Ongewensten en gemeentegrenzen

‘Wij zijn geen Swiebertjes’

Het is een wrang effect van de decentralisatie van de zorg: kwetsbare burgers worden aan de gemeentegrenzen geweigerd omdat ze dure zorg nodig hebben. Er is een groep ‘ongewensten’ ontstaan die elke gemeente liever ziet vertrekken.

Binckhorstlaan 119-1 in Den Haag is geen prettige plek om te wonen. Het is een kantoorkolos in twee tinten grijs op een druk kruispunt op een bedrijventerrein. Een tapijtwinkel aan de ene kant en een McDonald’s aan de andere. Toch is dit het adres dat veel daklozen gebruiken als postadres wanneer ze zich melden voor een woning, ergens ver weg in Limburg of Twente. Op de Binckhorstlaan is namelijk het Haagse daklozenloket gevestigd. Wie daar aanklopt voor onderdak wordt door de ambtenaren standaard gevraagd of hij of zij naar een andere regio wil verhuizen. Den Haag exporteert zijn daklozen liever naar een krimpgebied, ook al zitten ze daar niet op hen te wachten.

Dat merkte ook de 35-jarige Laura, die samen met haar vriend Raymond al twee jaar dakloos is. Met de Binckhorstlaan als postadres zochten ze naar een woning in Limburg, Zeeland en de Krimpenerwaard. Maar overal kregen ze vragen over hun ‘adres’ dat veel woningcorporaties inmiddels herkennen. ‘Ik moet altijd uitleggen dat wij eigenlijk heel normaal zijn. Wij zijn geen Swiebertjes met haar dat recht overeind staat’, vertelt Laura. ‘Wij zijn niet verslaafd en hebben geen psychische problemen, maar zijn door een opeenstapeling van schulden op straat beland.’

Ze doet bovendien precies wat de gemeente Den Haag graag ziet: in een andere regio zoeken naar een betaalbare woning. De nachtopvang in de stad barst immers uit zijn voegen waardoor de gemeente elke nacht zo’n tweehonderd daklozen een slaapplek moet weigeren. Betaalbare woningen zijn in de stad nauwelijks te vinden. Den Haag heeft er daarom beleid van gemaakt om daklozen te helpen naar een ander deel van het land te verhuizen, waarbij alle kosten worden vergoed. Een treinkaartje voor een bezichtiging in Limburg of Twente, verhuiskosten zoals een verhuisbus, en wat geld voor nieuwe meubels – zelfs de borg en de eerste maand huur geeft de gemeente mee.

Toch is dit beleid niet erg succesvol. In de afgelopen twee jaar heeft Den Haag voor slechts acht daklozen elders onderdak kunnen vinden. Binckhorstlaan 119-1 doet de wenkbrauwen fronsen. Andere gemeenten zien de dakloze Hagenaren niet graag komen omdat ze vaak extra kosten met zich meebrengen, zoals een uitkering, schuldhulpverlening of verslavingszorg. Daar worden ze niet voor gecompenseerd. Ook Laura en Raymond zijn daar de dupe van. Ze hebben nog geen gemeente kunnen vinden die hen aan een woning wil helpen. ‘Vaak geven ze als reden dat we geen binding hebben met de regio, wat wettelijk helemaal niet mag. Of ze weigeren omdat we een huurschuld hebben, terwijl we die al afbetalen.’

Aanvankelijk kon SP-wethouder Peter van Zutphen in het Limburgse Heerlen nauwelijks geloven dat Den Haag zijn daklozen zou exporteren naar kleinere gemeenten. Dat gerucht ging ‘en dat bleek toen echt waar te zijn’, zegt hij verontwaardigd. ‘Als Den Haag problemen heeft met het vestigen van kansarme mensen, moeten ze meer woningen bouwen in plaats van het hier over de schutting te gooien.’ Het gaat hem niet alleen om de kosten voor de nieuwe inwoners: ‘De bevolkingssamenstelling van Heerlen is al zo onevenwichtig; we hebben veel mensen met een rugzakje. Al geven ze vijftienduizend euro mee, we willen geen dumpplaats worden voor mensen met problemen.’

