Essay: Het einde van het lichaam

Wij zijn God

De moderne mens is geobsedeerd door het lichaam. Maar het einde van het fysieke is in zicht. Steeds meer wordt het leven bepaald door genetische modificatie en de fusie tussen mens en technologie. Welkom in het postmenselijke tijdperk.

Begin 21ste eeuw, een ziekenhuis in Detroit, Michigan. Een echtpaar neemt gespannen plaats aan het bureau van een man in witte jas. Hun zoontje, die een bril met dikke glazen op z’n neus heeft, vermaakt zich met wat speeltjes op de kantoorvloer . De ouders leggen aan de man uit dat ze «toch wel iets aan het toeval zouden willen overlaten». De man lacht. Dat is nergens voor nodig, want de natuur heeft al genoeg onvolmaaktheden bij de mens ingebouwd. Waarom het risico lopen dat het kind met een hartafwijking ter wereld komt? «Kijk», zegt de man, «het kind zal nog steeds deel van u zijn. Maar dan wel het beste deel van wat u te bieden heeft.» De ouders zijn nu tevreden, en bestellen hun tweede kind: een baby die in alle opzichten lichamelijk en geestelijk perfect zal zijn. Wanneer de baby als volwassene in alles excelleert, mijmert zijn broer, een man met dikke brillenglazen: «Ik zal nooit begrijpen waarom mijn ouders bij mijn conceptie hun geloof in de handen van God hebben gelegd, en niet in de handen van de plaatselijke gentechnicus.»

Illinois, Colorado, eind augustus 2000. In het Masonic Medical Centre wordt een jongetje geboren. Meteen na de geboorte nemen artsen cellen weg uit de navelstreng. De cellen zijn bestemd voor transplantatie bij zijn zusje, de zesjarige Molly Nash. Ze lijdt aan een dodelijke erfelijke afwijking die de aanmaak van been mergcellen verstoort. Bij de transplantatie nemen de gezonde cellen de plaats in van de zieke cellen. Het pasgeboren jongetje, de do nor van de cellen, is het resultaat van een genetische selectieprocedure: zijn ouders hebben genetische tests gebruikt om een baby te kweken die de juiste cellen heeft om het leven van hun zieke dochtertje te redden. Het jongetje bestaat alleen omdat hij een perfecte donor is. De Amerikaanse krant The Washington Post publiceert de primeur over de genetisch geselecteerde baby. Bio-ethicus Jeffrey Kahn van de Universiteit van Minnesota waarschuwt in de Post tegen «ontwerpbaby’s»: «Je zou kunnen zeggen dat het snel zoiets begint te worden als het kopen van een auto, waar je beslist welk pakket accessoires je wilt hebben.»

Twee nieuwe mensen, twee ontworpen lichamen; het ene fictief, het andere werkelijkheid. De ouders in Illinois zijn echt, maar de ouders in Detroit zijn personages in de orwelliaanse toekomstfilm Gattaca (1999) van Andrew Niccol. Beide ouderparen — beide verhalen — tonen aan dat het menselijk lichaam een obsessie is geworden in het cultureel bewustzijn. Deze fixatie is kenmerkend voor de huidige tijd. Het lichaam fungeert als politieke, technologische en culturele raison d’être, als tastbaar bewijs van het beste en het slechtste waartoe de menselijke geest in staat is. Uit de gevallen in Detroit en Illinois blijkt dat de ontwikkelingen op het gebied van de biotechnologie er razendsnel toe leiden dat het radicaal transformeren en manipuleren van het menselijk lichaam nauwelijks nog fantasie kan worden genoemd. Niet voor niets verklaart de Franse filosoof Jean Baudrillard dat de sciencefiction obsoleet is. En niet voor niets kwam de controversiële Duitse filosoof Peter Sloterdijk met zijn pessimistische, door velen bekritiseerde constatering over het falen van het humanisme en het gebruik van gentechnologie voor het verbeteren van het menselijk ras. Dit alles vindt plaats in wat het «postmenselijke tijdperk» wordt genoemd, een era waarin het biologische en abstracte lichaam transformeert en evolueert — om uiteindelijk te verdwijnen.

De droom van onsterfelijkheid met daarin de fusie tussen mens en informatie, vlees en verbeelding — dat is de drijvende kracht achter de obsessie met het lichaam. Hierin ligt wel een tegenstrijdigheid, aangezien het fysieke juist datgene is wat ons elke dag dwingt onze vergankelijkheid onder ogen te zien. Maar het traditionele denken over het existentialisme biedt geen houvast meer in deze tijd van virtuele werkelijkheden en kunstmatige intelligentie. De vraag is wat er met ons gebeurt wanneer we fuseren met onze verbeelding, wanneer we onszelf fictionaliseren en digitaliseren.

