volk. Wie zijn jullie?’ Natuurlijk wist hij dat zij ook Turken waren.

***

De claim op exclusieve vertegenwoordiging is niet empirisch, maar altijd duidelijk moreel van aard. De politieke concurrenten en critici van de populisten worden onvermijdelijk afgedaan als onderdeel van de immorele, corrupte elite – althans, dat zeggen populisten als ze aan verkiezingen meedoen; eenmaal in de regering erkennen zij niet zoiets als een legitieme oppositie. De populistische logica impliceert tevens dat wie niet werkelijk populistische partijen steunt misschien geen deel uitmaakt van het echte volk: er zijn Amerikaanse burgers, en dan zijn er wat George C. Wallace, een aartspopulist uit de jaren zestig die vaak wordt gezien als een voorloper van Trump, altijd de ‘echte Amerikanen’ heeft genoemd (blank, godvrezend, hard werkend, wapen bezittend, enzovoort). Populisten claimen dus niet alleen dat zij de 99 procent zijn. Volgens hun eigen logica zouden ze eigenlijk moeten zeggen: wij zijn de honderd procent.

Denk aan Nigel Farage die de uitslag van het Brexit-referendum vierde door te beweren dat het een ‘overwinning voor het echte volk’ was geweest (waardoor de 48 procent van het Britse electoraat dat zich had verzet tegen het uit de Europese Unie treden van Groot-Brittannië op een of andere manier veel minder echt leek, en hun status als leden van de politieke gemeenschap in twijfel werd getrokken). Of neem een zeer onthullende opmerking van Trump die vrijwel onopgemerkt is gebleven, dankzij de frequentie waarmee de miljardair uit New York schandalige opmerkingen maakt. Op een campagnebijeenkomst in mei heeft hij gezegd dat ‘het enige belangrijke de eenwording van het volk is – omdat de andere mensen niets betekenen’.

De conventionele wijsheid dat populisten de politiek dichter bij het volk willen brengen of zelfs voor directe democratie pleiten kan er niet nóg verder naast zitten. Populisten zeggen inderdaad wel dat ze de enigen zijn die iets geven om de ‘wil van het volk’, maar ze zijn nauwelijks geïnteresseerd in een proces van onderop met een open einde, waarin burgers zich buigen over beleidskwesties. Wat populisten zien als de volkswil vloeit voort uit wat zij als het echte volk zien. Erger nog, ‘de volkswil’, waarvan populisten beweren dat alleen zij die plichtsgetrouw ten uitvoer zullen leggen – waarbij ze hun eigen rol als aanjagers ontkennen, evenals iedere echte politieke verantwoordelijkheid – is een fictie. Er is geen enkelvoudige politieke wil, laat staan een enkelvoudige politieke opinie, in een moderne, complexe, pluralistische – kortom enorm rommelige – democratie. Populisten leggen woorden in de mond van wat uiteindelijk hun eigen schepping is: de fictie van een homogeen, altijd rechtschapen volk. En dan zeggen ze, net als Trump: ‘Ik ben uw stem.’ Of denk opnieuw aan wat Erdogan in juli beweerde: ‘Wat wil mijn volk? De doodstraf!’ Zonder erbij te zeggen dat hij als eerste voor de herinvoering daarvan had gepleit.

Dit onderscheid tussen de feitelijke burgerij en ‘het echte volk’ verklaart waarom populisten zo regelmatig verkiezingsuitslagen in twijfel trekken als zij niet als winnaars uit de bus komen (wat immers hun bewering lijkt te logenstraffen dat zij de enige legitieme vertegenwoordiger van het volk zijn). Populisten verliezen alleen als ‘de zwijgende meerderheid’ – een andere omschrijving van ‘het echte volk’ – geen kans heeft gehad om te spreken, of erger nog, ervan is weerhouden zich uit te spreken.

