Martin Wörsdörfer herinnert zich nog goed hoe de ‘gierende paniek’ direct toesloeg. De tax director was op het kantoor van Deloitte Rotterdam aan het werk toen het nieuws binnenkwam. Al snel hingen bezorgde Amerikaanse klanten aan de lijn. Ook in Den Haag hadden ze niets aan zien komen. ‘Wist u dan van tevoren dat Nederland op deze manier in het stuk genoemd zou worden?’ vraagt een journalist aan minister van Financiën Wouter Bos op een persconferentie op 5 mei 2009. ‘Ik niet’, antwoordt hij kortaf, waarna zijn staatssecretaris Jan Kees de Jager het van hem overneemt: ‘Wij waren daar inderdaad eigenlijk geheel door overvallen.’

Een dag eerder had in Amerika de pas verkozen president Barack Obama de pers toegesproken. Achter zijn eiken spreekgestoelte omringd door witmarmeren pilaren, goudomrande rode tapijten en dito stoelen presenteerde hij een van de hoofddoelen van zijn presidentschap in een poging zijn verkiezingsbelofte van change in te lossen. ‘Nobody likes paying taxes’, begint hij, alvorens hij midden in de wereldwijde financiële crisis de strijd aanbindt met belastingontwijking van Amerikaanse multinationals. ‘Eerlijkheid en balans’ moeten terugkeren in het belastingstelsel en daarom belooft zijn regering op te treden (‘crack down’) tegen ‘tax havens’ die multinationals helpen belasting te ontwijken. En wie zijn die ‘tax havens’ volgens de president? Bermuda, Ierland én Nederland.

Is Nederland inderdaad een ‘tax haven’? Dat is een vraag die sindsdien vaak gesteld wordt in de Tweede Kamer in een debat dat zich laat opdelen in twee duidelijke kampen: ‘kamp vestigingsklimaat’ vreest dat we bedrijven wegjagen, ‘kamp belastingparadijs’ waarschuwt dat het land geen fiscale vluchthaven mag zijn voor het grote bedrijfsleven.

Geen enkel kabinet heeft ooit uitgesproken dat Nederland een belastingparadijs is, of ooit geweest zou zijn, en toch zijn er sindsdien verschillende nationale maatregelen genomen tegen belastingontwijking en -ontduiking. Volgens de huidige staatssecretaris van Financiën Marnix van Rij is Nederland opgeschoven van dwarsligger naar ‘koploper’ als het gaat om internationale samenwerking tegen belastingontwijking. Wat klopt daarvan en hoe kwam dat?

De Groene analyseerde samen met de Utrecht Dataschool 4110 parlementaire spreekbeurten tussen 1995 en 2021 met verwijzingen naar de discussie over het Nederlandse vestigingsklimaat én verwijzingen naar de discussie over het al dan niet zijn van een belastingparadijs. Daarnaast spraken wij met verschillende hoofdpersonen in de politiek, beleidsmakers bij het ministerie van Financiën en wetenschappers. Later dan de rest van de wereld opende Nederland de ogen voor de kwalijke rol die het speelde als handlanger van multinationals op zoek naar lage belastingdruk. Waar de vvd en het cda het luidst ijverden voor een sterk vestigingsklimaat waren de SP en GroenLinks het meest uitgesproken over de uitwassen van Nederland belastingparadijs. Halfweg kabinet-Rutte II (2012-2017) sijpelde bij steeds meer politieke partijen door dat Nederland het leven moest beteren. De beleidsmatige ommekeer kwam met het kabinet-Rutte III in 2018, maar dreigt te vroeg weer een halt te worden toegeroepen.

Terwijl minister Bos het journaille uitlegde dat Nederland ‘om volstrekt onterechte redenen door de Amerikanen op een lijstje is gezet’, was aan de andere kant van de oceaan de Nederlandse ambassadeur Renée Jones-Bos druk doende de schade te beperken. Acht maanden eerder had ze haar geloofsbrieven nog aangeboden aan president George Bush, drie weken voor de verkiezing van Obama en in de week dat de bank Lehman Brothers viel.