Behalve daklozen worden ook andere hulpbehoevende burgers aan gemeentegrenzen geweigerd. Juist de meest kwetsbaren, die het meest afhankelijk zijn van zorg, vallen tussen wal en schip doordat gemeenten niet voor hun kosten willen opdraaien, blijkt uit onderzoek van platform voor onderzoeksjournalistiek Investico en actualiteitenprogramma EenVandaag met De Groene Amsterdammer, Tubantia en Dagblad van het Noorden. Ook vrouwen die noodgedwongen naar een andere regio moeten verhuizen omdat ze op de vlucht zijn voor een agressieve partner worden geweigerd, omdat de gemeente de zorgkosten voor zo’n nieuwe inwoner niet wil dragen. En kinderen krijgen niet de juiste hulp omdat gemeenten onderling eindeloos discussiëren over wie voor de vervolgkosten moet opdraaien. Is dat de gemeente van herkomst of de ‘nieuwe’ gemeente?

Het is een van de gevolgen van de inmiddels beruchte decentralisaties uit 2015, waarin zorgtaken werden overgeheveld van het rijk naar de gemeenten. Daarbij werd niet voorzien dat hulpbehoevende burgers hun weg moeten zien te vinden tussen ruziënde gemeenten die proberen de verantwoordelijkheden op elkaar af te schuiven. Wie geen gemeente vindt die bereid is de kosten te betalen, strandt in een limbo waarin niemand zich meer verantwoordelijk voelt voor de zorg of hulp waar de burger wel recht op heeft.

Negen van de tien gemeenten zeggen te weinig geld te hebben voor het verlenen van jeugdzorg, opvang en bijstand, blijkt uit de enquête die we hielden onder alle Nederlandse gemeenten en die door twee van de vijf werd ingevuld. De gevolgen zijn groot: veertig procent van de gemeenten zegt door financiële krapte gedwongen te worden om strenger te zijn in het toekennen van zorg voor mensen van buiten hun gemeente. De zorgkosten voor nieuwe bewoners worden door het rijk niet gecompenseerd en gemeenten moeten het doen met een vast bedrag per jaar.

Vooral gemeenten met zorginstellingen binnen hun grens hebben het financieel moeilijk. Meer dan de helft van de gemeenten met een jeugdzorginstelling stelt in de enquête dat het rijk hen onvoldoende compenseert voor de extra zorgkosten die zo’n instelling met zich meebrengt. Dat leidt ertoe dat sommige gemeenten nieuwe zorginstellingen proberen te weren, dat wachtlijsten oplopen en burgers niet de zorg krijgen waarmee ze geholpen zijn.

De coronacrisis maakt dit probleem nog groter. Inkomsten als parkeergeld en toeristenbelastingen vallen weg, terwijl kosten van bijstand en andere hulpverlening sterk toenemen. Een kwart van de ondervraagde gemeenten vreest dat de toegang tot gemeentelijke zorgvoorzieningen slechter zal worden vanwege de extra tekorten als gevolg van corona. Zo vormt zich onder de meest kwetsbaren een groep ongewensten die tevergeefs op de gemeentepoort klopt.

In ‘zorgstad’ Assen staat een grote jeugdzorginstelling, een instelling voor psychiatrische zorg én een instelling voor verstandelijk beperkten. Mensen uit heel het land komen naar de Assense instellingen toe. En dus is wethouder Harmke Vlieg (ChristenUnie) veel van haar tijd kwijt aan discussies met andere gemeenten. Altijd gaat het over geld.

‘We hebben nu een jongen uit Houten die forensische zorg krijgt en hier geplaatst moet worden’, zegt ze. ‘Ik snap dat hij deze zorg misschien nodig heeft. Maar het budget laat dat niet toe!’ Assen en Houten zijn bezig een uitweg te zoeken, maar Vlieg ziet weinig ruimte: ‘Ik denk dat Houten toch moet betalen, of een andere plek moet zoeken. Als ik deze jongeman laat komen, hoe kan ik dan vergelijkbare jongeren uit de rest van het land weren? Dat kan ik niet doen. Het kind is hier niet opgegroeid, woont hier niet, de kliniek staat toevallig hier. Dan kan het toch niet dat wij weer tonnen moeten betalen. Dit zijn fouten in de wet.’

Van oudsher zijn veel zorginstellingen gevestigd in bosrijke, prikkelarme gebieden in het oosten van het land, of in oude kloosters in het katholieke zuiden. Sinds de decentralisaties lopen de financiën van deze ‘zorggemeenten’ in de soep. In de miljarden die het rijk onder gemeenten verdeelt, wordt nauwelijks rekening gehouden met deze historisch gegroeide scheve verdelingen. Meer dan de helft van de gemeenten met een jeugdzorginstelling stelt inmiddels vast dat ze niet voldoende gecompenseerd worden voor de kosten die daarmee samenhangen.

