Het ambivalente zionisme van Ari Shavit

‘Wij zijn een klein en eenzaam volk’

Noem ze ‘neozionisten’, Israëliërs die trots zijn op hun land maar de wandaden in naam van het zionisme niet onder het tapijt willen vegen. Journalist en schrijver Ari Shavit is zo iemand. ‘Alle westerse volken hebben bloed aan hun handen, en meer dan wij.’

Medium israelnyc148324

Wie vanaf de Herzlberg in West-Jeruzalem om zich heen kijkt, ziet een vredig landschap. Een bebost dal, met daarachter een andere berg, al even sereen. Bezoekers van Yad Vashem genieten dagelijks van dit uitzicht, want het holocaustmuseum ligt boven op de Herzlberg, vlak naast de graftombe van Theodor Herzl, een waar bedevaartsoord voor zionisten.

In Yad Vashem worden bezoekers via een onderaardse gang langs de zwartste hoofdstukken van de Tweede Wereldoorlog geloodst. Tegen het einde loopt de vloer omhoog, je krabbelt als het ware weer op, de stijgende lijn mondt uit in een weids balkon met zijbeuken in de vorm van vleugels. Een panoramische blik op het Judese hoogland ontvouwt zich. De symboliek is van een meesterlijke eenvoud. Het joodse volk dat uit zijn as herrees in Israël.

Wat bezoekers níet zien als ze op dat balkon staan, is een dorpje genaamd Deir Yassin. Het lag pal tegenover de Herzlberg. Op 8 april 1948 werd het ingenomen door de Sterngang en de Irgun, joodse terreurgroepen. Elitestrijders van de Haganah, de voorloper van het Israëlische leger, hielpen mee. De soldaten vertrokken weer, de militieleden bleven en richtten een bloedbad aan: zo’n honderd dorpelingen, waaronder vrouwen en kinderen, werden vermoord.

De Israëlische journalist en columnist Ari Shavit (1957), werkzaam bij dagblad Haaretz, noemt het dorp in zijn boek My Promised Land, dat eind vorig jaar uitkwam. Shavit is in eigen land een gerespecteerd commentator, zijn boek bracht hem ook in het buitenland faam. The Economist riep het uit tot een van de beste boeken van 2013, The New York Times raadde het Netanyahu ter lezing aan. Het boek is een zoektocht naar ‘het verhaal van Israël’, een zelfonderzoek van een overtuigde zionist die zijn ogen niet wil sluiten voor het leed van de Palestijnen.

En dus gaat Shavit naar Deir Yassin, of wat ervan over is. Eromheen treft hij een ultraorthodoxe wijk aan met meer dan twintig synagogen en yeshiva’s. In de overblijfselen van het dorp zelf is een psychiatrische inrichting gevestigd voor mensen met het ‘Jeruzalem-syndroom’: religieuze types die in de Gouden Stad opeens het licht zien en zich de Messias wanen. Van Palestijnen geen spoor.

Herbert Bentwich had de oorspronkelijke bewoners van Deir Yassin nog wel kunnen zien. De Britse aristocraat, Shavits overgrootvader, passeerde het dorp in 1897 tijdens een rondreis door Palestina. Na aankomst in Jaffa ging hij naar Jeruzalem, vervolgens naar het noorden. Shavit reist in zijn voetsporen en probeert met de ogen van zijn voorouder te kijken naar het land waar hij doorheen trok – een ‘land zonder volk voor een volk zonder land’, zoals de mythe wil. Want Deir Yassin lag ook niet in Bentwichs blikveld. De havenarbeiders die zijn koffers uit het stoomschip sjouwden, de mannen die hem op hun ezels voorbij reden, de dorpjes en steden met exotische namen als Abu Kabir, Yazur, Sarafand, El-Kubbab: het lijkt alsof niets van dit alles op zijn netvlies bleef hangen, constateert Shavit verbaasd. ‘Hoe kon hij niet zien dat het land al bezet was?’