Met een lijst van argumenten ontvangen uit Den Haag ging Jones-Bos op pad om uit te leggen dat Nederland niet in dit rijtje thuis hoort en vroeg ze gesprekken aan met ‘iedereen die ook maar invloed heeft om Nederland weer van de lijst te krijgen’. Bij de Treasury, het Amerikaanse ministerie van Financiën, bleef men voet bij stuk houden, maar het Witte Huis had meer begrip voor de Nederlandse argumenten, want: ‘Je kunt dit een bevriende natie niet zomaar voor de voeten gooien.’

Binnen enkele dagen na de ophef werd Nederland van de lijst gestreept (net als Ierland en Bermuda) en zei De Jager tegen het Financieele Dagblad (FD) dat het voorval een ‘slip of the pen’ was geweest. Het FD zelf concludeerde nog dat de ‘affaire’ ook een gunstig effect kon hebben gehad: ‘De affaire zet Nederland internationaal wel op de kaart als een land met een zeer gunstig fiscaal klimaat voor multinationals.’

De Jager deed de terechtwijzing af als een foutje. Voor Jones-Bos – die maanden eerder al eens door de Amerikaanse onderminister van Financiën was aangesproken op het Nederlandse belastingstelsel – was het een ‘wake up call’. ‘Zo kun je blijkbaar óók naar ons stelsel kijken.’

‘De Nederlandse inspecteur is geen wereldinspecteur!’ staat in een nota van het ministerie van Financiën uit 2002 (die via de Wet openbaarheid bestuur boven tafel is gekomen in 2017). De ambtenaren van dienst argumenteren dat wanneer bedrijven via Nederland belasting ontwijken Nederland geen blaam treft en voegen een uitroepteken toe om hun punt kracht bij te zetten (zeer ongebruikelijk voor een beleidsdocument). Die blaam ligt bij het land waar het geld vandaan komt, een argument dat wordt geëchood door minister van Financiën Bos in 2009: ‘Als de Amerikanen zelf iets willen veranderen over hoe zij omgaan met bedrijven en belastingdruk, dat mogen ze. Zolang ze ons maar niet belasten met een beeld dat wij dingen doen die niet zouden mogen.’

Als regels het niet verbieden, mag het, vond de Nederlandse overheid. Deze houding zou Nederland doen uitgroeien tot de grootste financiële draaischijf van de wereld. Discussie over de negatieve gevolgen van deze positionering – de belastingontwijking en -ontduiking die het in de hand hielp – ontbrak in de Tweede Kamer in de jaren negentig en het merendeel van de jaren nul, blijkt uit het onderzoek van De Groene. Meer aandacht was er voor het vestigingsklimaat van Nederland, waar fiscale maatregelen een belangrijke rol in speelden.

‘Nederland had snel door dat in de nieuwe globaliserende wereldeconomie een geweldige kans lag voor een kleine open economie’, vertelt Pascal Saint-Amans. Van 2012 tot en met 2022 had Saint-Amans als directeur belastingen van de oeso (een samenwerkingsverband van de 38 meest welvarende economieën) de leiding over al haar initiatieven tegen belastingontwijking. ‘Hoe trek je als Nederland, België of Luxemburg bedrijvigheid aan? Dat was mogelijk door de belastingconcurrentie aan te gaan en een investment hub – ik heb dit nieuwe woord verzonnen omdat ik als diplomaat weg wil blijven bij de term “tax haven” – te worden. Nederland vestigde zich snel als een van de meest agressieve investment hubs van de wereld.’

Rond de eeuwwisseling groeide ons land definitief uit tot een financiële draaischijf van ‘gigantische omvang’ dankzij een drietal ‘Nederlandse specialiteiten’, legt Saint-Amans vanuit zijn hotelkamer in Washington uit: treaty shopping, brievenbusvennootschappen, en inspelen op gaten in de Amerikaanse belastingwetgeving. Nederland sloot belastingverdragen (treaties) met bijna honderd landen met daarin allerlei fiscale voordelen, maakte het eenvoudig om hier als internationaal bedrijf gebruik van te maken met slechts een brievenbusvennootschap in het land en lokte multinationals met een trits aantrekkelijke fiscale voorwaarden. Zo was er de deelnemingsvrijstelling (een wet die beoogt dat winst niet in twee landen wordt belast, met de gevaarlijke aanname dat die elders wél belast wordt). Ook ontbrak de belasting op belangrijke stromen geld van multinationals (merkrechten, rente en dividenden).