Sommige gemeenten proberen nieuwe zorginstellingen te weren omdat het rijk hen onvoldoende compenseert voor de extra zorgkosten die zo’n instelling met zich meebrengt

Jeugdzorg moet in principe betaald worden door de gemeente waar de ouders van het kind vandaan komen. Maar wanneer die ouders spoorloos zijn, of wanneer het kind onder voogdij staat, is de rekening voor de gemeente waar de instelling staat. Kosten voor een behandeling van een volwassene in een ggz-kliniek worden door de zorgverzekeraar betaald, maar bijkomende kosten – zoals een bijstandsuitkering of maatschappelijke ondersteuning – moeten worden opgebracht door de gemeente waar de instelling staat.

De financiële problemen voor Assen zitten daarom niet enkel in de directe zorgkosten, maar ook in de extra kosten die elke instelling met zich meebrengt. Toen de Assense ggz-kliniek een landelijke aanbesteding won voor specialistische hulp aan drugsverslaafden kwamen veel verslaafden uit Amsterdam en Rotterdam naar Assen. De gemeente moest ineens opdraaien voor de bijstandsuitkeringen van al deze nieuwe inwoners, vertelt wethouder Vlieg. ‘Wij hebben Amsterdam en Rotterdam toen gezegd dat we financieel gecompenseerd moesten worden. Er zijn brieven over en weer gegaan, maar het is niet opgelost. De steden verwezen naar het rijk en het rijk verwees weer naar de gemeenten. Uiteindelijk staan we er dan toch alleen voor.’

Cliënten die een paar jaar in een Drentse kliniek hebben gewoond, gaan soms niet meer terug naar de Randstad. Ze raken vertrouwd met hun nieuwe omgeving en willen niet meer terug uit angst dat ze weer de fout in gaan. Dus blijven ze in Assen, dat sinds de decentralisatie verantwoordelijk is voor de kosten van bijstand en eventuele andere zorg. Wethouder Vlieg snapt dat oud-zorgcliënten liever willen blijven, maar wil dat eigenlijk liever niet: ‘We hebben veel kinderen in de zorg en veel psychiatrische problematiek onder onze bevolking. Dat komt door mensen die in het verleden zijn uitgestroomd uit de klinieken en in Assen zijn blijven wonen.’ Ze wil dat instellingen ervoor zorgen dat hun cliënten uitstromen naar andere gemeenten.

Maar hoe hard Vlieg ook onderhandelt, en hoe streng ze ook wordt, de financiële tekorten van Assen lost ze niet op. De reserves zijn al opgebruikt, de belastingen zijn al opgeschroefd. De gemeente kwam al onder verscherpt toezicht te staan. Nu is er minder geld voor dagopvang voor daklozen, minder voor kinderen met een achterstand, en minder budget voor sport en cultuur. ‘We investeren niet meer in de openbare ruimte, de aantrekkelijkheid gaat achteruit, het voelt onveiliger’, zegt collega-wethouder Financiën Mirjam Pauwels (vvd). Het enige wat overblijft zijn de taken die gemeenten verplicht van het rijk moeten doen. ‘Het is een heel domme beweging waar we met elkaar in zijn beland’, zegt Vlieg.

Vaak zijn het kinderen die de rekening betalen voor het gemeentelijke afschuifgedrag. Zo is er het vijftienjarige meisje dat al maanden in een Brabantse gesloten jeugdzorginstelling zit. Eigenlijk mag ze al lang weg: haar behandeling is klaar en ze zoeken voor haar een nieuwe plek in een open instelling of een pleeggezin. Toch lukt het niet om een geschikte vervolgplek te vinden. Haar moeder is in de afgelopen maanden meerdere keren verhuisd en met elke verhuizing wordt een andere gemeente financieel verantwoordelijk voor de zorg voor het kind. Daarom moet de instelling telkens weer op zoek naar een nieuwe geschikte plek, en elke keer weer met een nieuwe gemeente om de tafel om ervoor te zorgen dat de rekeningen betaald gaan worden. Even leek het te lukken en had een medewerker de puber beloofd dat ze snel weg mocht. De teleurstelling was groot toen dat niet doorging. Het meisje ging weer blowen en kwam door een overdosis xtc zelfs op de intensive care terecht.

