Kritiek op de elite

Wij zijn de twintig procent

Niets zet zoveel kwaad bloed als een zichzelf ontkennende elite. Een weerwoord tegen het populisme begint met het besef van eigen verantwoordelijkheid.

Medium hh 7031485
Internationaal studentengala, Maastricht © Michel Pellanders / HH

De meest opvallende onthulling in de terugblik van Hillary Clinton op de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 is dat ze overwoog om een universeel basisinkomen op te nemen in haar verkiezingsprogramma. Voordat Hillary presidentskandidaat werd had ze een boek gelezen, With Liberty and Dividends for All: How to Save Our Middle Class when Jobs Don’t Pay Enough. Het antwoord waar de auteur, een ondernemer genaamd Peter Barnes, in dat boek mee komt is een gegarandeerd bestaansminimum voor iedere Amerikaan, te betalen met belastingen op fossiele brandstoffen en financiële transacties. Wekenlang heeft Hillary samen met haar Bill en haar campagneteam op dit plan zitten broeden, maar uiteindelijk lieten ze het varen. ‘We kregen de berekeningen niet rond’, schrijft Hillary in haar memoir What Happened. Uiteindelijk zitten de Verenigde Staten nu met Donald Trump, die de middenklasse denkt te helpen met belastingverlagingen waarvan vrijwel iedere expert zegt dat ze vooral gunstig zijn voor de rijke bovenlaag.

Stel nu, puur als gedachte-experiment, dat het Trump was geweest die een basisinkomen wilde. De kans is groot dat ook hij de begroting niet sluitend had gekregen. Zou Donald J. zich daardoor hebben laten weerhouden? Onwaarschijnlijk. Hij zou een really great universal basic income beloofd hebben, en later wel hebben gezien hoe daarvoor te betalen. Of wellicht had hij het plan uiteindelijk laten varen. Trump-watchers hebben bijgehouden dat van honderden beloften die hij heeft gedaan tijdens de verkiezingscampagne er tientallen binnen honderd dagen gebroken werden. De rest is grotendeels onvervuld. ‘Politiek is de kunst van het haalbare’, meende Otto von Bismarck. Hillary handelde volgens dat motto. Trump, met zijn luchtballonpolitiek, deed het tegenovergestelde.

Een toekomstige cursus ‘leiderschap in tijden van populisme’ zou goed gebruik kunnen maken van deze casus. Hillary, zo zou het begeleidende academische tekstboek uitleggen, werd gehinderd door ‘respect voor institutionele beperking’, zoals de Italiaanse politieke wetenschapper Luigi Guiso dit type gedrag omschrijft in een recent onderzoek naar populisme. Hillary wilde geen plan presenteren zonder solide doorrekening en liet zich leiden door gevestigde denkkaders. Op de tekentafel kan alles, ook de banken en de fossiele industrie zo zwaar belasten dat je er een basisinkomen mee kunt betalen. Maar de normen van het gematigde politieke midden schrijven voor dat je ook de belangen van die sectoren meeweegt, en dat je altijd kijkt naar wat de macro-economische effecten zijn.

Een populist, zo vervolgt het tekstboek, begint met grote plannen en maakt zich niet direct druk om de uitvoering. Hij zal mensen geld in de zakken beloven, de grenzen sluiten, de natie great maken. Deze stijl van politiek heeft de institutionele beperking niet al van tevoren ingebakken in het eigen denken. Pas later blijkt dan dat er een lang onderhandelingsproces nodig is om internationale samenwerking op te zeggen, bijvoorbeeld, of dat er rechtsstatelijke grenzen zijn aan wat politici kunnen doen.

Het is niet vreemd dat een samenleving die een deugd heeft gemaakt van ‘out of the box’-denken een vorm van politiek baart die daarbij aansluit. Het is wat vrijwel alle populistische invechters in de westerse democratieën doen: afwijken van de consensus en plannen voorstellen die buiten de kaders van de gevestigde orde vallen. ‘Padafhankelijkheid’ is een term uit de economische wetenschap om aan te duiden dat iedere beslissing wordt gevormd door het verleden. Het politieke midden denkt op die manier: sleutelen aan de bestaande Europese Unie, banken redden omdat ze zo nauw verweven zijn met de economie, zoeken naar manieren waarop verschillende culturen kunnen samenleven binnen de grenzen van één land. Die politiek zit nu in het defensief. Winst wordt er geboekt door leiders die beloven een nieuw pad in te slaan. De grote vraag is hoe het midden moet terugvechten.