Om het helemaal af te maken zette de Belastingdienst haar handtekening onder deze lucratieve belastingconstructies (rulings), waarmee ze diezelfde multinationals rechtszekerheid gaf (erg belangrijk voor een beursgenoteerd bedrijf). Ten slotte werden deze ‘specialiteiten’ wereldwijd uitgevent door de Netherlands Foreign Investment Agency (nfia, een team van het ministerie van Economische Zaken met het doel bedrijven naar Nederland te halen) en door de grote belastingadvieskantoren die New York Desks oprichtten waar ze belastingontwijking via Nederland verkochten. Dit alles verliep redelijk geruisloos. Totdat Obama in 2009 op de lijn kwam.

Voor het oplettende Kamerlid was de Amerikaanse tik op de vingers een eerste duidelijk signaal dat het Nederlandse zelfbeeld als eerzaam concurrerende economie niet helemaal accuraat was. Paul Tang, die destijds namens de PvdA in de Tweede Kamer zat, herinnert zich dat er ‘even rumoer was’, maar de discussie was ook snel weer verdreven door de financiële crisis en de redding van ing en ABN Amro. Dat blijkt ook uit ons onderzoek. In 2009 zien we de eerste duidelijk waarneembare piek in de discussie ‘Nederland belastingparadijs’, gedragen door SP-Kamerlid Farshad Bashir die er zelfs zijn maidenspeech aan wijdde. Vervolgens stortte de discussie in 2010 weer in om pas in 2013 echt te ontbranden onder aanvoering van de SP en GroenLinks.

‘Vreselijk’, verzucht Roland van Vliet terwijl hij naar het spreekgestoelte loopt. ‘Twee minuten voor het belangrijkste fiscale debat sinds eeuwen!’ Het pvv-Kamerlid stoort zich ‘mateloos aan de discussies over belastingparadijzen’ en dient een motie in waarin hij de regering oproept het woord niet meer te gebruiken. De motie wordt met een brede meerderheid aangenomen, gesteund door de vvd en de PvdA (de coalitie), 50Plus, D66, de sgp en het cda.

In de EU frustreerde Nederland volgens internationale media jarenlang verregaande maatregelen tegen belastingontwijking

Begin 2013, toen het debat over ‘Nederland belastingparadijs’ begon aan te zwellen, uitte Van Vliet (die bedankte voor een interview) al zijn irritatie over de ‘uiterst modieuze discussie’ over belastingparadijzen. Het thema werd minstens drie keer vaker aangesneden dan in de voorgaande jaren en de discussie werd geleid door twee onervaren Kamerleden van de SP en GroenLinks. Arnold Merkies liep al zes jaar rond op het Binnenhof als beleidsmedewerker voor de SP, maar nam pas eind 2012 zelf voor het eerst plaats in de blauwe zetel. Jesse Klaver was in 2010 op zijn 24ste in het parlement beland als woordvoerder onderwijs voor GroenLinks, en keerde na de rappe val van Rutte I weer terug als woordvoerder financiën.

Klaver kwam hoopvol en vol ambitie de Kamer in. De wereldwijde crisis had laten zien dat het financiële systeem ‘failliet’ was en de verkiezing van Obama ‘zou echt iets veranderen’. Hij besloot ‘Nederland belastingparadijs’ tot zijn topprioriteit te maken. ‘Ik ga dit onderwerp agenderen op elk moment dat ik krijg, vragen stellen en doorvragen’, nam hij zich voor. En met succes. Van 2012 tot en met 2015 voerde Klaver de lijst aan van Kamerleden die het onderwerp ‘Nederland belastingparadijs’ het meest ter discussie stelden, op de voet gevolgd door Merkies.

