1992: Forever Young - Duncan Stutterheim

Wij zijn het feest

Toen Duncan Stutterheim met zijn ID&T op 20 juni 1992 in de Utrechtse Jaarbeurs een ‘eindexamenfeestje’ organiseerde, stonden er dertienduizend scholieren voor de deur. Het was de eerste ‘Thunderdome’, in de jaren daarna vooral bezocht door gabbers. Tot in 2000 Sensation kwam. Ook van ID&T.

Medium stutteri

‘Wij zijn het Feest, dit is ons manifest. Onze gekozen emotionele staat is uitzinnigheid. Ons gekozen voedingsmiddel is liefde. Onze gekozen verslaving is technologie. Onze gekozen religie is muziek. Ons gekozen betaalmiddel is kennis. Onze gekozen politiek is geen. Onze gekozen maatschappij is utopisch, al weten we dat deze er nooit zal komen. Je kunt ons haten. Je kunt ons wegwuiven. Je kunt ons verkeerd begrijpen. Je kunt niet eens van ons bestaan afweten. We kunnen alleen hopen dat je ons niet zou willen veroordelen, want wij zouden jou nooit veroordelen. Wij zijn geen criminelen. Wij zijn niet gedesillusioneerd. Wij zijn geen drugsverslaafden. Wij zijn geen naïeve kinderen. Wij zijn een massief, globaal dorp dat door de mens gemaakte wetten, fysieke geografie en zelfs tijd overstijgt. Wij zijn Het Massief. Een Massief.’(Worldwide Party People Manifesto)

Het is niet leuk opgroeien in Landsmeer als je denkt dat je eigenlijk een Amsterdammer bent. En Duncan Stutterheim was zelfs niet eens een geboren Amsterdammer – zijn moeder was niet in het amc bevallen, maar gewoon in de provincie, in het ziekenhuis van Purmerend.

Landsmeer was zo’n typisch dorpje waarvan de gemiddelde Amsterdammer niet wist dat het bestond. Het lag dan wel onder de rook van de stad, niet eens zo heel ver boven het IJ, maar de bevolking bestond uit boeren en havenarbeiders. Pas in de jaren zeventig werd het ontdekt, toen Amsterdammers de stad beu waren en op zoek gingen naar ruimere, veiligere plekken om te wonen. De natuurgebieden Twiske en Ilperveld waren vlakbij, het was kindvriendelijk, en vergeleken met Vinex-buitenwijken was Landsmeer tenminste nog een authentiek lintdorp, met van die typische houten huizen die je bereikte met van die typische houten bruggetjes.

Het helpt ook niet als je vader zo radicaal anders is dan de gemiddelde inwoner van Landsmeer. Eind jaren zestig werd Cor Stutterheim gevraagd de Nederlandse tak van het van oorsprong Britse softwarebedrijf cmg op te zetten. cmg was toen nog een bescheiden bedrijf, met een handjevol medewerkers in Nederland en een paar dozijn in Engeland. Maar Cor Stutterheim was niet bescheiden, draaide werkweken van makkelijk tachtig uur. Zijn vrouw wist niet beter dan daarover te klagen, zijn kinderen wisten sowieso niet beter. Hij voerde zijn kinderen de lessen uit het zakenleven als mantra’s voor de toekomst: ‘Zie wat iedereen doet, maar doe wat niemand doet.’ Vaste tip nummer twee: ga nooit voor een baas werken. Het was het soort zakelijk instinct dat van Cor Stutterheim een harde vader maakte, eentje die nooit wilde praten over wat goed ging, alleen over wat niet goed ging. Want wat niet goed gaat maakt je beter.

En zoals dat gaat met vaders en zonen maakte dit ook van Duncan Stutterheim een harde jongen. Eentje die het tot het Noord-Hollands team schopte met judoën, eentje die stond te schelden als hij verloor met tennissen. Nu was hij geen toptalent met tennis, een D-speler, maar dan nog, met elke verliespartij vloog dat racket door de lucht, hard op het gravel. Hij was ook nog eens een kop kleiner dan de rest van zijn leeftijdscategorie, wat hem het gevoel gaf dat hij overal harder voor moest werken. Uit angst dat hij altijd zo zou blijven liet Duncan zijn botten opmeten om te zien of het allemaal wel klopte.