Vandaar het frequente beroep dat populisten doen op samenzweringstheorieën: iets wat zich achter de schermen voltrekt moet wel verantwoordelijk zijn voor het feit dat corrupte elites het volk nog steeds onder de duim houden. Vóórdat Trump zeker was van de Republikeinse nominatie voor het presidentschap bleef hij maar zinspelen op fraude, en nu een nederlaag in de verkiezingen van november dreigt, probeert hij de overwinning van Hillary al weer in diskrediet te brengen.

Populisten creëren het homogene volk in de naam waarvan zij al de hele tijd spraken; een self-fulfilling prophecy

Onlangs heeft de rechts-populistische Vrijheidspartij in Oostenrijk met succes de uitslag van de presidentsverkiezingen in mei betwist. Haar kandidaat, Norbert Hofer, had zijn tegenstander, de hoogleraar economie Alexander van der Bellen, voortdurend bestookt met de bewering: ‘U heeft de haute volée (hoge samenleving) achter u; ik heb het volk achter me.’ Wat daar duidelijk uit volgt, is dat als de politicus van het volk niet wint, er iets mis moet zijn met het systeem.

***

Populistische politici lijken niet op andere politici in een democratie. Maar het verschil is niet dat zij op een of andere manier dichter bij de ‘massa’s’ staan die, volgens de zelfverklaarde non-establishment-denker John Gray, overal ‘in opstand’ zijn. Het is ook niet dat zij een directe, in tegenstelling tot een vertegenwoordigende, democratie willen. Populisten kunnen goed uit de voeten met het idee van vertegenwoordiging, zolang zij maar kunnen vertegenwoordigen wie zij als het echte volk beschouwen. Dit is de reden dat je geen punten kunt scoren tegen figuren als Geert Wilders (die zijn hele volwassen leven in het Nederlandse parlement heeft doorgebracht) of Trump, door erop te wijzen dat zijzelf niet bepaald tot het gewone volk behoren. Het cruciale verschil is dat populisten het pluralisme van hedendaagse samenlevingen ontkennen of willen wegdenken. Als zij het over gelijkheid hebben, bedoelen ze ‘hetzelfde zijn’, wat inhoudt: zich conformeren aan een of ander ideaal van Middle America, Little England, of welke andere symbolische representatie van het ‘echte volk’ zich ook aan hen opdringt.

Doet dit er in de praktijk allemaal toe? Het is beslist zorgwekkend dat populisten twijfel zaaien over verkiezingsuitslagen en proberen de legitimiteit van alle andere politici in twijfel te trekken (tot op het punt dat ze hen willen opsluiten, of zelfs suggereren dat ze kunnen worden neergeschoten, als we de uitspraken van Trump mogen geloven). Maar dit zou ertoe kunnen leiden dat je de conclusie trekt dat populisten in een soort politieke fantasiewereld leven en daarom in de praktijk wel móeten falen.

Veel progressieve waarnemers denken dat populisten alleen maar simplistische oplossingen bieden, die snel onwerkbaar zullen blijken, of zelfs dat populisten diep van binnen bang zijn om echt te winnen, omdat ze geen idee hebben wat ze daarna moeten doen (een indruk die werd bevestigd door de vlucht van Farage na het Brexit-referendum). De conventionele wijsheid zegt dat populistische partijen in de eerste plaats protestpartijen zijn, en dat protest niet kan regeren, omdat – logischerwijs – je niet tegen jezelf kunt protesteren: antipolitiek kan geen écht beleid voortbrengen.

Het idee dat populisten die aan de macht komen op de een of andere manier wel móeten falen is geruststellend. Het is ook een illusie. Om te beginnen: het feit dat populistische partijen noodzakelijkerwijs tegen elites protesteren, betekent niet dat populisme aan de macht in tegenspraak met zichzelf is. Alle mislukkingen van populisten in de regering kunnen nog steeds de elites die achter de schermen opereren in de schoenen worden geschoven, thuis of in het buitenland.

