Rijksmuseum De geschiedenis van Nederland in honderd voorwerpen

‘Wij zijn de voogden dier millioenen’

Conservator Gijs van der Ham koos honderd opmerkelijke voorwerpen uit de collectie van het Rijksmuseum om het grote verhaal van Nederland te vertellen. Objecten als een kraag, een beeld van een Javaan en een boekomslag.

Linnen plooikraag
Ze zijn op tal van zeventiende-eeuwse schilderijen te zien: mannen en vrouwen die om hun hals een witte kraag dragen. Vaak zijn die kragen dik, soms opvallend groot. Ze bepalen het beeld dat velen van een zeventiende-eeuwer hebben. Zo’n kraag kon allerlei vormen aannemen, al waren ze altijd wit. Soms liggen ze bescheiden op de schouders en bestaan ze uit één ragfijn laagje kant dat rijk bewerkt kan zijn, maar ook vaak glad is. Soms zijn ze fors, vol strak gesteven plooien. Soms bestaan ze juist uit plooien die nonchalant en luchtig in laagjes op en over elkaar lijken te liggen, maar toch de kraag een stevige volte geven. In alle gevallen gaat het om een verschijnsel waarmee men zijn status als iemand van goede komaf benadrukte. Het waren gebruiksvoorwerpen. Ze werden gedragen, ze sleten, ze waren van nature al kwetsbaar.

Geen wonder dat er nauwelijks zo’n kraag bewaard bleef. Het Rijksmuseum prijst zich gelukkig één zo’n fragiel voorwerp in zijn collectie te hebben. Het is het enige voorbeeld van dit type dat, voorzover bekend, nog over is. Dit type plooikraag wordt in het Frans à la confusion genoemd. De plooien liggen er quasi-­slordig bij, ogenschijnlijk in confusion, verwarring. Ze dansten ongetwijfeld op en neer wanneer de drager zich bewoog. Geen twijfel aan: dat werd toen elegant gevonden.

De kraag is van linnenbatist gemaakt, de meest verfijnde linnensoort die bestond, geweven van het beste vlas dat er te vinden was. Een lange strook van maar liefst 19,5 meter is in plooien bevestigd aan een boord van wat grover linnen. Aan de bovenkant is een kleine versiering geborduurd en ook zijn hier met een rood zijden draadje de initialen ‘cy’ aangebracht. Als deze cy de eigenaar is geweest, dan zal hij – want dit type werd vooral door mannen gedragen – de kraag om zijn hals hebben gelegd en van voren hebben laten dichtknopen; hiervoor zijn aan de binnenkant twee gaatjes vrijgehouden, waar een draad doorheen steekt. Aan alle zijden stak de kraag zo’n tien centimeter uit. Hoe dat eruitzag is te zien bij Rembrandts portret van dominee Wtenbogaert uit 1633.

De plooikraag was niet alleen in de Nederlandse Republiek populair. De grote gesteven kraag, ook bekend als molensteenkraag, is in de tweede helft van de zestiende eeuw geïntroduceerd door Spanjaarden die in de Zuidelijke Nederlanden aan het hof en in de handel werkzaam waren. De al langer bestaande, omvangrijke Vlaamse textielnijverheid kon goed op deze nieuwe mode inspelen, ook omdat in Vlaanderen veel vlas werd verbouwd. Vanuit die regio is de kennis hierover naar het noorden gekomen. Tienduizenden Zuid-Nederlanders hadden in de laatste decennia van de zestiende eeuw om godsdienstige of economische redenen besloten om huis en haard te verlaten en elders, vaak in Holland en Zeeland, opnieuw te beginnen.

De verhuizing van al die mensen betekende ook een verplaatsing van kennis en talent, van geld en van bedrijven. Haarlem profiteerde vooral van de komst van talrijke Vlaamse en Brabantse linnenwevers, waardoor de hier al bestaande bedrijfstak een ongekende groei zou beleven, zowel in aantallen als in kwaliteit. De zuiderlingen brachten de kennis met zich mee om hoogwaardige linnen weefsels te vervaardigen, zoals damast en batist, en beschikten bovendien over contacten om deze luxe­artikelen te verkopen. Hun netwerken reikten veel verder dan die van hun Hollandse collega’s. De bevolking van Haarlem groeide tussen 1570 en 1620 van achttienduizend tot veertigduizend inwoners. Tussen 1578 en 1609 was bijna de helft van de nieuwe lidmaten van de gereformeerde kerk van Brabantse of Vlaamse herkomst en van de jonggehuwden kwam zelfs iets meer dan de helft daar vandaan. Velen van hen werkten in de linnenweverij, linnenblekerij of linnenhandel.