Het zoeken loopt zoveel vertraging op dat de jeugdzorginstelling begin 2019 naar de rechter stapt om toestemming te vragen om het kind in de gesloten instelling te houden zolang er geen goede vervolgplek is. De rechter stemt toe, maar moet tegelijk nog iets van het hart: ‘Het bekostigingssysteem van de jeugdzorg heeft er in dit geval mede toe geleid dat een meisje van vijftien jaar eigenlijk al te lang in de gesloten jeugdzorg zit, zonder dat er ergens anders een passende plaats is. De kinderrechter vindt dit onacceptabel.’

De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd beschrijft in 2019 in een rapport over de gebrekkige hulp aan kwetsbare kinderen een casus van een criminele jongere die van de rechter verplichte begeleiding kreeg opgelegd om zijn gedrag te verbeteren. Dat moest in een speciale woonplek in een andere gemeente dan waar hij vandaan komt. De twee gemeenten worden het niet eens over wie de rekening moet betalen. Daarom moet de jongen tien weken bij zijn moeder blijven, hij komt opnieuw in contact met zijn oude vrienden en slaat weer aan het blowen. ‘Het effect van zijn eerdere buitenlandse plaatsing van anderhalf jaar ging zo teloor’, schrijft de Inspectie.

Gesloten jeugdzorg is duur, dus iedereen zou toch staan te springen als een kind naar goedkopere zorg kan overstappen? Niet helemaal. Want sinds 2015 is elke gemeente zelf financieel verantwoordelijk voor de jeugdzorg. Dus hoewel het per saldo voordeliger is als een kind kan overstappen naar goedkopere zorg is het voor die ene gemeente waar het kind de zorg moet krijgen juist financieel een zware last.

In reacties op onze enquête zeggen gemeenten dat ze die last vaak niet kunnen dragen. De kosten voor één kind met jeugdzorg bedragen al snel een ton per jaar. Voor een heel gezin met zorgproblemen lopen de kosten soms zelfs op tot wel zeven ton. Zo kan dat ene gezin de hele begroting van een kleine gemeente overhoop gooien. De gemeente Dinkelland, met zo’n 26.000 inwoners en meerdere opvanghuizen voor jongeren, moet regelmatig opdraaien voor de zorgkosten van kinderen van buiten de gemeente die een plek krijgen in zo’n tehuis. ‘Per kind honderdduizend euro per jaar’, schrijft een ambtenaar in reactie op onze enquête. ‘Dat doet financieel pijn!’

Dus proberen gemeenten ‘dure’ inwoners op elkaar af te schuiven. Twee van de vijf gemeenten zeggen in onze enquête dat ze strenger zijn in het toekennen van zorg voor mensen van buiten de gemeente. Een ambtenaar schrijft dat voor een gezin met veel zorgproblemen een geschikte woning was gevonden in een andere gemeente. ‘Wethouder Jeugdzorg van desbetreffende gemeente hield dat tegen vanwege hoge kosten.’ Een andere ambtenaar vat de dynamiek als volgt samen: ‘Wat niet in het dorp of in de stad hoort, wordt ook niet aangenomen. Men is niet bereid de problemen te delen.’

‘#gemeenteninnood’ stond in rood op de mondkapjes van tientallen wethouders die afgelopen zomer voor de Tweede Kamer stonden te protesteren voor meer geld. Wethouder Vlieg uit Assen nam het initiatief voor de actie. ‘Demonstreren is niet wat burgemeesters en wethouders vaak doen, maar de nood is hoog’, zegt ze op het plein voor de Tweede Kamer. ‘We willen duidelijk maken dat we het echt niet meer redden op deze manier.’ Vanwege de corona-epidemie reisden slechts enkele wethouders af naar Den Haag, maar vanuit het hele land stuurden gemeenten filmpjes in om de boodschap over te brengen. Wethouder Peter van Steen uit Heusden sprong zelfs met kleren en al in het zwembad om duidelijk te maken dat het water hun tot de lippen staat. ‘We proberen het hoofd boven water te houden’, spartelt hij, terwijl hij zowat een hap chloorwater inslikt. ‘Hugo, help ons!’

Toen zorg werd gedecentraliseerd ging dat gepaard met een flinke bezuiniging. Gemeenten zouden minder geld nodig hebben voor dezelfde taken, was de gedachte, omdat zij efficiënter zouden kunnen werken dan de rijksoverheid. Dat bleek een illusie, waardoor veel gemeenten al snel in de min eindigden. Nu, op dit moment, hebben negen van de tien gemeenten tekorten op zorg en maatschappelijke ondersteuning, blijkt uit de enquête. Alleen al op jeugdzorg kwamen gemeenten in 2019 zo’n 1,7 miljard euro tekort.