Het begint met beseffen wat het grote thema is van de politieke revolte. Wat al deze politieke uitdagers met elkaar verbindt, is het inhaken op een anti-elitediscours, zegt Cas Mudde, populisme-expert verbonden aan de Universiteit van Georgia. ‘Ze maken een moreel onderscheid tussen een nobel en homogeen volk en een elite die dat volk dwars zit, zowel economisch als sociaal.’ Die trend wordt gedreven door meer dan enkel populisme, benadrukt Mudde. ‘In de VS stemde negentig procent van de Republikeinen op Trump. Dat was dus gewoon een partijstem. En steun voor de Brexit kwam niet alleen van Ukip, maar ook van de achterban van de gevestigde partijen. Het was een protest tegen de pro-Europese elite. De kern is echt een tegenstelling tussen elite en volk die volstrekt genormaliseerd is geraakt in de politiek.’

De vraag is vervolgens wie er tot de elite behoort. Het ging de afgelopen jaren vaak over de ‘één procent’. Een kleine groep plutocraten die als anonieme poppenspelers de politiek en de mondiale economie bedienen en daar vooral zelf beter van worden. Occupy Wall Street, de protestbeweging die in 2011 in steden overal ter wereld pleinen in bezit nam om te protesteren tegen uitwassen van het mondiaal kapitalisme, heeft sterk bijgedragen aan het denken in termen van een superelite versus de rest. ‘Wij zijn de 99 procent’, was hun slogan.

Het is tijd voor een breder elitebegrip. Alle aandacht voor de één procent betekende dat de rest van de elite zich niet aangesproken hoefde te voelen. Dat is in ieder geval de overtuiging van Richard Reeves, onderzoeker bij de denktank Brookings en auteur van Dreamhoarders: How the American Upper Middle Class Is Leaving Everybody Else in the Dust and What to Do about It. Volgens Reeves is niet zozeer de één procent het probleem, maar de hogere middenklasse die daar onder zit: grofweg de meest welvarende twintig procent van de bevolking. Deze groep bestaat volgens Reeves uit ‘bijna iedereen met een wetenschappelijke titel voor zijn naam’.

‘Gedurende de week stel ik ongelijkheid aan de kaak, maar in mijn avonden en weekenden draag ik er juist aan bij’

Het is een klasse van hoogopgeleide kenniswerkers, ambtenaren en ondernemers. Ze sturen hun kinderen naar goede scholen en kopen huizen in goede buurten waar ze vooral elkaar tegenkomen. Ze helpen de kinderen van vrienden aan stageplekken en banen. Op die manier, schrijft Reeves, legt deze elite een ‘glazen vloer’ onder de voeten van haar kinderen. Een bodem die voorkomt dat hun nageslacht lager op de sociaal-economische ladder eindigt dan zijzelf en die opwaartse mobiliteit verhindert. Vandaar dat Reeves ze als ‘dromenvangers’ bestempelt, met een knipoog naar the American dream. In het streven naar een stabiel middenklassebestaan voor iedereen geeft een kleine bovenlaag de volgende generatie een voorsprong die bijna niet meer in te halen valt.

Het grote probleem met de dreamhoarders is dat ze zichzelf niet beschouwen als bovenmatig geprivilegieerd, licht Reeves toe in een interview. ‘Het zijn mensen zoals jij en ik, die hard werken, tijd en energie in hun opleiding hebben gestoken. Ze hebben het idee dat ze hun positie zelf hebben verdiend. Op zich klopt dat idee, maar het probleem is dat ze met die overtuiging uiteindelijk bijdragen aan ongelijkheid. De twintig procent is zich prima bewust van ongelijkheid en het ressentiment dat dat uitlokt, maar ziet niet welke rol ze speelt in het in stand houden ervan.’

In zijn boek citeert Reeves een vriend, een progressieve publicist met oog voor sociale tegenstelling, die net als iedereen het beste wil voor zijn kinderen. ‘Gedurende de week besteed ik mijn tijd aan het aan de kaak stellen van ongelijkheid, maar in mijn avonden en weekenden draag ik er juist aan bij.’ Dat getuigt van inzicht in hoe individuele keuzes de kloof tussen de elite en de rest vergroten.