Veel populistische overwinnaars blijven zich als slachtoffers gedragen; meerderheden gedragen zich als mishandelde minderheden. Hugo Chávez in Venezuela verwees bijvoorbeeld voortdurend naar duistere machinaties van de oppositie – dat wil zeggen, de officieel afgezette ‘oligarchie’ – en de Verenigde Staten, die zouden hebben geprobeerd zijn ‘socialisme voor de 21ste eeuw’ te saboteren. Erdogan presenteerde zichzelf als een dappere underdog; hij zou altijd de straatvechter uit de Istanbulse wijk Kasimpasa blijven, die het moedig had opgenomen tegen het oude kemalistische establishment van de Turkse republiek, lang nadat hij was begonnen alle politieke, economische en niet in de laatste plaats culturele macht naar zich toe te trekken. Eén weinig opgemerkt neveneffect van de recente mislukte coup is de bekrachtiging van dit beeld geweest van Erdogan, die samen met het volk ten strijde trekt tegen de zichtbare en onzichtbare krachten van het kwaad – het leger en het duistere Gülen-netwerk –, in tegenstelling tot het beeld van een would be-sultan in zijn pompeuze presidentiële paleis, dat Erdogan de afgelopen jaren had opgebouwd.

***

Nóg zorgwekkender: als populisten over voldoende grote meerderheden in het parlement beschikken, proberen ze regimes te installeren die er misschien nog wel als democratieën uitzien, maar feitelijk zijn ontworpen om de macht van de populisten te bestendigen (als zogenaamd de enige authentieke vertegenwoordigers van het volk). Om te beginnen koloniseren of ‘bezetten’ populisten de staat. Denk aan Hongarije en Polen als recente voorbeelden. Een van de eerste veranderingen die Viktor Orbán en zijn Fidesz-partij doorvoerden nadat ze in Hongarije in 2010 aan de macht waren gekomen, was een wijziging van de ambtenarenwet, zodat ze in staat waren loyalisten te benoemen op wat feitelijk niet-partijgebonden bureaucratische posities hadden moeten zijn.

Zowel Fidesz als de partij Recht en Gerechtigheid (PiS) van Jarosław Kaczynski in Polen is ook onmiddellijk van leer getrokken tegen de onafhankelijkheid van de gerechtshoven. De media-autoriteiten werden in de tang genomen; de oekaze werd uitgevaardigd dat journalisten geen verslag mochten doen op manieren die de belangen van het land (die werden gelijkgesteld met de belangen van de regeringspartij) zouden schaden. Wie ook maar één van deze maatregelen bekritiseerde werd door het slijk gehaald als dienaar van de belangen van de oude elites, of als regelrechte verrader (Kaczynski sprak over ‘Polen van de ergste soort’ die zogenaamd ‘verraad in hun genen’ hebben).

Zo’n strategie om de macht te behouden is uiteraard niet louter aan populisten voorbehouden. Wat bijzonder is aan populisten is dat ze een dergelijke kolonisatie van de staat openlijk kunnen ondernemen: waarom, zo kunnen populisten op verontwaardigde toon vragen, mag het volk geen bezit nemen van de staat, via zijn enige rechtmatige vertegenwoordigers? Waarom zouden degenen die zich tegen de volkswil verzetten, uit naam van de neutraliteit van het ambtenarenapparaat, niet mogen worden weggezuiverd?

De opkomende ongelijkheid in het Westen is geen verzinsel van de populistische verbeelding

Populisten houden zich ook bezig met de verstrekking van materiële en immateriële gunsten om massasteun te verkrijgen. Opnieuw is dergelijk gedrag niet louter aan populisten voorbehouden: veel partijen belonen hun ‘clientèle’ als die gaat stemmen, hoewel weinigen zo ver gaan als de Oostenrijkse aartspopulist Jörg Haider, die letterlijk biljetten van honderd euro uitreikte aan ‘zijn volk’ in de straten van Karinthië. Wat populisten – opnieuw – van andere politici onderscheidt, is dat zij zich openlijk en met morele rechtvaardiging aan dergelijke praktijken kunnen bezondigen: voor hen zijn immers alleen sommige mensen werkelijk ‘het volk’, dat de steun verdient van wat rechtmatig hún staat is. Zonder dit concept is moeilijk te begrijpen hoe Erdogan politiek heeft kunnen overleven na alle onthullingen over de corruptie van zijn regime, die in 2013 begonnen op te duiken.