De kans is dan ook groot dat de bewaard gebleven plooikraag bestaat uit in Haarlem vervaardigd linnen dat in Haarlem tot een kraag is verwerkt. Buiten de stad waren tegen de duinen aan grote bleekvelden te vinden. Dit bleken was een ingewikkeld, kostbaar en langdurig proces, hoogwaardig linnen moest zo wit mogelijk zijn. Dit soort luxe stoffen werden uitgevoerd naar landen als Frankrijk, Engeland, Spanje en Italië. Maar ook in de Republiek zelf vonden deze luxeproducten afzet, want de Zuid-Nederlanders hadden ook hun levensstijl naar het noorden meegenomen en die miste zijn invloed op de autochtone bevolking niet. De populariteit van de kraag à la confusion, die in het noorden omstreeks 1600 in zwang raakte, is dan ook aan deze immigranten te danken. Natuurlijk werd de kraag eerst populair bij jonge mannen, maar later vielen oudere, gedistingeerde heren er ook voor, zoals uit Rembrandts portret van de remonstrantse dominee Johannes Wtenbogaert blijkt.

Veel van zijn collega’s van de officiële gereformeerde kerk moesten van dit soort modeverschijnselen trouwens niets hebben. Zij zagen dit als louter uiterlijk vertoon en daarmee als een frivoliteit, een aantasting van de gewenste nederigheid en zedigheid. Anderen bespotten juist het veranderende straatbeeld. Zo zette de Amsterdamse dichter Gerrit Bredero in 1616 met veel succes in zijn satirische toneelstuk De Spaanse Brabander de nieuwe Zuid-Nederlandse inwoners van zijn stad als spreekwoordelijk wuft en ijdel te kijk. De autochtone ­Amsterdammer kwam er bij hem trouwens niet veel beter van af. Portretten van Nederlanders uit de vroege zeventiende eeuw maken op ons vaak helemaal geen luxueuze indruk. ­Integendeel, de zwarte kleding met witte kraag lijkt eerder eenvoudig. Maar dat is dus schijn. Niet alleen die kragen waren gemaakt van uiterst kostbaar materiaal dat veel deskundige arbeid vergde, ook voor de zwarte stoffen gold dat. Die ­bestonden uit tal van varianten en kwaliteiten.

Tijdgenoten hadden die verschillen heel goed door. Zo zullen zij ook aan deze kraag de kwaliteit heel goed hebben afgezien en de onbekende drager hebben kunnen plaatsen in de maatschappelijke hiërarchie van hun dagen. Bij een stadse status hoorde een kraag. Het was een bij uitstek stedelijk product, bestemd voor de burgers die het land bestierden en de economie tot grote hoogte opzweepten. Daarom lieten ze zich op al die portretten in hun beste kledij en met hun kraag vereeuwigen.

Javaan met motor
In 1914 betrok de handelsfirma Lindeteves-Stokvis aan het Amsterdamse Jan Willem Brouwersplein, nu Concertgebouwplein, een nieuw, imposant hoofdkantoor. Het bedrijf was ontstaan uit twee ondernemingen die in de jaren hiervoor groot waren geworden in de handel met Nederlands-Indië. De bezoeker van het nieuwe gebouw zal dit niet ontgaan zijn, want bij de entree trof hij dit beeld aan. In een ­brochure over het kantoorgebouw dat de firma uitgaf, werd het als volgt omschreven: ‘Reeds dadelijk treft ons de aanblik van het door M.J. Rien Hack uit zandsteen gehouwen beeld van een Javaan. De figuur in zittende houding heeft een model van den Bronsmotor in de handen. Met belangstelling beschouwt de zoon van het zonnige land het product van Nederlandsche nijverheid, dat Indië wordt toegezonden.’

Het met sokkel één meter twintig hoge beeld moet voor de succesvolle firma de kern van haar activiteiten hebben weerspiegeld, anders zou het niet zo prominent bij de hoofdingang zijn neergezet. Lindeteves leverde onder veel meer een hele reeks van machines met toebehoren aan Nederlands-Indië, afkomstig uit allerlei fabrieken. De Bronsmotor was een Nederlands product dat sinds 1907 in Appingedam werd gemaakt. Deze motor was een vereenvoudigde, goedkopere en zuiniger versie van de diesel­motor. De bediening kon ‘zonder eenig bezwaar aan inlandsch personeel worden overgelaten’ stond in een verkoopcatalogus van Lindeteves, dat er duizenden van verkocht. Ze draaiden onder meer in grote thee- en suikerfabrieken op het Javaanse platteland.