Bentwich had volgens Shavit al vroeg in de smiezen dat het jodendom geen toekomst had in Europa. Tot in zijn pinken een lid van de Victoriaanse upper class belichaamde hij als geen ander het ideaal van de geassimileerde jood. Toch begreep hij dat assimilatie voor het jodendom in het Westen een even groot gevaar inhield als de pogroms voor de joden in Oost-Europa. Zonder de twee g’s – God en getto – zou de joodse identiteit verdampen. Trouwens, zelfs assimilatie zou de joden uiteindelijk niet worden toegestaan, dat had de Dreyfus-affaire in Frankrijk wel duidelijk gemaakt. In Europa zouden joden altijd joden blijven. En voor joden was in Europa geen plaats.

De founding fathers van het zionisme beseften volgens Shavit ‘dat ze werden geconfronteerd met een radicaal probleem: de extinctie van het jodendom’. Hij dicht ze profetische gaven toe. Als je hem moet geloven zag zijn Britse voorouder de holocaust al bijna letterlijk aankomen. Het nogal versimpelde stramien stelt Shavit in staat het verhaal van Israël als een ‘tragedie’ te beschrijven. De komst van de zionisten was pure noodzaak, gezien de donkere wolken die zich boven Europa samenpakten. Aan de andere kant was het land dat de zionisten aantroffen natuurlijk niet leeg. Ziedaar de ingrediënten voor een tragedie.

‘Beschermt de Iron Dome ons echt?’ Toen Shavits zoontjes van vijf en tien een paar weken geleden voor het eerst van hun leven naar de schuilkelder moesten, waren ze er niet gerust op. Het is oorlog met Hamas, het regent raketten, al maken ze nauwelijks slachtoffers, niet veel later trekken grondtroepen Gaza binnen. ‘De bubbel is gebarsten’, schrijft Shavit in The Sunday Times. ‘Een nieuw, radicaal en gewelddadig Midden-Oosten heeft de sereniteit en veiligheid van hun suburban childhood aan gruzelementen geslagen.’

Hij is somber gestemd. De geweldseruptie van de afgelopen weken is de ‘voorbode voor wat we de komende jaren kunnen verwachten’. Extremisten hebben de agenda gekaapt, de gematigde meerderheid heeft gefaald. ‘De jaren van kalmte zijn voorbij.’

Zo lang hij zich kan herinneren, schrijft hij in zijn boek, herinnert hij zich angst. Toen Shavit zijn zonen naar de schuilkelder bracht zal hij misschien hebben teruggedacht aan die ochtend dat hij zelf, negen jaar oud, de badkamer binnenliep waarin zijn vader zich stond te scheren en vroeg: ‘Papa, zullen de Arabieren ons in zee drijven?’ Een paar dagen later begon de Zesdaagse Oorlog. Levendig staat hem nog voor ogen hoe de vijand in 1973 vlak voor de poorten van Tel Aviv tot staan werd gebracht. Die ervaring liet een diep litteken achter in de Israëlische psyche, aldus Shavit, toen zestien jaar oud. ‘Tien verschrikkelijke dagen lang leek het alsof mijn angst werkelijkheid werd.’

In 1990 loeiden de sirenes weer. ‘Mijn buren hadden Auschwitz overleefd. Ze hadden angsten gekend waar ik me geen voorstelling van kan maken. Nu moesten ze weer in angst leven. Het is de tragedie van Israël in een notendop. Als het luchtalarm ging bracht ik ze naar de schuilkelder, ze waren in de tachtig. En dan hielp ik ze met hun gasmaskers.’

‘Europa moet Israël omarmen. Pas dan voelt het land zich veilig genoeg om echte risico’s te nemen’

Na zijn diensttijd, waarin hij als paratrooper ’s nachts Palestijnse tieners van hun bed moest lichten, werd Shavit een vredesactivist. De peacenik reed in zijn Volkswagen Kever van demonstratie naar demonstratie, met naast hem de twintig jaar oudere schrijver Amos Oz, een van de leidende figuren binnen de vredesbeweging. Oz was zijn held. Net als hij vocht Shavit met zijn pen tegen de bezetting, hij verzette zich tegen nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, steunde de Oslo-akkoorden en Sharons eenzijdige terugtocht uit de Gazastrook. Toch raakte hij gaandeweg teleurgesteld in de vredesbeweging. Mensen als Amos Oz onderschatten de kracht van de angst, ontdekte hij. Dat vond hij naïef. ‘Ik heb geleerd die angst serieus te nemen.’