Eind 2012 ontving Klaver bezoek op zijn kantoor aan het Binnenhof. De ceo van het Amerikaanse oliebedrijf ExxonMobil Benelux en de voorzitter van The American Chamber of Commerce (de belangengroep voor Amerikaanse bedrijven in Nederland) hadden het Kamerlid gevraagd of ze ‘hun perspectief’ uiteen mochten komen zetten. Ze legden hem uit dat zijn ideeën gevaarlijk waren, voor het Nederlandse vestigingsklimaat én de werkgelegenheid. ‘Daar wil je als linkse politicus toch niet verantwoordelijk voor zijn?’ vroegen ze retorisch.

Het is één van drie argumenten die in debatten met Klaver en Merkies telkens de revue passeren: 1) we moeten de werkgelegenheid beschermen (vvd-Kamerlid Helma Nepperus: ‘Ik luister naar de SP, een partij die zich sterk maakt voor arbeid, maar kennelijk niet de arbeid in Nederland’); 2) belastingontduiking is illegaal maar belastingontwijking is nu eenmaal legaal (toenmalig vvd-staatssecretaris van Fiscale Zaken Frans Weekers vraagt zich af hoe je het verschil ziet tussen belastingontwijking en ‘een juiste toepassing van het stelsel in het ene land en het stelsel in het andere land’); en 3) nationale maatregelen lossen het probleem niet op, dit moeten we internationaal doen (‘Als Nederland eenzijdig maatregelen neemt, gaan die bedrijven gewoon naar een ander land’, aldus D66-Kamerlid Wouter Koolmees).

Met name het werkgelegenheidsargument zat Klaver dwars, vertelt hij in zijn kantoor in de Tweede Kamer, want het raakte een gevoelige snaar bij zijn achterban. Te pas en te onpas werd er ‘gedreigd’ met een werkgelegenheidsval en zo werd het een ‘probleem van linkse politiek’. ‘We zijn zo in die dogma’s gaan geloven dat we er geen alternatief meer tegenover konden zetten’, vertelt hij. Klaver spreekt van een probleem van links, maar in de het parlement drukte vooral de PvdA haar stempel. De partij was in 2012 samen met de vvd gestapt in wat het ‘bezuinigingskabinet’ zou worden. Het regeerakkoord van Rutte II repte met geen woord over belastingontwijking en -ontduiking.

Een ‘gemiste kans’, vindt Paul Tang, de PvdA’er die als europarlementariër naam maakte als boegbeeld van de strijd tegen belastingontwijking. Maar zijn eigen periode als Kamerlid (2007-2010) heeft hij ook niet optimaal benut, erkent hij. ‘Ik was ook zoekende: hoe werkt de politiek en hoe werkt de fiscaliteit? Ik was nog onvoldoende effectief’, zegt hij. Hij zit in restaurant 1ste klas op Amsterdam Centraal Station, net aangekomen vanuit Brussel. Toen hij in 2014 toetrad tot het Europees Parlement wilde hij aan de slag met de belastingontwijking, maar hij werd argwanend beschouwd door zijn Europese fractiegenoten. ‘Het duurde even tot ze geloofden dat er ook Nederlanders zijn die wél tegen belastingontwijking zijn.’

Ondertussen koos zijn eigen partij in Nederland ervoor om onder leiding van PvdA-minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem nog een paar jaar de kop in het zand te steken. Tang is mild. De PvdA was ‘ook gewoon een kind van de tijd’, zegt hij, maar voegt later toe: ‘Jeroen (Dijsselbloem – db) zei publiekelijk wel dat we deel van de oplossing waren en niet van het probleem, maar we weten nu ook dat Nederland tegelijkertijd de Europese plannen tegen belastingontwijking frustreerde en Uber in de watten legde.’

Arnold Merkies is zijn hele carrière al in strijd met belastingontwijking. Eerst als beleidsmedewerker voor de SP, later als Kamerlid en nu als coördinator van Tax Justice Nederland bij somo. Met een zachte stem vertelt hij op zijn kantoor in Amsterdam over het onderwerp dat ‘wel een beetje mijn levenswerk is geworden’ en legt hij uit hoe lastig het was om belastingontwijking tijdens Rutte II alleen al op de agenda te krijgen.