Het beeld drukt niet alleen de modernisering en mechanisering van de kolonie uit, het laat tegelijkertijd zien hoe superieur het Westen ten opzichte van Azië meende te zijn. De Javaan is hier op z’n allereenvoudigst gekleed en toont zich diep onder de indruk van het Europees vernuft dat op zijn schoot rust. Tegelijkertijd straalt hij een als typisch oosters beschouwde contemplatie uit. De beeldhouwer lijkt zich te hebben laten inspireren door uit Java afkomstige boeddhistische beelden, die ook in Nederland te zien waren.

Hack was niet de enige die bewondering toonde voor de oorspronkelijke culturen in de archipel. Veel overtuigde kolonisatoren deelden zijn fascinatie, net zoals velen zich bekommerden om het lot van de bevolking. Multatuli was omstreeks 1860 lang niet de enige geweest die meende dat Nederland een taak had om de bevolking tegen de onderdrukking door lokale vorsten te beschermen. Maar de toen genomen maatregelen hadden wel tot een liberalisering van de economie geleid, maar niet vanzelfsprekend tot een beter lot van de inwoners. Ook particuliere ondernemingen keken immers vooral naar winst. Op Java konden veel boeren niettemin hun voordeel doen bij de groeiende belangstelling voor thee en suiker, want niet al het land was in Europese handen. Hetzelfde ging in toenemende mate gelden voor andere gebieden, waaronder delen van Borneo en Sumatra.

De grote uitzondering vormde Sumatra’s oostkust, het gebied waar met succes tabak werd verbouwd en waar vervolgens een enorme rubberteelt van de grond was gekomen. Doordat dit gebied dunbevolkt was, bracht het succes een schrijnend tekort aan arbeidskrachten met zich mee. Tabakspionier Jacob Nienhuys vond de oplossing door hier Chinese arbeiders heen te halen. In 1881 werkten er ongeveer vijftienduizend Chinezen, onder armzalige condities en in erbarmelijke omstandigheden. Ze werden koelies genoemd. Hun lot was nauwelijks beter dan dat van slaven. Ook uit het over­bevolkte Java werden arbeidskrachten gehaald. Andere arbeidsintensieve bedrijven, zoals de tin­winning, maakten eveneens veelvuldig van koelies gebruik.

De kapitalen die zo werden verdiend begonnen na enige tijd te schrijnen, zeker naarmate meer over het lot van de koelies naar buiten kwam. In 1904 verscheen bovendien een officieel rapport waarin tal van misstanden werden opgesomd. Het zou de aanleiding zijn tot tegenmaatregelen. Geleidelijk aan traden toen verbeteringen in.

De verontwaardiging over de behandeling van de koelies ging gelijk op met de ontwikkeling van een nieuwe politiek ten aanzien van de kolonie. Terwijl sommige delen van de archipel nog met harde hand onder Nederlands gezag werden gebracht, sprak koningin Wilhelmina in 1901 in haar troonrede uit dat Nederland tegenover de inlandse bevolking ‘een zedelijke roeping’ had. Die uitspraak sloot aan bij een artikel dat twee jaar daarvoor in het tijdschrift De Gids was verschenen en de titel Een eereschuld droeg. Hierin betoogde de jurist Van Deventer dat het tijd werd om de miljoenen guldens die Nederland uit zijn kolonie had gehaald, terug te geven in de vorm van onderwijs en het verbeteren van zowel de leefomstandigheden als de economische positie van de Indonesiërs. ‘Wij zijn de voogden geworden dier millioenen (…), wij moeten het kind opvoeden tot een man’, sprak een Nederlandse parlementariër in 1901, die met dat kind de plaatselijke, ‘inlandse’ bevolking bedoelde.

Deze houding ging bekendstaan als de ‘ethische politiek’. Ze leidde tot de oprichting van scholen, tot verbetering van de irrigatie van landbouwgronden, tot een betere infrastructuur en een meer aanwezige, want actieve koloniale overheid. Het beeld van Hack kan wellicht worden beschouwd als een concrete belichaming van deze politiek. Het laat immers zien dat een gecompliceerd westers product de eenvoudige inlander ter hand is gesteld. Hiermee zou hij zich verder kunnen ontwikkelen en van die ontwikkeling zal het Nederlandse bedrijf weer profiteren. Maar of een dergelijke betekenis echt heeft meegespeeld bij het besluit van de eigenaren juist zo’n beeld bij hun hoofdingang te plaatsen, weten we niet. Er is geen motivering van Lindeteves voor deze opdracht bekend.