Natacha Merrit, een 22-jarige Amerikaanse fotokunstenares, is een voorbeeld van het bestaan van de gedigitaliseerde mens in de virtuele wereld van internet. Op haar website en in haar boek Digital Diaries zijn foto’s te zien die ze van zichzelf heeft gemaakt met een digitale camera. De foto’s tonen een fragmentarische, gedeconstrueerde mens. Maar wat nog het meest opvalt, is dat de kijker zich doorgaans bewust blijft van de digitale camera, alsof het apparaat een nieuw aangegroeide ledemaat aan het gemuteerde lichaam van Natacha is.

Deze combinatie van seks, technologie en het menselijk vlees is een uiterst modern thema. In J.G. Ballards roman Crash en David Cronenbergs verfilming ervan wordt het menselijk lichaam beschreven in termen van kunstmatigheid, waardoor het onderscheid tussen mens en machine vervaagt. James, de verteller, beschrijft in Crash het lichaam van Vaughn: «The whiteness of his arms and chest, and the scars that marked his skin like my own, gave his body an unhealthy and metal lic sheen, like the worn vinal of the car interior.» Ontmenselijking — het menselijk vlees als technologische hardware — is een hoofdthema in het gehele oeuvre van Cronenberg. In zijn film eXistenZ fuseren de personages bijvoorbeeld met een nieuw soort computerspel. Tijdens het spel is het lichaam overbodig doordat het verhaal zich in een virtuele ruimte afspeelt. Het fysieke wordt gedegradeerd tot wat een personage in Cronenbergs film omschrijft als «the most pathetic level of reality».

Op 15 mei 1996 voorspelde Marvin Minski, een van de grondleggers van de kunstmatige intelligentie, in een lezing in Nara, Japan, dat het binnenkort mogelijk zal zijn menselijke herinneringen aan de hersenen te onttrekken en ze onveranderd te bewaren op een diskette. Of dat zal kloppen moet nog blijken. Maar N. Katherine Hayles, auteur van How We Became Posthuman (1999), concludeert uit zijn woorden: «Als we één kunnen worden met de informatie die wij hebben geconstrueerd, dan kunnen we onsterfelijk worden.»

Het verdwijnen van het lichaam houdt de mens al lang bezig. In de cybernetica zijn Norbert Wiener en Hans Moravec beroemd om hun werk op het gebied van de fusie tussen mens en machine, waarbij de mens het lichaam «kwijtraakt» ten behoeve van een virtueel bestaan. In How We Became Posthuman neemt Hayles het werk van Moravec en Wiener als uitgangspunt bij het ontwikkelen van wat ze het postmenselijke noemt. Centraal in haar werk staat de vraag hoe «informatie haar lichaam kwijt is geraakt». Hoe werd informatie «bevrijd» van de ketens van menselijke en machinale lichamen om een eigen leven te gaan leiden? Hayles veronderstelt vier dingen. Ten eerste: biologische belichaming is geen levensfeit, maar simpelweg een «historisch ongeluk»; ten tweede: de centrale rol van het bewustzijn in de westerse beschaving wordt ontkend ten behoeve van een secundaire rol; ten derde: het lichaam is slechts de oorspronkelijke prothese waarmee we allemaal hebben moeten leren omgaan, waardoor het vervangen ervan niets meer is dan de voortzetting van een proces dat al voor onze geboorte is ontstaan; en ten vierde: door het herdefiniëren van de mens kan hij nu «probleemloos met intelligente machines worden verbonden». Hayles: «In het postmenselijke bestaat geen essentieel onderscheid of absolute grens tussen het lichamelijke leven en de computersimulatie, cybernetisch mechanisme en biologisch organisme, robotteleologie en menselijke doelstellingen.» De moderne mens omvat maar een fractie van de geschiedenis van het leven, vindt Hayles, en daarom is hij slecht in staat een betekenisvolle rol te spelen in de evolutie van menselijke biologische gedragspatronen en -structuren.