Ook al heeft Israël het modernste leger van het Midden-Oosten en beschikt het over een atoombom – Shavits vader werkte er in de jaren zestig in het diepste geheim aan mee – de angst blijft. En dat is legitiem, vindt Shavit: ‘Het gaat niet zomaar om een schim in ons hoofd. Als puntje bij paaltje komt zijn wij een klein en eenzaam volk. Er zijn dertien miljoen joden. Bijna de helft woont in Israël, in een zeer instabiele en vijandige omgeving. Iran is uit op onze vernietiging. Ook Hamas en extremisten in Syrië en Irak zijn vastbesloten ons te verdelgen. De angst om ons voortbestaan is reëel.’

Zowel ‘links’ als ‘rechts’ doet de werkelijkheid volgens Shavit te kort. Rechts heeft alleen oog voor het bange, benauwde Israël dat zich bedreigd weet; links alleen voor het wrede, oppermachtige Israël dat de Palestijnen onderdrukt. Shavit ziet het als zijn missie beide kanten in het oog te houden, het maakt hem enigszins ongrijpbaar. ‘Ik daag zowel linkse als rechtse dogma’s uit.’

Ari Shavit staat in een kantoortje van de Portugese Synagoge in Amsterdam en kijkt uit over het Waterlooplein. Het is een lome junidag, het verkeer glijdt voorbij. Hij doet de stad aan voor een debatavond over zijn boek, dat net in het Nederlands is verschenen, en praat gepassioneerd over zijn eigen wegenkaart richting vrede, die linkse en rechtse elementen combineert, radicale stappen met een flinke dosis pragmatiek. ‘Israël bevriest de bouw van nederzettingen, permanent. Dat is de eerste stap, een morele en politieke noodzaak. Vervolgens eindigt Israël de bezetting. Dat kan niet in één keer. En we kunnen ook niet terug naar de grenzen van voor ’67. Maar Israël zal stukje bij beetje de Westoever moeten loslaten. Tegelijkertijd moeten de Palestijnen een proces van daadwerkelijke nation building ingaan. De crux is: alles moet geleidelijk gaan. En je moet Israël niet dwingen risico’s te nemen die het niet kan nemen. Hamas gebeurt, Syrië gebeurt, Irak gebeurt – verkoop ons geen luchtkasteel.’

Hij vervolgt: ‘De rol van de internationale gemeenschap is cruciaal. Vooral die van Europa. Het huidige Israël-bashen, door bijvoorbeeld bedrijven te boycotten die bijdragen aan de bezetting, zorgt ervoor dat Israëliërs zich nog meer bedreigd voelen. Ze vrezen een delegitimisering van Israël. Dat ervaren ze als een dolk in de rug. Het maakt ze alleen maar harder. Europa moet een andere houding aannemen. Het moet heel duidelijk zeggen dat het de joodse staat noodzakelijk vindt. En het moet erkennen dat het een morele plicht heeft om het voortbestaan ervan te garanderen. Europa moet Israël omarmen. Pas dan voelt het land zich veilig genoeg om echte risico’s te nemen.’

De afgelopen jaren heerste er volgens Shavit een ‘relatieve kalmte’. Het was een tijd die benut had moeten worden voor een ‘nieuw, creatief en realistisch vredesproces’. Maar er gebeurde niets. Verspilde jaren zijn het, het maakt hem boos. Al begrijpt hij de passiviteit wel: ‘De meeste Israëliërs willen de bezetting niet. Maar ze zijn verlamd. Na Oslo begonnen ze hun harten en ogen te openen voor de Palestijnen, maar het vredesproces faalde en eindigde in exploderende bussen. Er kwam een verschrikkelijke Tweede Intifada, met een golf van zelfmoordaanslagen. Ik herinner me dat ik thuis aan het schrijven was en een ontploffing hoorde. Ik rende naar buiten. Het café om de hoek waar ik altijd zat was opgeblazen. Twee jongens met een bierglas zaten roerloos aan een tafel. Dood.’