Ondertussen ontwikkelde zich naast de inheemse samenlevingen een echt koloniale en moderne maatschappij, vooral in de uitdijende steden. Een groeiend aantal Nederlanders koos voor een toekomst in Indië en er kwamen steeds meer mannen en vrouwen die – min of meer als gevolg hiervan – van gemengde bloede waren, ‘Indisch’ waren. Later zou men de decennia rond de eeuwwisseling als ‘tempo doeloe’ aanmerken, een ‘goede oude tijd’ waarnaar men vaak hevig kon terugverlangen. Maar binnen die koloniale samenleving bleven de afstanden tussen de bevolkingsgroepen groot. De verschillen waren immens en dat maakte vooral de positie van nakomelingen uit gemengde relaties vaak lastig. Ze dreigden nogal eens tussen wal en schip te vallen en noch door de Europeanen noch door de inlanders volledig te worden geaccepteerd.

Het kolonialisme had eilanden samengebracht die voordien vaak heel weinig met elkaar te maken hadden. Nederlands-Indië was een gemaakt land dat ondanks alle mooie woorden ten dienste van de kolonisator stond. Voor de meeste Nederlanders was dat iets vanzelfsprekends, net zoals het vanzelfsprekend kon zijn om midden in Amsterdam bij de ingang van een kantoorgebouw een Javaan aan te treffen. Nederlands-Indië was onderdeel geworden van de Nederlandse samenleving, maar daar bleef het bij. Die Javaan zelf was in Amsterdam een vreemde.

Omslagontwerp
voor Ik Jan Cremer
Het boek sloeg in als een bom. En dat terwijl de nagenoeg onbekende auteur tot dan toe alleen nog maar twee fragmenten uit zijn boek in tijdschriften had gepubliceerd. Maar Jan Cremer was meer dan overtuigd van zichzelf. Al in 1959 had hij, negentien jaar oud, besloten dat zijn leven zo interessant was dat het door hemzelf moest worden opgeschreven. Hij was inmiddels, zo jong als hij was, al naar buiten getreden als een eigenzinnig schilder en had niet onder stoelen of banken gestoken een beroemd kunstenaar te zullen worden.

Van zijn kwaliteit als schrijver was hij al even overtuigd. Dankzij de schrijver W.F. Hermans was het hem gelukt De Bezige Bij, een van de meest prestigieuze literaire uitgeverijen, voor zijn boek te interesseren, ook al was dat toen nog lang niet af. En ook daar bleef het boek zíjn project. De titel Ik Jan Cremer is behalve typerend voor de inhoud – het ging om hem – ook symbolisch voor de manier waarop hij ermee naar buiten trad. Het komt al zelden voor dat titel en auteur samenvallen, even ongebruikelijk is het dat de auteur zelf pontificaal op het omslag staat afgebeeld, zeker wanneer niemand hem nog kent, en het was uitzonderlijk dat Cremer het uiterlijk van het boek helemaal zelf ontwierp. Hij had zelfs bedacht dat er meteen al op moest staan dat het een ‘onverbiddelijke bestseller’ was, al was er nog geen exemplaar van verkocht.

Vele varianten van het omslag zouden de revue passeren, maar de opzet stond al vroeg vast. Met plakband, inmiddels vrijwel vergaan, is eind 1963 het definitieve ontwerp in elkaar gezet. De foto had hij volgens zijn eigen ideeën laten maken door zijn vriend Wim van der Linden. De motorfiets, een Harley Davidson Liberator, had hij van een buurtgenoot geleend die bij de marechaussee werkte. Hier staat iemand die de wereld gaat veroveren, en wellicht al veroverd heeft. De typografie had Cremer eveneens zelf bepaald en moest doen denken aan Amerikaanse posters waarmee in de Wild West boeven en schurken werden gezocht. ‘Letters paars’ heeft hij ernaast geschreven, en zo is het ook uitgevoerd.

Dit alles zou slechts een voetnoot in de (literaire) geschiedenis zijn als het boek ook niet werkelijk een bestseller was geworden. De eerste druk van vijfduizend exemplaren was in een week uitverkocht, nog voor het eind van het jaar was de magische grens van honderdduizend exemplaren gepasseerd. Vooral de vele seksscènes die de auteur in gewone straattaal beschreef en het verslag van zijn vrijgevochten bestaan tijdens zijn reis met zijn Harley door Europa, droegen hieraan bij. Maar behalve met de inhoud van het boek had het succes ook alles te maken met de manier waarop het naar buiten was gebracht. Ook hierin had Cremer zelf de hand gehad. Hij had bewust een sfeer gecreëerd die in het verlengde van de inhoud lag: een sfeer van rebellie en onaangepastheid, van schoppen tegen heilige huisjes en bravoure, van schandaal en mythevorming. Het doel was bereikt: Jan Cremer stond in het middelpunt, hij was beroemd.