Tien was Duncan toen hij zeker wist dat hij hartchirurg wilde worden. Hij las medische boeken, leerde alle benamingen van de onderdelen van de hersenen uit zijn hoofd. Hij leerde continu, werkte keihard op het gymnasium, haalde negens en tienen. Ondertussen ging hij elke zaterdagochtend op zijn racefiets naar het Slotervaartziekenhuis, vanaf zijn vijftiende. Wc’s schoonmaken, geen leuk karweitje, maar Duncan vond het te gek. Hij stond met zijn voeten in Landsmeer, maar keek naar buiten, zag dat de wereld groter was dan zijn gezin. Hij zag de patiënten op de IC en op de aidsafdeling en zag hoe relatief het allemaal was, hoezeer hij een simpelweg-gelukkig-leventje leidde.

Hoewel hij misschien ergens diep in zich een onverklaard gevoel had dat hij eigenlijk een Amsterdammer was, had Duncan een typisch Landsmeerse jeugd. Watersurfen in het Twiske. Met brommers crossen. De glazen flessen van de buurman, eigenaar van een srv-wagen, kapot gooien. Het verhaal gaat dat Duncan en zijn jongere broer Miles alle hoge daken in Landsmeer ten minste één keer beklommen.

Hoewel hij zich geen ‘boerenpummel’ wilde voelen, ging hij wel met boerenpummels om. Zijn referentiekader bestond uit andere boerenpummels. Dit waren de late jaren tachtig, de jaren voordat de jongerencultuur zich 24 uur per dag verspreidde via televisie en internet. Duncan zag de wereld om zich heen veranderen: jongeren verzamelden zich op parkeerplaatsen en gingen dan niet naar cafés of naar de grote discotheken in Noord-Holland, maar trokken naar leegstaande loodsen in afgelegen gebieden. Soms reden ze in een stoet auto’s van drie kilometer lang naar een illegale locatie, waar er geen gezeik was over vergunningen, voorschriften en regeltjes.

Meer anti-Amsterdam kon je het niet bedenken: de house was toch echt doorgebroken in de hoofdstad, waar de maanden van 1988 als de ‘Autumn of Love’ werden gekenmerkt. Na maandenlang amper publiek gelokt te hebben met die muziek stond er opeens een rij voor de RoXy. Het was het gevolg van een paginagroot artikel in de Volkskrant van musicoloog Gert van Veen, die onder de kop ‘Acid!’ de krantenlezers wakker wilde schudden en de revolutie in de uitgaanswereld aankondigde. De ‘housepaus’ werd Van Veen genoemd. Het was het gevolg van een klein, geel pilletje met een smiley erop dat vanuit het feesteiland Ibiza naar Nederland was gekomen en hier furore maakte.

De aandacht was zo groot dat de RoXy het bijna niet trok: van oudsher was het een wat kunstzinnige, elitaire club die nu maar moeilijk kon wennen aan de Amsterdamse Leidsepleinjeugd (‘figuren met matjes’ noemde deejay Eddy de Clercq ze). Maar de house leek niet te stoppen. In 1989 opende Manfred Langer in een knalroze pand in de Amstelstraat de flamboyante homoclub iT, die meteen zo’n enorme allure kreeg dat ook hetero’s de club opzochten. Internationale beroemdheden als Grace Kelly en Boy George bezochten geregeld de iT. Meer nog dan de RoXy maakte de iT house extravagant, seksueel, onbegrensd, tolerant. Dit in combinatie met xtc, een drug waarvan je zoveel dopamine aanmaakt dat iedereen je beste, echt allerbeste vriend is, zorgde ervoor dat house in eerste instantie gezien werd als een uiting van een nieuwe vorm van vrijheid-blijheid, flowerpower.

Hoe anders dan in Landsmeer en alle andere kleine dorpjes en steden waar house in deze vroege jaren negentig steeds meer volgelingen kreeg onder de jeugd. Daar kreeg de housecultuur al snel een uniforme aanblik, die op geen enkele manier extravagant te noemen was. Kistjes en bomberjacks. Ook hier werd xtc geslikt, maar niet uit saamhorigheid, maar omdat het anders niet vol te houden was om een nacht lang te dansen. De house was harder ook, meer stampen, minder melodie.

De intrede van house in het leven van Duncan Stutterheim was meteen het einde van zijn ambitie hartchirurg te worden. Zijn cijfers op school kelderden, door al het feesten kon hij het niet meer opbrengen om ’s ochtends vroeg helemaal naar het Slotervaartziekenhuis te fietsen. Vanaf dat moment was het alleen nog maar house.