Het land bevroor, aldus Shavit. ‘De muur om de Westoever is een goede metafoor voor de huidige geestesgesteldheid van Israël. Mensen verschansen zich achter hun muren, ze staan niet meer open voor de ander. Er was een tijd dat we vooruitgingen, maar things got messy and bloody. We zijn ver gekomen maar het is niet ver genoeg. Velen vluchtten in een bubbel van hedonisme. Begrijp me goed, ik heb niets tegen genieten. Ik hou van de nachten van Tel Aviv. Israël ís vitaal. De mooie jonge mensen, de start-ups, de vele baby’s: Israël is sexy. Maar we kunnen niet doen alsof ons land één groot hightechfeestje is.’

Van de leiders die nu op het pluche zitten verwacht hij niet veel: ‘Netanyahu leek het vredesproces aanvankelijk te steunen, maar zijn hart zit er niet in. Met Abbas is het al niet anders gesteld. Beiden zongen ze de afgelopen jaren het vredesliedje dat de Amerikanen wilden horen, zonder het te menen. In de lente hopen we op vrede, in de herfst bouwen we nieuwe nederzettingen. Crazy.’

Medium israelhh 40154850

Niet alleen is vrede met de Palestijnen verder weg dan ooit, Shavit maakt zich ook zorgen over de ‘desintegratie’ van de Israëlische democratie. Zelden was het land intern zo verdeeld. Seculieren en religieuzen staan tegenover elkaar, minderheden van Jemenitische of Sefardische origine worden gediscrimineerd, net als Arabische burgers. Shavit droomt in zijn boek van een ‘nieuwe republiek’ waarin deze toxische mix van tegenstellingen oplost in een open, inclusief soort zionisme.

Nostalgische pagina’s wijdt hij aan het prille, optimistische Israël van de jaren vijftig dat het klaarspeelde in een paar jaar tijd zo veel migranten in zich op te nemen dat de populatie verdriedubbelde. Er waren wijze leiders, iedereen was bezield van een gezamenlijke missie: er moest een natie gebouwd worden. ‘Veel immigranten waren berooid, of holocaustoverlevers. Getatoeëerde nummers op hun armen, nachtmerries in de nacht. Hun wraak bestond niet uit zelfmoordaanslagen, maar uit het bouwen van scholen. Ze kwamen van de dood en vierden het leven. Iets van die energie is er nog steeds, alleen is het met de politiek totaal verkeerd gegaan. Er is onwaardig leiderschap.’

Het Israëlische wonder van de jaren vijftig had wel een keerzijde, aldus Shavit: het was gebaseerd op ontkenning. Het was niet mogelijk geweest zonder weg te kijken van de geschiedenis. Over de nakba (catastrofe) van de Palestijnen kon je niet praten, net zo min als over de holocaust. Dat laatste taboe is inmiddels verdwenen – zozeer zelfs dat radicale critici als Norman Finkelstein het over een ‘holocaustindustrie’ hebben. Maar hoe zit het met het eerste taboe?

‘Wij waren vijftienhonderd jaar lang jullie ultieme ander en werden uiteindelijk jullie ultieme slachtoffer’

Lydda was een Palestijns stadje van enkele tienduizenden inwoners op de weg van Jaffa naar Jeruzalem. Tegenwoordig heet de stad Lod – de naam is na 1948 gehebraïseerd, zoals die van tientallen Arabische dorpen en steden waarvan de inwoners op de vlucht sloegen of werden verdreven. Verwoeste dorpen werden vaak met naaldbomen beplant en tot nationale parken omgedoopt. Het was in Lydda dat Herbert Bentwich de trein naar Jeruzalem nam toen hij eind negentiende eeuw het Heilige Land bezocht. En het is in Lydda waar volgens Shavit de black box van Israël ligt. Aan dit ‘donkere geheim’ wijdt hij het sleutelhoofdstuk van zijn boek.