Zelfs dit zou nog een voetnoot zijn wanneer de 23-jarige Cremer met zijn boek niet ook als een symbool van verandering kan worden gezien – een beeld dat hij eveneens zelf voedde. Dit blijkt misschien vooral uit de talrijke negatieve reacties. Zelfs in het bestuur van De Bezige Bij werd het als ‘een fascistisch rotboek’ weggezet dat daar nooit had moeten verschijnen. De Leidse hoogleraar algemene literatuurwetenschap J.G. Bomhoff verwoordde de bezwaren eind 1964 in de Haagse Post misschien nog het duidelijkst. Hij waarschuwde tegen de ‘levensstijl’ die uit dit boek naar voren kwam, want hierin ‘wordt de seksualiteit, los van de liefde, als waarde in zichzelf gepropageerd. Dit gaat rechtstreeks in tegen de christelijke ethiek en, in ruimere zin, tegen het Nederlandse cultuurpatroon.’

Cremers boek kon aanslaan omdat het weerklank vond bij zijn eigen generatie en bij de vele jongeren die op dat moment volwassen werden. In zijn algemeenheid kun je zeggen dat zij zich probeerden te ontworstelen aan de naoorlogse mentaliteit van wederopbouw en zuinigheid die later wel met de term ‘spruitjeslucht’ is gekarakteriseerd. Natuurlijk is het normaal dat een jonge generatie zich tegen de vorige afzet, maar in de jaren zestig gebeurde dit heftiger dan over het algemeen het geval is. Wat in elk geval meespeelde was dat na jaren van geploeter het de westerse wereld en dus ook Nederland rond 1960 economisch zeer voor de wind ging. Dit leidde tot gezapigheid, maar ook tot nieuwe uitdagingen en mogelijkheden. De voorspoed zorgde ervoor dat de radio wijdverspreid raakte en dat vanaf de jaren vijftig de televisie gemeengoed werd. Meer dan ooit brak hiermee de wereld in de huiskamers door.

Met zijn rebelse en provocatieve houding stond Jan Cremer niet alleen. In Amsterdam ontstond zelfs een beweging die zich doelbewust ‘provo’ noemde en het gezag voortdurend probeerde uit te dagen. Provo streefde een andere mentaliteit na, richtte zich tegen de consumptiemaatschappij en wilde vrijheid, veel meer vrijheid. De behoefte hieraan bleek bij veel meer mensen te leven. Op seksueel gebied kreeg die vrijheid een kans door de introductie van de anticonceptiepil in 1963, in dezelfde tijd dat Cremers boek verscheen.

Cremer en provo bleken topjes van een ijsberg. Bestaande zekerheden verdwenen als sneeuw voor de zon, taboes leken soms in hun tegendeel te verkeren. Oppassend burgerschap en gehoorzaamheid aan kerkelijke of politieke leiders waren geen algemeen aanvaarde deugden meer. Verzuilde organisaties wankelden, en met hen het openbaar gezag. Kranten sneden hun traditionele banden met partijen en geloofsgemeenschappen door en met D’66 kwam in 1966 een nieuwe partij op die bewust ongebonden en pragmatisch was.

Wat zich in Nederland afspeelde, gebeurde ook in veel andere westerse landen. Maar Nederland bleek verhoudingsgewijs wel heel rigoureus met zijn naar binnen gekeerde, nogal brave karakter te breken. Aan het eind van de jaren zestig had Nederland zich ontpopt tot een opvallend progressief land dat openstond voor experimenten. ‘Conservatief’ was een vies woord geworden. Zonder Jan Cremer en zijn boek hadden deze veranderingen zeker ook plaatsgevonden, maar Ik Jan Cremer is wel heel typerend en symbolisch voor wat in de lucht hing. Schrijver en boek zochten de grenzen op, doorbraken taboes, claimden hun eigen vrijheid en zetten de zaken naar hun hand. De tijd was er rijp voor.


Gijs van der Ham (1955) is historicus en senior conservator bij de afdeling geschiedenis van het Rijksmuseum. Hij promoveerde in 1990 op Zeeland 1940-1945 en schreef 200 jaar Rijks­museum (2000). In 2007 maakte hij in De Nieuwe Kerk Amsterdam de tentoonstelling Held over heldenverering in Nederland. De geschiedenis van Nederland in 100 voorwerpen verschijnt 11 april bij De Bezige Bij