Maar Hayles’ idee van het postmenselijke wordt niet zozeer gevoed door een puur concrete verwachting van het einde van het fysieke, zoals het geval is bij Minsky en Moravec; haar theorie bevat eerder een abstracte voorstelling van «de nieuwe mens». Hierbij wordt het leven niet meer overheerst door het lichaam en het lichamelijke, maar door een complexe relatie tussen mens en informatie, tussen wat we nu zien als enerzijds «de werkelijkheid», en anderzijds «het virtuele». De kracht van Hayles’ werk ligt daarin dat ze op boeiende wijze probeert het «liberal humanist subject» te deconstrueren. Dat is een reactie op de tijdgeest. In de jaren negentig wordt de verlichte mens als het ware «opgegeten», waar door hij steeds meer ontmenselijkte trekken vertoont. Deze ontwikkeling wordt bij voorbeeld gepersonifieerd door Thomas Harris’ vleesetende monster Hannibal Lecter of de sexy popcultuurslaaf en seriemoordenaar Patrick Bateman uit American Psycho van Bret Easton Ellis. Hayles: «Mijn nachtmerrie is een cultuur die wordt bevolkt door postmensen die hun lichaam niet be schouwen als de essentie van het bestaan, maar als modeaccessoire. Mijn droom is een versie van het postmenselijke waarin men de mogelijkheden van informatietechnologie onderkent, zonder te worden verleid door visies van ongelimiteerde macht en het van het lichaam gescheiden eeuwige leven.»

Hayles gaat niet mee in absolutistische cultuurfilosofische visies die het verdwijnen van het biologische lichaam toejuichen, zoals bijvoorbeeld die van Jean Baudrillard, die zegt: «Het menselijk lichaam, ons lichaam met al zijn complexe en veelvuldige organen, lijkt overbodig. Nu ligt het accent op de hersenen en op de genetische code, die allebei de operationele definitie van het bestaan omvatten.» Toch onderkent Hayles het werk van Moravec en Minsky, die in feite het postbiologische tijdperk voorspellen. Als gevolg van deze dichotomie heeft dat «posthuman» in de titel How We Became Posthuman twee betekenissen: «postmenselijk» als de opstanding van een nieuw soort mens, en «post-humanistisch» als de deconstructie en het mogelijke einde van het humanisme.

Het is een schitterende ironie dat de volledige levensloop van de twee jongetjes uit Detroit en Illinois al vastligt nog voordat er bij hen sprake is van een lichaam. Lang voor hun conceptie stellen mannen in witte jassen al vast dat ze perfect zullen zijn — letterlijk in het geval van het bebrilde jongetje uit Detroit, en figuurlijk in het geval van de «ontwerpbaby» in Colorado, doordat zijn lichaam de gewenste cellen zal opleveren. De stelling van Baudrillard dat het hele leven door de gentechniek wordt bepaald is niet overdreven, zeker niet in het geval van Gattaca, een film die een streng gecontroleerde samenleving toont waarin de mens niet alleen genetisch geselecteerd is, maar waarin deze superwezens zelfs fuseren met een ultratechnologische omgeving.

Gattaca is de naam van een ruimtevaartorganisatie in de buurt van Detroit. Wie daar wil werken, moet genetisch perfect zijn. In de film zijn de lichamen van alle acteurs net zo extreem gestileerd als de sets: de in zwarte pakken met witte overhemden geklede Gattaca-werknemers lopen ritmisch door de glimmende gangen en langs de egale muren van het complex. Ze zitten de hele dag achter zwart-witcomputers en praten niet met elkaar. Er is geen sprake van emotie; ze vormen een eenheid met de hardware die hun wereld aandrijft.

Het jongetje met de bril, Vincent Freeman, droomt van een reis naar de sterren. Maar een baan bij Gattaca is voor hem niet weggelegd. Immers, zijn ouders hebben «hun geloof in de handen van God gelegd, en niet in de handen van de plaatselijke gentechnicus». Dan beraamt hij een plan. Via een illegaal bureau komt hij in contact met Jerome, een genetisch gemodificeerde, lichamelijk volmaakte jongeman, die in een rolstoel zit na een auto-ongeluk. Met instemming van Jerome neemt Vincent diens identiteit aan, en moet hij dagelijks de urine van Jerome meedragen in een zakje onder zijn kleren. Bij Gattaca worden namelijk elke dag genetische tests uitvoerd om er zeker van te zijn dat iedere werknemer «echt» is.