Op 10 en 11 juli 1948 dringen eenheden van het Israëlische leger de Lydda Vallei binnen en omringen de stad. Regiment 89 van Moshe Dayan – die als generaal in 1967 uit zou groeien tot een legende – stormt met een colonne van jeeps de stad binnen. Op alles wat beweegt wordt geschoten. Als de avond valt is Lydda onder joodse controle. De volgende ochtend gebeurt er iets vreemds. Er arriveren twee Jordaanse gepantserde voertuigen, waarschijnlijk zijn ze verdwaald. Hun komst zaait paniek. Vanuit een moskee worden Israëlische soldaten beschoten. De commandant geeft bevel het vuur te openen. Een antitankraket wordt op de moskee afgevuurd. Handgranaten vallen in woonhuizen. In een half uur tijd vinden tweehonderd burgers de dood.

David Ben-Gurion, premier van de piepjonge staat en aanvoerder van Israëls troepen, wordt van de gebeurtenis op de hoogte gesteld. De legerleiding vraagt hoe het nu verder moet. ‘Deporteer ze’, luidt het antwoord. (Een andere bron stelt dat hij slechts een gebaar met de hand zou hebben gemaakt, met dezelfde strekking.) Officier Yitshak Rabin laat de brigade in Lydda schriftelijk weten: ‘De inwoners van Lydda moeten snel worden verdreven, zonder te letten op leeftijd.’ De ‘militaire gouverneur’ van Lydda, nog maar een dag in het zadel, moet het vuile werk opknappen. Hij doet dat op zo’n manier dat hij de bevolking niet expliciet hoeft te bevelen hun biezen te pakken. Er is niet veel voor nodig om de geschokte Palestijnen ‘uit eigener beweging’ te doen vertrekken.

De verdrijving van Lydda is een van de best gedocumenteerde drama’s uit de oorlog, Shavit vertelt niet veel nieuws. Maar toen het hoofdstuk als los verhaal in The New Yorker werd gepubliceerd deed het veel stof opwaaien. Dat zit ’m misschien vooral in de toon, de morele inzet. Er staat hier iets voor Shavit op het spel. Hij zoekt de hoofdrolspelers van toen thuis op: de brigadecommandant, een soldaat uit de brigade, een Palestijnse inwoner die werd verdreven en de man – bijgenaamd ‘de bulldozer’ – die de antitankraket afvuurde. Dagenlang luistert hij naar hun verhalen. De grote vraag is altijd: vertrokken de circa achthonderdduizend Palestijnse vluchtelingen vrijwillig of op instigatie van de Arabische legers, of werden ze door de joden verdreven? Israëlische regeringen hebben dat laatste altijd ontkend. Maar de brigadecommandant laat er tegenover Shavit geen twijfel over bestaan: als Lydda niet gezuiverd werd van de Palestijnse populatie ‘zou er geen overwinning en geen staat zijn’. Hij wist, zegt hij, wat hem te doen stond. En zo verlieten op 13 juli 1948 tienduizenden Palestijnen de stad, mannen, vrouwen, kinderen, bejaarden: een kilometerslange stoet. ‘In ballingschap’, schrijft Shavit. ‘Zoals ooit de joden.’

Waar Deir Yassin nog uitgelegd kan worden als een aberratie, hoe gruwelijk ook, is dat bij Lydda lastiger. Dit was geen ‘ongeluk’, aldus Shavit, maar een ‘noodzakelijke fase van de zionistische revolutie die de fundering legde van de zionistische staat. Lydda is een integraal en wezenlijk onderdeel van ons verhaal.’

Toen in de jaren tachtig de Britse en Israëlische militaire archieven uit 1948 en 1949 opengingen, begon het historisch onderzoek naar de gebeurtenissen van die tijd pas goed. ‘Nieuwe historici’ was het etiket dat op de losse groep joodse geschiedkundigen werd geplakt die, gewapend met het nieuwe archiefmateriaal, kanten van de oorlog lieten zien die niet in de Israëlische schoolboekjes terecht waren gekomen. Baanbrekend was het boek The Birth of the Palestinian Refugee Problem van Benny Morris uit 1987. Het was controversieel omdat het eerlijk was over de minder fraaie daden van het Israëlische leger en enkele zionistische fabels de wereld uit hielp, maar wie het boek leest, valt ook op hoe genuanceerd Morris’ conclusies waren. Veel radicaler waren Avi Shlaim en Ilan Pappe, die in 2006 het boek The Ethnic Cleansing of Palestine schreef. Volgens Pappe bood de burgeroorlog de ideale dekmantel om een tot in detail voorbereide politiek van verdrijving door te kunnen voeren. Dat Ben-Gurion zo min mogelijk Arabieren wenste in zijn joodse staat was geen geheim.