Reeves, een Brit die naar Amerika verhuisde in de hoop een samenleving met minder rigide klassenstructuren te treffen, richt zich op de situatie in de VS, maar ook in Nederland lijkt er sprake van dromenvangers. Vorig jaar publiceerde de Onderwijsinspectie een alarmerend rapport waaruit bleek dat kinderen uit hoogopgeleide gezinnen structureel hoger op de onderwijsladder eindigen dan leeftijdgenoten zonder gediplomeerde ouders. Dat verschil in uitkomsten kon niet worden toegeschreven aan verschil in talent. Ondanks gelijke intelligentie valt het middelbare-schooladvies van docenten gemiddeld lager uit voor kinderen uit laagopgeleide gezinnen, zo bleek.

Een van de redenen voor deze kloof is dat hoogopgeleide ouders meer betrokken zijn bij de opleiding van hun kinderen, zo rapporteerde de Inspectie. Ze stappen eerder naar de docent om te pleiten voor een hoger middelbare-schooladvies, bijvoorbeeld. In hoogopgeleide gezinnen wordt meer nagedacht over wat een goede school is. Ook is de bereidheid (en de mogelijkheid) om iedere morgen een flinke afstand af te leggen naar de juiste school, of daar zelfs voor te verhuizen, groter bij hoogopgeleiden. Medische keuringen in het geval van tegenvallende onderwijsresultaten komen vaker voor bij deze groep en ze zijn de voornaamste afnemer van bijscholing en huiswerkbegeleiding. Het resultaat is een tweesporensamenleving waarin, zoals de Onderwijsinspectie het treffend omschreef, dezelfde talenten leiden tot verschillende uitkomsten.

Ook in economisch opzicht lijkt de scheidslijn tussen de hogere middenklasse en de rest van Nederland een probleem. Nagenoeg iedereen heeft de gevolgen van de economische crisis van 2008 gevoeld in de vorm van hogere belastingen, minder uitkeringen en haperende loonontwikkeling. Maar de hogere middenklasse is er als enige in geslaagd om de dans te ontspringen, zo blijkt uit Poorer than Their Parents? A New Perspective on Income Inequality, een rapport uit 2016 van adviesbureau McKinsey. Van zeventig procent van de bevolking was het inkomen gelijk gebleven of gedaald sinds 2005. Alleen de groep daarboven is in de afgelopen tien jaar meer gaan verdienen. Verandert er niets, dan wacht vier op de vijf burgers ook de komende tien jaar een dalend inkomen.

Medium par218457
Nachtclub, Île-de-France © Harry Gruyaert / Magnum / HH

Dit soort onderzoeken laten zien waarom wrok tegen de elite ook kan leven in Nederland, dat nog altijd tot de meest gelijke, welvarende en tevreden landen ter wereld behoort. Behalve door ongenoegen over concrete kansenongelijkheid en economische tegenstellingen wordt de anti-elitestem ook gedreven door een subtiel psychologisch mechanisme. In een recent onderzoek naar het stemgedrag van Europese kiezers komen de politieke wetenschappers Noam Gidron en Peter Hall tot de conclusie dat een keuze voor populistisch links of rechts vooral wordt gedreven door het gevoel achtergesteld te zijn ten opzichte van anderen. Het gaat om een gevoel van erbij horen, zowel economisch als cultureel. Minder rooskleurige vooruitzichten voor de toekomst of een veranderende samenleving maken mensen onzeker, maar die onzekerheid slaat pas om in woede op het moment dat blijkt dat anderen vooruit komen terwijl jij stilstaat.

Als de elite maatschappelijke tegenstellingen wil tegengaan, moet ze bereid zijn de eigen enclave te verlaten

Dat, zoals Richard Reeves betoogt, het grootste deel van de elite zichzelf ziet als meritocraten die hun eigen positie verdiend hebben, wakkert deze ontevredenheid verder aan. Er zit een verborgen verwijt in het ontkennen van de natuurlijke voorsprong die de elite heeft. Een situatie waarbij twintig procent er wel in slaagt te klimmen op de sociaal-economische ladder en de rest niet suggereert dat die tachtig procent ergens tekortschiet. Dat is het verborgen verwijt in ons systeem waarin talent beloond wordt. Een meritocratie biedt geen verzachtende omstandigheden voor falen anders dan een gebrek aan talent en inzet, zo concludeerde de socioloog Daniel Bell al in zijn essay uit de jaren zeventig On Inequality and Meritocracy. Een populistische revolte tegen elites was volgens Bell dan ook op den duur haast onvermijdelijk.

