Wij zijn graag schuldig

Wij leven in een vreemd land.

Wij!

Met die eerste persoon meervoud is meer aan de hand dan je zou denken.

Die ‘wij-vorm’ werd vroeger de 'domineesvorm’ genoemd. De dominee moest ons schuld aanpraten en zei daarom: 'Wij hebben schuld.’ Het kwam ook wel voor dat 'wij hebben toegekeken, en niets gedaan’. En: 'Wij hebben gedacht, dit kunnen wij wel, maar wij konden het niet.’

Dominee begreep één ding heel goed: hij moest niet de tweede persoon meervoud gebruiken: jullie.

'Jullie zijn schuldig’, sloot de dominee zelf uit. Dat was niet alleen niet aardig, het zou eveneens afbreuk doen aan zijn boodschap. Immers: hij was ook een schuldig lid van de kudde.

Politici - maar niet de beste - namen deze domineestoon over.

'Wij moeten vooruit, wij moeten de dijken verstevigen, het is onze plicht dat wij de vastgeroeste bureaucratie uit elkaar schroeven en wegzetten bij het grofvuil.’

De politicus weet dat hij het moet doen, samen met zijn kiezers. Dus: wij.

En toch maakt het feit dat de 'ik’ meedoet in 'wij’ het mogelijk om bij een beschuldiging als 'ik’ enige afstand te bewaren. Daarom gebruiken polemisten deze vorm graag, al is hij tamelijk goedkoop. Met 'wij’ kun je namelijk iedereen de schuld geven, inclusief jezelf, maar omdat je de 'ik’ niet hoort, omdat hij als het ware verborgen is, ben je niet de hoofdschuldige, maar eerder medeschuldige. 'Wij moeten aan deze schurkenstreken paal en perk stellen.’

In die wij-vorm kun je trouwens de medeschuldige 'ik’ nog meer verbergen. Zo: 'Wij zijn een land dat vergiftigd is door haat. Haat jegens moslims, haat jegens de andersdenkenden, haat jegens de kunstenaars…’ Ik zet hier zomaar wat zinnen achter elkaar.

Wat we hier lezen zijn beschuldigingen. 'Wij’ zijn de schuldigen. Ik dus ook. Maar door te zeggen: 'Wij zijn een land dat… et cetera’ is de 'ik’ nog meer naar de achtergrond gedrongen. Jullie zijn schuldig en ik ben schuldig - wij zijn samen ons land, dus ons land is schuldig. Zo verandert 'ik’ opeens in een schuldig land.

En ziet, opeens gebeurt het omgekeerde: het land is schuldig, en ik eigenlijk niet meer. Ik ben weliswaar onderdeel van dat land, maar dat land is veel groter dan ik, dus kan ik er niets aan doen. Je kunt nu dus alles en iedereen beschuldigen, jezelf incluis, maar in één klap maak je ook duidelijk dat je eigenlijk niets kunt doen aan je schuld. 'Wij zijn een bank die altijd de belangen van de klant op het oog heeft gehad.’ En: 'Wij zijn een gemeenschap die iedereen altijd vriendelijk ontvangt.’ Of, beschuldigend: 'Wij zijn veranderd in een stel bureaucraten die het anderen expres moeilijk maken. Wij lijken tot doel te hebben het de ander moeilijk te maken, voor gek te zetten, klein te maken, te vernederen.’

De pluralis majestatis, zoals de wij-vorm ook wel wordt genoemd, heeft ook letterlijk tot doel afstand te scheppen tussen de vorst en het volk. Natuurlijk, de vorst maakt deel uit van het volk, maar is daarboven verheven. En daarom mag hij, als hij 'ik’ bedoelt, 'wij’ zeggen.

En dat is wat de polemist ook doet, natuurlijk. Hij verheft zich boven datgene waar hijzelf ook schuldig aan is.

'Wij weten niet meer wat we doen. We leven in een coma. We onttrekken ons aan onze verantwoordelijkheid en menen vervolgens dat wij het goede doen. Wij zijn arme schapen op weg naar de slachtbank.’

De wij-vorm is dus een doorzichtige retorische truc, maar vooral in Nederland populair. Omdat wij graag schuldig zijn, zelfs als we geen schuld hebben. Dat begrepen die dominees heel goed.

Ik heb een moord begaan, of: wij hebben een moord begaan. Je merkt onmiddellijk het verschil in verantwoordelijkheid.