Of er nu wel of niet een alomvattend plan was om de Palestijnen te verdrijven, duidelijk is in ieder geval dat toen hun exodus eenmaal op gang was, er een steeds grotere ‘bereidwilligheid’ kwam om die uittocht een handje te helpen, aldus Morris. Gedwongen verdrijvingen namen dan ook toe naarmate het einde van de oorlog naderde. Een etnisch homogeen Israël leek plotseling een realistisch scenario. Directe orders werden niet gegeven – maar dat hoefde ook niet. Vaak volstond volgens hem een ‘klein zetje’. Lydda is een case in point.

De ‘nieuwe historici’ vonden in de jaren negentig redelijk veel gehoor in Israël, maar de stemming sloeg al snel om. In zijn nieuwste boek, The Idea of Israel (2013), maakt Ilan Pappe de balans op. De tijd waarin het zionisme openlijk en fundamenteel bevraagd kon worden – het ‘postzionisme’ – duurde al met al maar kort, constateert hij. Na de millenniumwisseling begon er een andere wind te waaien. Opiniemakers vonden elkaar in een nieuwe conservatieve consensus. ‘Neozionisme’ noemt Pappe de nieuwe mode. Journalisten, academici en politici hebben het zionisme weer omarmd, evenwel niet helemaal zonder de ongemakkelijke feiten die de revisionisten hebben aangedragen te verwerken. Het is een zionisme dat hun kritiek als het ware heeft geïntegreerd – volgens Pappe geneutraliseerd. Van dat neozionisme, zou je kunnen zeggen, is Ari Shavit een schoolvoorbeeld. Vorig jaar droeg hij in Haaretz het postzionisme nog met luide trom ten grave. Israëliërs, schreef hij, willen weer trots kunnen zijn op hun land.

In The Guardian schrijft Avi Shlaim dat Shavits boek perfect de ‘ambiguïteiten’ en ‘intellectuele incoherentie’ illustreert van dit zionisme-nieuwe-stijl. Hij ziet een ‘onvermogen de morele consequenties van de triomf van het zionisme onder ogen te zien’. Dat is ook het verwijt van Norman Finkelstein in Old Wine, Broken Bottles, een schotschrift tegen Shavits boek.

Ze hebben een punt. Shavits zionisme is ambivalent. Hij zoekt een zionisme dat geen ruimte biedt aan racisme. Tegelijkertijd wil hij de verantwoordelijkheid voor de catastrofe van de Palestijnen niet wegpoetsen, hij durft sommige van de pijnlijkste feiten over 1948 onder ogen te zien. Waar velen in de bezetting van na 1967 de ‘zondeval’ van Israël zien, reikt Shavits mes dieper, tot aan de wortels van de staat Israël. Toch wil hij het zionisme niet opgeven. Er is voor hem maar één keuze: ‘Verwerp het zionisme vanwege Lydda. Of accepteer het zionisme mét Lydda.’

Shavit kiest voor het laatste. De vraag is of die positie houdbaar is. Zijn keuze lijkt hem er in ieder geval bijna automatisch toe te brengen naar verzachtende omstandigheden te zoeken, misschien wel zijns ondanks. Zo duidt hij de Israëlische geschiedenis en ook de gebeurtenissen uit 1948 keer op keer aan als ‘tragisch’.

Dat woord heeft iets fatalistisch. Alsof het niet anders had kunnen gaan, alsof niemand het kon helpen.

‘Als het om Israël gaat zijn mensen opeens zo rigide. Over hun eigen land zijn ze veel milder en genuanceerder’

‘Je hebt een botsing tussen twee volkeren die beide hun eigen rechten claimen. Ze waren verwikkeld in een brute burgeroorlog, die ten tijde van Lydda op zijn hoogtepunt was. De wederzijdse blindheid leidde tot een catastrofe. Dat noem ik een tragedie.’