Die opstand is inmiddels al geruime tijd aan de gang. De meerderheidsstem voor de Brexit in het Verenigd Koninkrijk, waarbij Brexiteer Michael Gove de inmiddels beroemde woorden sprak dat ‘mensen genoeg hebben van experts’ is een voorbeeld. Net als de VS, waar stormram Trump aankondigde ‘het moeras’ van Washington te zullen legen ten gunste van het Amerikaanse volk. In Nederland was het Oekraïne-referendum een moment waarop het kamp dat de bestaande orde wilde breken aan het langste eind trok. De afgelopen Tweede-Kamerverkiezingen hebben weliswaar een centrum-rechts kabinet opgeleverd, maar een vijfde van de bevolking stemde op de pvv. Forum voor Democratie, dat belooft het ‘partijkartel’ open te breken, maakte zijn debuut en lijkt sindsdien de wind in de zeilen te hebben.

In veel westerse democratieën, kortom, hebben anti-elitesentimenten inmiddels hun politieke vertegenwoordiging gevonden. Het feit alleen al dat burgers in groten getale stemmen op partijen die hun eigen gelijk claimen door zich af te zetten tegen een bovenlaag die in hun ogen de weg kwijt is, betekent dat de elite zich dit moet aantrekken en een antwoord moet verzinnen. En het liefst een antwoord dat verder gaat dan ‘we moeten het beter uitleggen’. Het groeiende inzicht in de maatschappelijke onderstromen die de elite en de rest uiteen drijven biedt daarvoor aanknopingspunten. En op sommige punten kan het helpen de kunst af te kijken van de populisten. Een definitief handvest ‘hoe te reageren op elitekritiek’ bestaat niet, maar de volgende vuistregels zouden er in ieder geval in moeten staan.

Eén. Doe niet alsof de elite niet bestaat. Het valt niet te ontkennen dat de bovenkant onder een eigen economisch gesternte leeft. De bovenste twintig procent heeft tachtig procent van al het vermogen in bezit en ze heeft de afgelopen tijd als enige dat vermogen zien groeien. Van alle andere inkomensgroepen is het vermogen geslonken, zo berichtte het Centraal Planbureau in 2016. Alle inkomensgroepen in Nederland zijn in de afgelopen tien jaar meer belasting gaan betalen, behalve de bovenste twintig procent, zo rapporteert McKinsey in Poorer than Their Parents. Besef daarbij dat je makkelijker tot deze elite behoort dan velen denken. De bovenste twintig procent begint bij een gezinsinkomen van ongeveer 77.000 euro bruto. Met twee academische salarissen zit je daar al snel aan.

Twee. De erkenning dat er een geprivilegieerde klasse bestaat zal voor niemand een schok zijn. Er is een simpele verklaring voor de paradox waarom juist de populistische revolte geleid wordt door figuren die zelf zonder meer tot de elite behoren. Het probleem is niet het bestaan van een elite, maar juist het ontkennen ervan. Niets zet zoveel kwaad bloed als een zichzelf ontkennende elite. Het ruiterlijk toegeven van het bestaan van de bovenlaag, met haar expertise en netwerken, is bovendien een goede strategie om de aanval op de elite te pareren. Kijk naar vvd-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff toen hij tijdens het Tweede-Kamerdebat over het regeerakkoord door Thierry Baudet kritiek voor de voeten geworpen kreeg op het partijkartel. Volgens Dijkhoff is het logisch dat je dezelfde namen op verschillende plekken tegenkomt. Ze hebben immers ervaring die gewenst wordt bij bestuursfuncties. Accepteren dat machtsstrijd plaatsvindt tussen verschillende elites met ieder haar eigen opvattingen is een effectieve manier om ervoor te zorgen dat het debat verschuift van de poppetjes naar de inhoud.

Drie. Een betere elite begint bij jezelf. Een belangrijk kenmerk van de huidige elite is dat ze zich afzondert, niet alleen economisch maar ook sociaal. De twintig procent heeft haar eigen buurten, scholen en ontmoetingsplekken. Het gevolg is dat verschillende groepen elkaar steeds minder tegenkomen. Dat leidt tot afname van het wederzijds begrip, zo blijkt uit verschillende onderzoeken van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Als de elite maatschappelijke tegenstellingen wil tegengaan, moet ze bereid zijn de eigen enclave te verlaten.