‘Gemeenten zijn nu onderling in concurrentie. Op deze manier gaat het niet, het wordt een zooitje, iedereen krijgt ruzie met elkaar’

Na jaren van bezuinigingen, interen op reserves, verkopen van gebouwen en verhogen van belastingen is nergens meer geld voor, behalve voor de wettelijk verplichte taken. Maatregelen om armoede te beperken, sociaal zwakke groepen te helpen, sport, cultuur en veiligheid zijn vaak wegbezuinigd. Door de coronacrisis wordt de nood hoger: de economische recessie als gevolg van de pandemie zal ertoe leiden dat nog meer mensen aanspraak moeten maken op hulp vanuit hun gemeente.

Verschillende colleges hebben voor dit jaar niet-sluitende begrotingen ingeleverd bij het rijk, om maar duidelijk te maken dat het echt niet langer gaat. Een gemeente probeert het rijk er zelfs van te overtuigen dat het zich schuldig maakt aan ‘onbehoorlijk bestuur’, blijkt uit onze enquête. ‘Hét echte probleem is het structureel achterblijven van financiering door het rijk!’ zegt een andere ambtenaar.

Volgens meerdere wethouders is hun gemeente feitelijk gedegradeerd tot een ‘uitvoeringsloket’ van de rijksoverheid. Met de decentralisaties maakte het rijk strikte bepalingen over de wetten die de gemeenten moeten uitvoeren. Ze werden dus wél financieel verantwoordelijk, maar kregen níet de ruimte om eigen keuzes te maken. ‘Dit staat in feite haaks op de decentralisatiegedachte van meer beleidsvrijheid voor gemeenten’, schrijft het Sociaal en Cultureel Planbureau in een onderzoek naar de decentralisaties. Voor gemeenten betekent dit dat ze financieel leeglopen op taken die ze van het rijk moeten uitvoeren, terwijl ze nauwelijks mogelijkheden hebben om de kosten te beperken.

De tekorten zorgen voor een ‘prikkel tot afschuifgedrag in plaats van solidair handelen en verantwoordelijkheid nemen’, concludeerde consultancybureau Significant Public eind 2019, dat onderzoek deed in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid. Toch lukt het de koepelvereniging van gemeenten niet om voldoende geld los te peuteren. ‘Groepen gemeenten zijn met elkaar aan het concurreren over hun deel van de taart, zonder dat het ons lukt de taart groter te maken’, zegt Annelies de Jonge, wethouder Jeugd voor de Partij van de Arbeid in Zutphen. ‘Gemeenten zijn nu onderling in concurrentie, daarom neemt de kracht van de Vereniging Nederlandse Gemeenten enorm af. Op deze manier gaat het niet, het wordt een zooitje, iedereen krijgt ruzie met elkaar.’

De groepen die een nieuwe start in een andere gemeente het hardst nodig hebben, zoals slachtoffers van huiselijk geweld of ex-verslaafden, lijden het meest onder het afschuifgedrag. ‘Waarom wij?’ krijgt Eefje van Eeden van Sterk Huis elke maand wel een keer van een gemeente te horen. Sterk Huis is een crisisopvang voor slachtoffers van huiselijk geweld. Van Eeden moet ervoor zorgen dat de vrouwen na de noodopvang naar een veilige plek kunnen. Maar in haar zoektocht krijgt ze steeds weer de vraag: ‘Waarom wij? Waarom niet een andere gemeente?’

Reactie ministerie van Volksgezondheid

In een reactie laat het ministerie van VWS weten dat vanaf de start van de decentralisaties in 2015 bekend was dat er problemen waren met de vraag welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor de jeugdzorg. Door zeer recente wetswijzigingen ‘wordt mogelijk afschuifgedrag zo goed mogelijk voorkomen’. Het ministerie verwacht dat de ‘doordecentralisatie’ van beschermd wonen het aantal discussies tussen gemeenten zal doen verminderen, omdat in het wetsvoorstel ‘voor elke cliënt de verantwoordelijkheid duidelijk is geregeld’. Het ministerie benadrukt dat de financiële situatie van gemeenten niets afdoet aan hun wettelijke verantwoordelijkheden op het gebied van zorg en ondersteuning. Het kabinet deelt de financiële zorgen van gemeenten en het ministerie zal samen met gemeenten ‘maatregelen gaan verkennen die bijdragen aan een betere sturing op de uitgaven in de Wmo en jeugdzorg’.