Sommige populisten hebben het geluk gehad over de middelen te beschikken om hele sociale klassen op te bouwen die hun regime konden ondersteunen. Chávez heeft van de bloei van de oliesector geprofiteerd. Voor regimes in Midden- en Oost-Europa zijn fondsen van de Europese Unie het equivalent geweest van wat de olie voor sommige autoritaire Arabische landen betekende: overheden kunnen deze subsidies strategisch inzetten om steun te kopen, of hun burgers op z’n minst stil te houden. Bovendien kunnen ze sociale klassen vormen die voldoen aan hun beeld van het ideale volk – en die zeer loyaal zijn aan het regime. Erdogan blijft de onwankelbare steun genieten van een Anatolische middenklasse die is opgekomen dankzij de economische bloei onder het bewind van zijn AK-partij (en die tevens het beeld belichaamt van de ideale, vrome Turk, in tegenstelling tot de verwesterde, seculiere elites en minderheden als de Koerden). De Hongaarse Fidesz-partij heeft een nieuwe sociale groep gesteund die economisch succes, gezinswaarden (het krijgen van kinderen levert vele voordelen op) en religieuze devotie verenigt in een geheel dat overeenkomt met Orbáns visie van een ‘christelijk-nationale’ cultuur.

***

Er is één ander element van populistisch staatsmanschap dat belangrijk is om te begrijpen. Populisten die aan de macht zijn hebben de neiging meedogenloos op te treden tegen niet-gouvernementele organisaties die kritiek op hen uitoefenen. Opnieuw is het stevig aanpakken van burgergroeperingen geen praktijk die louter aan populisten is voorbehouden. Maar voor hen vormt een dergelijk soort oppositie een bijzonder symbolisch probleem: het ondermijnt in potentie hun claim op exclusieve morele vertegenwoordiging. Daarom is het van cruciaal belang om te betogen (en zogenaamd te ‘bewijzen’) dat deze burgergroeperingen helemaal geen steun genieten binnen de samenleving, en dat wat op oppositie vanuit het volk lijkt niets te maken heeft met het échte volk.

Dit verklaart waarom Poetin, Orbán en PiS in Polen zo hun best hebben gedaan om ngo’s in diskrediet te brengen, door te beweren dat ze door buitenlandse machten worden gecontroleerd (en ze ook juridisch te bestempelen als ‘buitenlandse agenten’). In zekere zin proberen ze het verenigde volk, in de naam waarvan ze al de hele tijd spraken, tot realiteit te maken: door degenen die weigeren hun vertegenwoordigende claim op te geven het zwijgen op te leggen of in diskrediet te brengen (en soms door ze ieder motief te geven om het land te verlaten en zichzelf daardoor af te scheiden van het ware volk; de afgelopen jaren is een half miljoen Hongaren vertrokken). Op deze manier zal een PiS-regering of een Fidesz-regering niet alleen een PiS-staat of een Fidesz-staat in het leven roepen, maar ook proberen een PiS-volk en een Fidesz-volk te creëren. Met andere woorden: populisten creëren het homogene volk in de naam waarvan zij al de hele tijd spraken: het populisme wordt dus zoiets als een self-fulfilling prophecy.

Er schuilt in dit alles een tragische ironie: het populisme dat eenmaal aan de macht is begaat de politieke zonden waarvan het de elites beticht – het buitensluiten van burgers en het onrechtmatig in bezit nemen van de staat. Wat het establishment zogenaamd altijd al heeft gedaan, zullen de populisten uiteindelijk ook doen, zij het met een duidelijke rechtvaardiging en wellicht ook een zuiver geweten. Daarom is het een enorme illusie om te denken dat populisten, als de potentiële leiders van Gray’s ‘revolte van de massa’s’, onze democratieën kunnen verbeteren. Populisten zijn slechts andere elites die proberen de macht te grijpen met behulp van een collectieve fantasie van politieke puurheid.