De PvdA lag vaak dwars en het was toen nog echt not done om te zeggen dat Nederland een belastingparadijs was, vertelt hij. Meermaals werd Klaver en hem ‘nestvervuiling’ verweten door collega-Kamerleden en de toenmalige staatssecretaris van Financiën Frans Weekers (die niet op een interviewverzoek inging) in de debatten die ze wel voerden. Maar in de zomer van 2013 zou er hulp komen uit onverwachte hoek: een tweetal onderzoeken die een maand na elkaar uitkwamen en – met vertraging – cruciaal zouden blijken.

Het Centraal Planbureau (cpb) presenteert het rapport Nederland belastingparadijs? Nederland doorsluisland!’ In aanloop naar het nieuwe politieke seizoen besteden Trouw, NRC en de Volkskrant aandacht aan de nieuwe kwalificatie van doorsluisland (‘een heler, die bemiddelt tussen de dief – de multinational – en diens handlangers, de echte belastingparadijzen’, aldus de Volkskrant). Maar alleen NRC meldt (onder aan het stuk) de meest hallucinante conclusie van het cpb: Nederland is de grootste ontvanger van buitenlandse ‘investeringen’ in de hele wereld (!), namelijk 2693 miljard euro in 2011 (veertien procent van de totale buitenlandse investeringen in de wereld en vijfhonderd miljard meer dan nummer twee Amerika). Het geld gaat er aan de andere kant nog sneller weer uit: 2958 miljard in 2011. Het economisch onderzoeksbureau seo is een maand eerder nóg hoger uitgekomen: in 2011 ging er vierduizend miljard Nederland in, en vierduizend miljard Nederland weer uit.

Voor wie nog twijfelde, stelde het rapport onomstotelijk vast dat Nederland een ‘investment hub’ van ongekende proporties was. De vraag die nog restte was: is dat iets om trots op te zijn of iets om je voor te schamen? Daarin verschillen de rapporten enigszins. seo, dat het onderzoek uitvoerde in opdracht van het Holland Financial Centre (een stichting opgericht door de financiële sector en de overheid met als doel een ‘internationaal concurrerende financiële sector in Nederland’) becijfert de toegevoegde waarde van de sector op drie miljard aan belastinginkomsten en ruim vierduizend directe banen en deed zijn best de ‘kraamkamergedachte’ (een bedrijf start laagdrempelig met een brievenbus en groeit door tot een echt bedrijf) te onderbouwen. Dat lukte slechts mondjesmaat: vanwege een ‘causaliteitsprobleem’, ‘exemplarische bewijsvoering’ en ‘het gebrek aan hard bewijs’ moesten de onderzoekers zich beperken tot de voorzichtige conclusie dat het ‘aannemelijk is dat hierin in ieder geval enig economisch belang voor Nederland ligt’.

Het cpb is een stuk duidelijker. De toegevoegde waarde van deze doorsluissector staat ‘weinig in verhouding’ tot de totale stroom van duizenden miljarden, zegt het: ‘De toegevoegde waarde van de sector wordt geschat op zo’n drie miljard euro, maar de welvaartswinst is veel kleiner.’ Deze schamele beloning gaat ook nog eens ‘ten koste van de belastinginkomsten van gastlanden van de investeringen’. Ook maakt het rapport korte metten met de werkgelegenheid die de sector zou creëren: ‘Zonder deze sector zouden de hooggekwalificeerde dienstverleners namelijk in een andere sector actief zijn.’

Het CPB-onderzoek luidde een zekere maar langzame ommekeer in het debat in. Het rapport maakte het lastig om vol te houden dat de belastingconstructies essentieel waren voor het Nederlandse vestigingsklimaat en tegelijkertijd nam de internationale druk op Nederland toe. Onthullingen van LuxLeaks, de Panama en Paradise Papers gaven een inkijk in de wereld van belastingontwijking en de grote rol die Nederland daarin speelde. De Europese Commissie startte in 2014 een zaak tegen Nederland op verdenking van illegale staatssteun aan koffiebedrijf Starbucks dat miljoenen belastinggeld ontliep via Nederland.