We zoomen in op Lydda. Was dat wel een tragedie? De exodus was niet onvermijdelijk, zo toont u aan. De legerleiding had anders kunnen handelen. Het had anders kunnen aflopen.

‘Luister, als we alleen maar praten over gerechtigheid, dan komen we in een polemiek terecht die nooit eindigt. Moralistische oordelen van buitenstaanders zijn sowieso niet gepast als het gaat om deze tragische gebeurtenissen. Als je zo nodig iemand de “schuld” wil geven, dan kun je ook zeggen: waarom accepteerden de Palestijnen het VN-verdelingsplan niet? Waarom gebruikten ze zoveel geweld en waren ze zo wreed in de eerste fase van de oorlog? Ik ben niet bereid over Lydda te praten zonder die context. Een term als “etnische zuivering” suggereert dat er een overmacht was en een onschuldig slachtoffer, de Palestijnen. Maar zo was het niet. Dit was een burgeroorlog. Je moet ook niet vergeten: Arabische legers vielen van alle kanten binnen om de joden te vernietigen.’

Pleit dat die Israëlische legerleiding vrij?

Geïrriteerd: ‘Uw benadering zou ons leiden tot nog duizend jaren bloedvergieten.’

Waarom?

‘Deze poging om te zeggen wie er “goed” was en wie “fout” – kijk, ik voel totale empathie met de Palestijnen en ik zie hun tragedie. Maar ik sta ook achter mijn eigen volk. Vertel mij eens, is er een boek in Nederland dat de gruweldaden in Indonesië op dezelfde openhartige wijze aan de kaak stelt als ik dat doe met Lydda? Ik word hier emotioneel van. Dresden was erger dan Lydda. Maar kijkt u de Engelsen er nu nog dagelijks op aan? Twijfelt u aan Engelands legitimiteit als staat? Hiroshima was erger dan Lydda, maar trekt u de legitimiteit van de VS in twijfel?’

U wilt eerlijk zijn over de ‘black box’ van Lydda en schrijft er een zeer open hoofdstuk over. U legt die schuldvraag zélf op tafel. Maar als ik daar vervolgens op inga, reageert u als door een wesp gestoken. Hoe komt dat?

‘Alle westerse volken hebben bloed aan hun handen, en meer dan wij. De Amerikaanse ander is er niet meer. De Canadese ander is er niet meer. De Australische ander is er niet meer. Onze ander is er nog wel. In het Westen hebben mensen nog steeds moeite met het feit dat er een joodse natie is, met dezelfde zwakten als andere naties. De wereld lijkt ons niet anders te kunnen zien dan als óf engelen óf demonen. Wij zijn mensen. Wij falen en doen verkeerde dingen. Als het om Israël gaat zijn mensen opeens zo rigide. Over hun eigen land zijn ze veel milder en genuanceerder. Pas als ik van Nederlanders hoor die ’s nachts niet kunnen slapen om wat zich daar, in de vroegere joodse buurt hier vlak tegenover de synagoge, heeft afgespeeld, ben ik bereid om ter verantwoording te worden geroepen om Lydda.’

Kritiek op uw boek komt ook van joodse zijde, zoals Avi Shlaim en Ilan Pappe.

‘Pappe!’ Shavit spuugt het woord bijna uit. ‘Bent u hier gekomen om alleen over Lydda te praten? Ik ben er klaar mee.’

Hij doet zijn huiswerk, zegt hij, hij moet als Israëliër met Lydda in het reine zien te komen. Maar het is niet aan Europeanen om Israëliërs te veroordelen. ‘Europa zou naar Israël moeten kijken’ – bij elk woord beukt hij met zijn vuist op tafel – ‘zoals wit Amerika naar zwart Amerika kijkt. Wij waren vijftienhonderd jaar lang jullie ultieme ander en werden uiteindelijk jullie ultieme slachtoffer. Vergeet dat nooit.


Beeld: (1) Roadblock, Westoever (Peter van Agtmael/Magnum/HH). (2) ‘De wereld lijkt ons niet anders te kunnen zien dan als óf engelen óf demonen’ (Bram Budel/HH).