Dus hoe moeten we nu reageren op de huidige golf van populisme in het Westen? Om te beginnen moeten we ophouden met het ongebreidelde gebruik van de term ‘populisme’. Er is geen reden om Sanders, Corbyn, Syriza en Podemos in dezelfde categorie te plaatsen als Trump, Farage en Erdogan – alleen de laatstgenoemden beweren exclusief het enige authentieke volk te vertegenwoordigen, terwijl de eerstgenoemden louter min of meer plausibele pogingen zijn om de sociaal-democratie opnieuw uit te vinden.

In de tweede plaats moet je populisten bij hun naam noemen: een gevaar voor de democratie, en geen bruikbaar correctief voor te veel elitaire macht, zoals sommige commentatoren naïef veronderstellen. Dit betekent niet dat je moet vermijden je politiek met hen in te laten: het praten met populisten is niet hetzelfde als het praten als populisten. Anders kom je in een paradoxale situatie terecht: omdat populisten buitensluiten, sluiten wij hen zelf buiten; omdat zij hun tegenstanders demoniseren, demoniseren wij hen. In plaats daarvan moet je toegeven dat een aantal van hun klachten gerechtvaardigd kunnen zijn geweest (Erdogan en Chávez hebben niet zelf bedacht dat veel burgers in hun landen van het politieke proces waren buitengesloten; de opkomende ongelijkheid in het Westen is geen verzinsel van de populistische verbeelding).

Ten slotte moet je een open oog hebben voor een echt conflict dat deze tijd kenmerkt (maar dat nauwelijks gaat over ‘de elites tegen het volk’): aan de ene kant staan de pleitbezorgers van meer openheid, aan de andere kant de voorstanders van een of ander soort beslotenheid. Openheid kan poreuzere grenzen betekenen, evenals de erkenning van minderheden binnen een land (een toezegging van meer openheid kan zich ook vertalen in meer handelsverdragen, maar in tegenstelling tot wat de neoliberalen insinueren hoeft dat niet per se). Eisen van beslotenheid kunnen zich voordoen in de vorm van rechtmatige zorgen over de democratie. ‘Het weer in eigen hand nemen van de controle’ is niet noodzakelijkerwijs een populistisch imperatief, terwijl ‘we zijn van ons land beroofd’ waarschijnlijk betekent: ‘De regering is on-Brits of on-Nederlands, op grond van mijn definitie van het Brits of Nederlands zijn’, of: ‘Te veel andere burgers zijn niet blij met ons.’ Er kan ook regelrecht racisme achter schuilgaan, of het verlangen om traditionele hiërarchieën in stand te houden (bij nader inzien blijkt Trumps Making America Great Again te betekenen: ‘Zorg ervoor dat de witte man de dienst blijft uitmaken’).

Het is verleidelijk om te denken dat het enige wat progressieven moeten doen is van deze conflicten een strijd om belangen maken in plaats van een strijd om identiteit, en dat ze kiezers die populisten willen steunen moeten paaien door handelsovereenkomsten voor te stellen die gunstiger zijn voor de arbeiders (en nu het punt moeten benadrukken dat Trumps feitelijke economische beleidsvoorstellen, vooral de enorme belastingverlagingen voor bedrijven en welgestelden, een klap in het gezicht van de arbeidersklasse zijn). Dit alles zal ongetwijfeld deel moeten uitmaken van een antipopulistische strategie. Maar progressieven moeten zich ook op het gevaarlijke terrein van de identiteitspolitiek begeven. Zij moeten argumenten inbrengen tegen de populistische fantasieën over een ‘puur volk’, en in plaats daarvan aantrekkelijke en vooral pluralistische ideeën naar voren brengen over het Brits of Nederlands zijn.


Jan-Werner Müller is hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Princeton en fellow van het Instituut voor Menswetenschappen in Wenen. Zijn boek What Is Populism? verschijnt deze maand bij de Universiteit van Pennsylvania. Dit stuk verscheen eerder in The Guardian. Vertaling: Menno Grootveld


Beeld: Donald Trump tijdens een campagnebijeenkomst in Iowa op 28 september (John Locher/AP/HH)