‘Voor het eerst zag je twijfel ontstaan en werden er vraagtekens gesteld bij wat we nou bedoelen met een goed vestigingsklimaat’, zag Klaver. Steeds meer partijen mengden zich in de discussie en het debat ‘Nederland belastingparadijs’ bereikte zijn voorlopige hoogtepunt met 490 verwijzingen in 299 spreekbeurten in 2016.

Ook D66 maakte vanaf 2015 een flinke opmars. Steven van Weyenberg nam halverwege Rutte II het dossier belastingen over van zijn collega Wouter Koolmees in een periode dat de panelen begonnen te schuiven. Van Weyenberg, intussen vice-fractievoorzitter van D66, vond het altijd al een ‘schijntegenstelling’, vertelt hij op zijn kantoor in de Tweede Kamer. ‘Ik ben vóór een goed vestigingsklimaat en tégen belastingontwijking en die twee kunnen prima samengaan.’

Dat Nederland een ‘investment hub’ van ongekende proporties zou zijn, is dat iets om trots op te zijn of iets om je voor te schamen?

Direct na de financiële crisis hadden de grote economieën de handen ineengeslagen om via de oeso serieuze maatregelen te nemen tegen belastingontwijking. Dit ging in 2012 van start onder de naam Base Erosion Profit Shifting (beps). Pascal Saint-Amans leidde de onderhandelingen en zag alle Nederlandse staatssecretarissen langskomen, eerst Frans Weekers en Eric Wiebes, later Menno Snel en Hans Vijlbrief. In de Europese Unie frustreerde Nederland jarenlang verregaande maatregelen tegen belastingontwijking, meldden verschillende internationale media meermaals en bevestigt Saint-Amans, maar dat was anders in de oeso. Daar waren alle belastingconcurrenten – Singapore, Zwitserland, Luxembourg, Ierland – vertegenwoordigd en dat maakte niet meedoen lastiger en wél meedoen gemakkelijker. Niet dat Nederland echt stond te springen, zegt Saint-Amans, ‘jullie waren verre van enthousiast en deden het absoluut minimale’.

Terwijl de mondiale roep om actie aanzwol, werd het voor D66 ook steeds lastiger om vol te houden dat ‘eenzijdige Nederlandse maatregelen’ geen zin hadden, zoals Koolmees in 2013 nog zei. ‘Wat er gebeurde bij de oeso was tien jaar geleden echt ondenkbaar’, zegt Van Weyenberg. ‘Ik vond dat we dat momentum moesten benutten, maar dan moesten we zelf ook onze rommel op de Zuidas opruimen.’

Zo belandde hij tijdens de coalitieonderhandelingen voor Rutte III in 2017 aan de zijtafel ‘belastingen’, samen met toenmalig cda-Kamerlid Pieter Omtzigt, ChristenUnie-beleidsmedewerker Pieter Grinwis en demissionair staatssecretaris van Financiën Eric Wiebes van de vvd. Daar bleek dat de ontwikkeling die D66 had doorgemaakt ook in andere partijen had plaatsgevonden. ‘Drie van de vier partijen hadden als kernpunt om een einde te maken aan belastingontwijking’, zegt Van Weyenberg. Alleen de vvd was minder enthousiast. De uitruil werd maatregelen tegen belastingontwijking voor een verlaging van de winstbelasting. ‘Dat vond ik per saldo een verbetering’, zegt Van Weyenberg. Later zou daar de afschaffing van de dividendbelasting nog bij komen. Die maatregel was ook aan zijn tafel besproken, zegt Van Weyenberg, maar ‘wij zagen geen reden tot afschaffing’.

Dus toen voormalig tax director van Deloitte Martin Wörsdörfer (en intussen in een trio-baan als voorzitter van de Vereniging van Strandexploitanten in Scheveningen, wethouder in de gemeente Oostzaan en voorzitter van Holland Quastor, de belangenvereniging van de trustsector) in oktober 2017 met het regeerakkoord van Rutte III in de tas het parlement betrad als vvd-Kamerlid, zag hij dat er een omslag was gemaakt. Er was ‘amper nog discussie’ in de fractie over de nieuwe koers tegen belastingontwijking. Toch moesten de discussies over zowel ‘Nederland belastingparadijs’ als over ‘de Nederlandse vestigingslocatie’ hun hoogste punt nog bereiken met een hoofdrol voor de vvd.