De crisisopvang biedt hulp aan vrouwen die op de vlucht zijn voor een gewelddadige partner of ex. Zij kunnen vaak niet terug naar de gemeente waar ze vandaan komen, omdat ze daar onveilig zijn. Daarom zijn gemeenten wettelijk verplicht om deze vrouwen voorrang te geven bij een sociale huurwoning, óók als ze geen binding hebben met die gemeente. Maar de praktijk is anders: de vrouwen worden geregeld bij vijf of zes gemeenten afgewezen voordat ze een plek vinden waar ze terecht kunnen, zegt Van Eeden. Vooral wanneer iemand naar een andere regio moet wordt het ‘heel moeilijk’. Sommige vrouwen zitten nu al één of soms zelfs twee jaar in de noodopvang en zoeken nog altijd naar een gemeente die hen wil opnemen.

De Ombudsman trok in 2017 al aan de bel, maar twee jaar later is er volgens hem nauwelijks iets verbeterd. De Ombudsman noemt zelfs een gemeente die ‘een hek om de regio’ heeft gezet en geen enkel slachtoffer van huiselijk geweld van buiten de gemeentegrenzen toelaat. Gemeenten weigeren vaak om een platte financiële reden: vrouwen die ze toelaten brengen kosten zoals een uitkering, hulpkosten of zorgkosten met zich mee. Daar willen of kunnen gemeenten niet voor opdraaien.

Voor veel vrouwen zou ‘beschermd wonen’ een uitkomst zijn. Dat is een speciale vorm van zorg, onder meer voor slachtoffers van huiselijk geweld, waarbij ze zelfstandig wonen maar intensieve begeleiding krijgen. ‘Dat proberen we vaak niet eens meer’, zegt Van Eeden. ‘De wachtlijsten zijn gigantisch. Ik heb dat in de zeven jaar dat ik hier werk nog nooit voor elkaar gekregen.’ Het gevolg is dat vrouwen van hot naar her moeten in afwachting van een geschikte plek. Vaak blijven ze dan toch bij familie of vrienden, met alle risico’s van dien. ‘Waar kun je die vrouw zonder kleerscheuren de wachttijd laten overbruggen?’ is de vraag die Van Eeden vaak bezighoudt en die ze regelmatig niet opgelost krijgt.

‘Leudal zet rem op wildgroei aan zorginstellingen’, meldde dagblad DeLimburger afgelopen maart. ‘Een paar jaar terug zijn wat boeren in onze regio gestopt’, licht wethouder Mart Janssen van de gemeente Leudal toe. ‘We hebben hen toen aangemoedigd om iets met zorg of recreatie te gaan doen. Maar daar zijn we van teruggekomen: inmiddels hebben we meer zorgaanbieders dan klanten. En dat moeten we een halt toeroepen, want aanbod creëert vraag.’

Leudal is niet de enige: in 2019 waarschuwde het Centraal Planbureau al voor de perverse prikkel dat het voor gemeenten aantrekkelijk is om zo min mogelijk zorgplekken te hebben. Gemeenten weigeren nieuwe instellingen vanwege de kosten, omdat men het niet nodig vindt, of ‘om wille van het weren van de “doelgroep” als zodanig’, schrijft het Planbureau.

Intussen lopen de wachtlijsten op. De gemiddelde wachttijd voor beschermd wonen bedraagt inmiddels meer dan een half jaar. Amsterdamse kinderrechters en de Kinderombudsman trokken in 2018 aan de bel omdat kinderen te lang moesten wachten op geschikte jeugdhulp. Maar hoe lang de wachtlijsten voor jeugdzorg zijn is onbekend. Reden: sinds de decentralisatie uit 2015 heeft elke gemeente een eigen administratie en is het overzicht verloren geraakt.

Ondertussen is de decentralisatie nog niet volledig afgerond. Vanaf volgend jaar moeten ook de allerkleinste gemeenten veilige woonplekken bieden aan mensen met geestelijke-gezondheidsproblemen of slachtoffers van huiselijk geweld. De gevolgen zijn groot, vrezen brancheorganisaties en het Centraal Planbureau. Waar nu nog 43 gemeenten een beschermde woonplek moeten bieden, worden dat er vanaf volgend jaar 352 – álle gemeenten in het land.

De kans dat geen enkele gemeente zich verantwoordelijk voelt om iemand in nood hulp te verlenen, wordt zo alleen maar groter.


Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, fondsbjp.nl. De achternamen van Laura en Raymond zijn bij de redactie bekend