De openingsscène van de film verbeeldt het allesoverheersende belang van het lichaam. In slowmotion dwarrelen afgeknipte nagelrestjes en haartjes naar beneden. De stukjes lichaamsafval zijn uitvergroot over de volle breedte van het scherm, waardoor ze een enorm belang krijgen. Het lichaam, in het bijzonder het perfecte lichaam, is in dit verhaal een voorwaarde voor het leven — zonder dat ben je niks. Maar de obsessie met het perfecte lichaam heeft desastreuze maatschappelijke gevolgen. Het «genisme» is namelijk wijdverbreid, zoals de verteller Vincent opmerkt: «Een nieuwe onderklasse is ontstaan, aangezien we nu op wetenschappelijke wijze kunnen discrimineren.»

Hoe ver zijn wij verwijderd van de wereld van Gattaca? Terecht opent de film met de tijdsbepaling «de nabije toekomst». Inderdaad, in onze eigen werkelijkheid zijn de moreel-ethische gevolgen van de wetenschappelijke vooruitgang niet te overzien. Dat is opnieuw gebleken in het geval van de genetisch gemodificeerde baby in Colorado. Velen vinden dat de uitwassen van dit soort medische ontwikkelingen uiteindelijk onacceptabel zullen blijken, zoals het kloneren van mensen en het ontwikkelen van scharen «superwezens» of de teloorgang van het fysieke lichaam. In Nederland is het bijvoorbeeld verboden mensen te kloneren, voor een bepaald geslacht te kiezen of een combinatie tussen mens en dier tot stand te brengen. Wel is het toegestaan levensvatbare embryo’s die overblijven bij invitrofertilisatie te gebruiken voor onderzoek. Sommige wetenschappers waarschuwen dan ook dat de mens zich niet te snel moet afkeren van nieuwe research die mogelijk voordelen kan bieden. Derhalve ontstaat een onmogelijke combinatie: het streven naar biotechnische vooruitgang met onsterfelijkheid als oogmerk enerzijds, en anderzijds dat naar moreel-ethische zuiverheid, met de acceptatie van de onvolmaaktheid en mortaliteit van de mens als nobel doel.

Aan deze twee ogenschijnlijk onverenigbare doelstellingen heeft ook Peter Sloterdijk zijn vingers gebrand. Eind 1999 schudde de intellectuele wereld op zijn grondvesten toen hij het failliet van het humanisme aankondigde. In een open brief aan Jürgen Habermas getiteld Regels voor het mensenpark schrijft Sloterdijk dat kunst niet meer in staat is een «telecommunicatieve band» te smeden tussen de bewoners van een moderne massamaatschappij. Door de opkomst van radio en televisie en nu ook van internet is «de coëxistentie van de mensen op een nieuwe leest geschoeid. Die is, zoals zonder omhaal valt aan te tonen, duidelijk postliterair, postepistolair en derhalve posthumanistisch… humanisme als woord en zaak heeft altijd een tegenhanger, want het is de geëngageerde strijd voor het terughalen van de mens uit de barbarij.» En hoe te werk te gaan bij het «ontbestialiseren» van de mens? De gentechniek gebruiken als teel- en selectie-instrument. Het weekblad Die Zeit schreef in een reactie: «In Sloterdijks selectiefantasieën schuilt een afschuwelijk realisme dat het diabolisch potentieel van het genonderzoek nuchter laat zien.»

Vergelijk twee Onzichtbare Mannen: Claude Rains speelt in James Whale’s The Invisible Man (1933) een romantische antiheld, een tragisch, seksueel gefrustreerd figuur dat voor altijd gevangen is in een staat van melancholie wegens lichamelijke misvorming. Maar in Hollow Man (2000), Paul Verhoevens versie van H.G. Wells’ verhaal, is geen sprake meer van de schitterende weemoed uit Whale’s meesterwerk. Terwijl Whale’s held nog veel humanistische trekken toont dankzij zijn romantische melancholie, voert pure verdorvenheid hoogtij in Verhoevens film. De wetenschapper verandert namelijk door genetische modificatie in een cynisch monster, dat zijn nieuwe kracht gebruikt als vrijbrief om te moorden en te verkrachten. De overwinning van de «bestialiteit», om met Sloterdijk te spreken, is een feit.