Dat gebeurde direct aan de start van het nieuwe kabinet over een belasting die voor de verandering niet ten koste ging van een buitenlandse schatkist maar Nederland zelf twee miljard kostte: de afschaffing van de dividendbelasting in de hoop Unilever en Shell te behouden. De vvd wierp zich op als de beschermer van het vestigingsklimaat en vond de SP het vaakst op haar weg. Uiteindelijk bond het kabinet in en liet de dividendbelasting ongemoeid. Een belangrijk moment voor de partij, zegt Wörsdörfer: ‘De vvd heeft altijd wat fermer gestaan voor het grote bedrijfsleven maar dat is na het dividendbelasting-échec wel veranderd.’ De partij verlegde de focus van ‘de multinational naar het midden- en kleinbedrijf’, zegt hij – een sector die ook al niet veel te winnen had met ingewikkelde internationale belastingconstructies.

Namens het kabinet klopte D66-staatssecretaris Menno Snel aan bij Saint-Amans van de oeso om te vertellen dat Nederland ditmaal écht ging veranderen en zette beleidsmatig een grote stap met de invoering van een bronbelasting op rente en merkrechten. Zo dwarsboomde hij veel gebruikte constructies van Amerikaanse bedrijven zoals Starbucks en Google en zorgde voor een ‘waterscheiding’ in het Nederlandse beleid, vertelt Arjan Lejour, hoogleraar aan Tilburg Universiteit en een van de auteurs van het cpb-rapport uit 2013. Daar is Saint-Amans het mee eens: ‘Er zit een groot verschil tussen akkoord gaan met de minimale eisen en radicaal je eigen regels aanpassen’, zegt hij, ‘dat is de verandering die we zagen sinds 2018.’

Vanaf 2020 zette Hans Vijlbrief dit werk voort en baarde internationaal opzien door zich als een van de eersten te scharen achter een internationale minimumbelasting voor winsten. Maar bij de start van Rutte IV en de aanstelling van cda’er Marnix van Rij als staatssecretaris van Financiën in 2022 kwam er weer wat ruis op de lijn. Het regeerakkoord sprak alleen nog over belastingontwijking als een probleem dat internationaal opgelost diende te worden en Van Rij had de schijn tegen. Hij werkte jarenlang als partner bij belastingadvieskantoor Ernst & Young en was voorzitter van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (nob), een beroepsvereniging die intensief lobbywerk ten gunste van belastingconstructies voor grote bedrijven verweten wordt.

Nederland heeft wel stappen gezet, vindt ook hoogleraar belastingrecht Jan van de Streek, maar is er echt nog niet, benadrukt hij. Zijn grootste zorg zit bij de bronbelasting die Nederland invoerde. Deze geldt namelijk alleen voor geldstromen naar ‘lage belastinglanden’ en daardoor blijft het mogelijk bronbelasting te ontwijken via landen met ‘normale tarieven’ in combinatie met bilaterale verdragen die diezelfde bronbelasting weer uitsluiten. Van de Streek vreest dat we met Van Rij ‘weer terug bij af zijn’ en ook Lejour constateert dat Nederland voorlopig ‘een schakel blijft in de keten van belastingontwijking’.

Data & debat

Het publieke debat zou een vrije marktplaats moeten zijn waar ideeën met elkaar strijden, net zo lang tot het beste idee bovendrijft. Zo dacht John Stuart Mill erover. Maar wat blijft daarvan over in tijden van nepnieuws, bots en microtargeting? Nu het debat in toenemende mate online plaatsvindt is het belangrijk te onderzoeken op welke manier algoritmen, dataïsme en kwaadwillenden daar invloed op hebben. Data & debat onderzoekt dat samen met de Universiteit Utrecht, de Universiteit van Amsterdam en freelance onderzoekers. Zo onderzochten we eerder hoe het klimaatdebat zich in twintig jaar ontwikkelde in de berichtgeving in kranten en deden we onderzoek naar antisemitisme op Twitter.