Vier. Zorg voor een betere politieke afspiegeling. Uit onderzoek van De Groene tijdens de afgelopen Tweede-Kamerverkiezingen naar de samenstelling van de kandidatenlijsten bleek dat er vrijwel uitsluitend hoogopgeleiden op stonden. Bijna tachtig procent had een hbo-diploma of hoger, het merendeel kwam uit de grote steden. In hun boek Nepparlement: Een pleidooi voor politiek hokjesdenken laten de politicologen Armèn Hakhverdian en Wouter Schakel zien dat deze eenzijdige samenstelling van de politiek ervoor zorgt dat veel burgers zich niet vertegenwoordigd voelen. Bredere politieke rekrutering is nodig om verdere vervreemding van de elite te voorkomen.

Vijf. Feiten alleen zijn niet genoeg. De elite moet ook beseffen dat ongenoegen over toegenomen tegenstelling niet weg te nemen is met cijfers en statistiek. Het cbs rapporteerde onlangs dat ongelijkheid in Nederland niet was toegenomen, ondanks de crisis. Dat klinkt mooi, maar een middenklasse die merkt dat haar inkomen maar net toereikend is, overtuig je niet met de boodschap dat de Gini-coëfficiënt niet gestegen is. Statistiek werkt zelden als politiek argument. Ook de internationale vergelijking is hier niet van belang. Dat ongelijkheid in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk groter is, verandert het gevoel in Nederland niet. Bovendien, zoveel verschilt ons land niet van de Angelsaksische wereld. In het onderzoek van McKinsey staat Nederland op plaats vier op de lijst van landen waar de groep met een stagnerend inkomen het grootst is, na de Italianen, de Amerikanen en de Britten.

Zes. Erken ook het culturele ongenoegen. In hun onderzoek naar de populistische stemmer in Europa kwamen Noam Gidron en Peter Hall tot de conclusie dat een stem op radicaal linkse partijen vooral werd gedreven door economische ontevredenheid. Populistisch rechts haalt haar kiezers vooral bij groepen die het idee hebben dat ze in sociaal-cultureel opzicht langs de zijlijn komen te staan. Een groot deel van die groep bestaat uit witte mannen, die moeite hebben zich te verhouden tot een samenleving waarin vrouwen en minderheden een inhaalslag maken. Deze groep wegzetten als uit de tijd draagt bij aan hun gevoel van uitsluiting. Een elite die het vertrouwen terug wil winnen moet dus op twee borden tegelijk schaken en nadenken over een samenleving waarin iedereen zich zowel economisch als sociaal geborgen weet.

Zeven. Je kunt meer dan je denkt. Het zou de elite ook helpen om af en toe het respect voor institutionele beperkingen te laten varen. Redeneren binnen de bestaande kaders (de EU, financiële markten, globalisering) is een onderschatting van de macht die elites hebben. Deze systemen worden gevormd door de elites en dus is het ook aan hen ze te veranderen als daarom wordt gevraagd. Door zich begrensd te verklaren door systemen waar ze zelf een aandeel in heeft (en die in de regel ook nog eens in haar eigen voordeel werken) draagt de elite bij aan zelfontkenning. Daarom zijn protestpartijen zo in trek: ze beloven bevrijding van bestaande instituties waarmee de elite verknoopt is.

Tot slot, acht. Denk na hoe de elite van de toekomst gevormd wordt. Is ze open of wordt ze vooral gerekruteerd uit het nageslacht van de huidige elite? Daniel Bell waarschuwde in On Inequality and Meritocracy voor een ‘oligarchisering van de elite’. Die treedt op als kinderen van de elite een voorsprong krijgen die niet meer kan worden ingehaald. Dat vraagt om terughoudendheid van ouders om hun eigen kroost een extra zetje te geven binnen de bestaande onderwijssystemen. De huidige bovenlaag moet zich nu verweren tegen de kritiek dat ze naar binnen gericht is en onvoldoende zorg draagt voor het algemeen belang. Ze is aan de volgende elite verplicht ervoor te zorgen dat dat verwijt niet in de toekomst snijdt.