Verhoevens Onzichtbare Man schreeuwt het uit: «Ik ben God!» En waarom ook niet? Hij is menselijk, wetenschapper en streeft naar almacht en onsterfelijkheid. Dat maakt de Onzichtbare Man een supermens, en het koppelt hem aan een groep lotgenoten die deel uitmaakt van de Amerikaanse superhero-stripcultuur, belichaamd door bekende personages als Superman, Batman of Spider Man. Maar, zoals Umberto Eco in zijn analyse van Superman aantoont, superhelden als de «Man van Staal» zijn paradoxaal genoeg ook menselijk: «Een onsterfelijke super-man zou geen mens meer zijn, maar een God, en de identificatie van het publiek met zijn dubbele identiteit zou verbrokkelen.» Toen Superman een paar jaar geleden stierf, kwam dat doordat hij te machtig en daardoor te ongeloofwaardig was geworden voor zijn lezers. Superman moest sterven, omdat hij als een god was geworden.

Evenals Verhoevens Onzichtbare Man is Griffin in Wells’ oorspronkelijke verhaal ook een soort super-man die een God wil zijn. Dat verhaal komt in een ander daglicht te staan door de onthulling dat Herbert George Wells niet alleen een begenadigd auteur was, maar ook een pleitbezorger van het ergste soort eugenetica. In de briljante biografie van Michael Coren, The Invisible Man: The Life and Liberties of H.G. Wells (1993) valt te lezen dat de auteur de eerste populaire schrijver was die rassenselectie tot een onderdeel van de eugenetica maakte. In Wells’ Anticipations betoogt de auteur bijvoor beeld dat de zwakkeren in de samenleving — «zwermen zwarte en bruine en gele mensen» — dienen te worden geëlimineerd. Arthur Conan Doyle beschreef Anticipations als: «vile and villainous… any man who knows humanity knows that the book is horrible». «Horror» speelt vaak een rol in het discours over de eugenetica en genetische modificatie.

Met name het eerste uur van Hollow Man is een schitterende allegorie van de moderne fixatie op het lichaam en de fusie met de technologie. Dat deel van de film heeft zijn weerga alleen in Cronenbergs meesterlijke The Fly (1986), waarin de fusie van menselijk vlees en metaal een afschuwelijk, tragisch monster voortbrengt. Zoals in het laboratorium van Seth Brundle, Cronenbergs wetenschapper, zien we in Hollow Man fanatieke pogingen om door middel van genetische modificatie een doorbraak te bewerkstelligen die de mens voor altijd zal veranderen. De overdonderende aanwezigheid van technologie maakt het laboratorium tot een symbool van het moderne leven. Verhoeven dwingt de kijker zich te identificeren met de wetenschapper, gespeeld door Kevin Bacon. Wanneer deze als de Onzichtbare Man moordt en verkracht, komt de kijker door die identificatie oog in oog te staan met zijn eigen gevoelens van voyeurisme en zijn zucht naar al macht en onsterfelijkheid. In deze film, en in het oerverhaal van de Onzichtbare Man, betekent het verdwijnen van het lichaam de volledige fusie tussen mens en technologie én het samengaan van mens en verhaal, van het fysieke en het vir tuele. Dat maakt het verhaal bij uitstek postmenselijk. Je zeggen dat de mens langs narratieve weg op symbolische wijze onsterfelijkheid bereikt. Het verhaal van de Onzichtbare Man, met zijn droombeeld van menselijke almacht, volmaaktheid en immoraliteit, heeft eeuwigheidswaarde.

Een volgend bewijs van de fusie tussen mens en verbeelding is het geneticadiscours in de film Gattaca en in het waargebeurde verhaal van de ontwerpbaby in Illinois. Beide verhalen tonen aan dat fictie en feit niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Voor de lezers van The Washington Post of de Volkskrant bestaat Baby Nash niet; in onze ogen heeft deze ontwerpbaby geen lichaam, anders dan zijn gestalte in de virtuele, fictionele werkelijkheid van het nieuwsbericht. Deze fictionalisering van de mens en zijn wereld betekent het einde van het lichaam en het fysieke — de fusie tussen informatie en het menselijk lichaam.

Maar betekent dat ook het einde van de mensheid, zoals Peter Sloterdijk lijkt te suggereren met zijn constatering over het «posthumanistische»? N. Katherine Hayles vindt van niet. Maar ze zegt wel dat deze nieuwe tijd het einde betekent van «een zeker denkbeeld van de mens dat misschien slechts van toepassing was op een fractie van de mensheid die geld en tijd had om een idee van zichzelf te ontwikkelen als een autonome wezen». En dat denkbeeld vervaagt. Genetische modificatie en kunstmatige intelligentie hebben de definitie van het leven veranderd. Daaraan kan geen mens op aarde meer ontsnappen. We zijn één geworden met onze verbeelding; we zijn postmenselijk, we zijn God.