‘Nee, Nederland is geen belastingparadijs’, zegt Marnix van Rij kort na zijn aanstelling als staatssecretaris van Financiën in januari 2022. ‘Dat wil ik hier heel nadrukkelijk gezegd hebben. En dat zal Nederland ook nooit worden.’ Met die woorden treedt Van Rij in een traditie van Nederlandse staatssecretarissen die sinds jaar en dag ontkennen dat Nederland een belastingparadijs is, en altijd met dezelfde verdediging komen aanzetten.

In het debat circuleert een viertal kenmerken van wat een belastingparadijs zou zijn – amper winstbelastingen, gebrekkige informatie-uitwisseling, matige transparantie en geen substantiële activiteiten in het land – en daar zou Nederland niet aan voldoen, vinden de staatssecretarissen door de jaren heen. Daar valt over te twisten, maar belangrijker: een harde juridische definitie van wie of wat een belastingparadijs is, ontbreekt, zegt Pascal Saint-Amans. ‘Definiëren wie de fucking asshole in de kamer is, is geen goede start van een onderhandeling’, legt hij uit. Dat maakt dit viertal kenmerken minder relevant, er bestaat immers niet één soort belastingparadijs.

‘Niemand weet precies wat een belastingparadijs is’, zegt Saint-Amans, ‘maar als een paradijs een plek is waar je veel winst kunt stallen zonder substantiële activiteiten te hebben in het land en je medewerking krijgt van de lokale belastingdienst om belastingstructuren te gebruiken die andere landen belastinggeld kosten, ja dan was Nederland een belastingparadijs.’

Jarenlang trokken Nederlandse ministers van Financiën door Europa om landen te vertellen hoe ze hun overheidsfinanciën op orde moesten krijgen, tegelijkertijd leidde hun gebrek aan actie tegen belastingontwijking bij diezelfde landen tot miljarden lagere belastinginkomsten. En dat terwijl ‘Nederland belastingparadijs’ ons ‘veel minder opleverde dan wat de anderen kostten’, zegt Saint-Amans.

Nederland was misschien geen ‘klassiek’ belastingparadijs volgens de vier kenmerken, toch vond Paul Tang het ‘heel erg dom’ dat zijn partij de PvdA in 2013 instemde met de motie van Van Vliet (dat Nederland geen belastingparadijs was). ‘Ze hebben de symboliek van de motie niet begrepen. Ik ben het bewust zo gaan noemen om Nederland te confronteren; we lijden aan cognitieve dissonantie. Onterecht denken we dat we altijd het beste jongetje van de klas zijn.’

In een vergaderzaal op het ministerie van Financiën reflecteerde staatssecretaris Van Rij een half jaar geleden op het Nederlandse belastingverleden. ‘Als je de goede dingen doet, trek je soms ook kwade krachten aan’, zei hij. Maar hij benadrukte dat Nederland intussen een ‘enorme beweging’ had gemaakt: ‘Van een wat passieve speler die zich richtte op de concurrentie tussen de landen naar een speler, zonder onszelf nou te overschatten, in de kopgroep tegen belastingontwijking en ontduiking.’

‘Extra nationale fiscale maatregelen’ acht hij dan ook niet nodig, zei hij daar op het ministerie, maar hij drukt zich enkele maanden later iets voorzichtiger uit. ‘Als blijkt dat de bestaande wet- en regelgeving niet toereikend is’ zal hij ‘waar nodig’ toch nationale maatregelen nemen tegen belastingontwijking. ‘Wij gaan niet achterover zitten leunen’, belooft hij de Kamer.

Nederland is geen belastingparadijs, herhaalt Marnix van Rij, maar hij trekt een duidelijke lijn waar de Kamerleden van nu hem aan kunnen houden: ‘We moeten niet een land zijn dat belastingontwijking faciliteert waardoor er in andere landen geen of te weinig belasting betaald wordt.’