‘We kunnen alleen hopen dat je ons niet zou willen veroordelen, want wij zouden jou nooit veroordelen. Wij zijn geen criminelen’

Tien jaar later zou een radiojournalist aan hem vragen hoe het voor hem en zijn broer Miles was toen ze house ontdekten. ‘Voor ons was het alleen nog maar lachen, zuipen, vreten. We werden allebei meteen tien kilo te dik. Ik leefde op de grens, maar dacht nog wel eens na. Maar Miles’ (maakt een fluitend geluid, als een kogel die voorbij schiet), ‘pfieu, pfieu, gáán.’

‘Had hij geen grens?’

‘Nul. Nooit.’

Maar zelfs zonder vwo-diploma bleef Duncan een kind van zijn vader. Samen met zijn vrienden Theo en Irfan besloot hij een bedrijfje op te richten, om te kijken of ze zelf geen feesten konden organiseren. Ze noemden het bedrijfje naar de eerste letters van hun voornamen: id. Op zoek naar een centraal gelegen zaal kwamen ze bij de Jaarbeurshallen in Utrecht uit. Nogal groot, maar het enige wat beschikbaar was. Vader Cor Stutterheim stond voor een deel garant voor de lening die de jongens bij een bank afsloten om het feest gefinancierd te krijgen.

De drie jongens bedachten dat ze een feest konden geven met als doelgroep de eindexamenscholieren, en noemden het feest ‘The Final Exam’. Ze hoopten dat er misschien vijftienhonderd scholieren op af zouden komen. Het werden er dertienduizend. Cor was er die dag ook, op het feest van zijn zoon. 20 juni 1992. ’s Avonds zat hij bij de toiletten, met dropjes en pepermuntjes.

‘Wij werden eerst aangetrokken door het geluid. Van ver weg was de donderende, gedempte, echoënde beat vergelijkbaar met dat van een moeders hart dat een kind troost in haar baarmoeder van beton, stijl en elektrische draden. Wij werden aangetrokken door deze baarmoeder, en daar, in de hitte, in het vochtige en het donkere, leerden we dat we allemaal gelijk waren. Niet alleen door het duister en door onszelf, maar door de muziek die door ons en onze zielen heen dreunde: wij zijn allemaal gelijk. En ergens rond 35Hz konden we de hand van God op onze rug voelen, ons naar voren duwend, ons duwend om onze hersenen en lichamen en geesten sterker te maken. Ons duwend naar de persoon naast ons, om elkaars handen vast te pakken en elkaar op te tillen door onze oncontroleerbare vreugde met elkaar te delen, de vreugde die we voelden doordat we een magische bubbel creëerden die ons, voor een avond, kon beschermen tegen de horror, de gruweldaden en de vervuiling van de buitenwereld. Het is dat ene moment, met dit meest directe besef dat elk van ons waarlijk werd geboren.’ (Worldwide Party People Manifesto)

Met terugwerkende kracht werd The Last Exam omgedoopt tot ‘Thunderdome 0’, zoals Duncan en Irfan hun feesten besloten te noemen. ‘Thunder’ voor de harde muziek, ‘dome’ voor de grote ruimte. Theo was de vijfde Beatle, die na het eerste feest opstapte omdat hij het te veel werk vond. Anderhalf jaar later, in november 1993, organiseerde id opnieuw een feest in de Jaarbeurshallen in Utrecht, Thunderdome VII alweer. In de korte tussenliggende tijd waren edities georganiseerd in Thialf in Heerenveen en in de Martinihal in Groningen – housefeesten hadden steeds minder met Amsterdam te maken, ze waren juist iets voor de verveelde jeugd in de provincie.

In deze jaren begon het logo van Thunderdome overal op te duiken. Een man in een rood gewaad, die demonstratief zijn armen omhoog hield, zijn vuisten gebald. Hij had een lange sik, hij zag eruit als een oosterse wijze. Je zag het logo op T-shirts, op agenda’s, op kaftpapier, je zag het genaaid op de rugzakken van middelbare scholieren, en je zag het terug in de platenwinkel, want de Thunderdome-platen gingen als de spreekwoordelijke warme broodjes over de toonbank.

Dat laatste was een mazzeltje. Platenmaatschappij Arcade, eigendom van de latere lpf-minister Herman Heinsbroek, wilde toevallig een cd uitbrengen onder diezelfde naam. Duncan Stutterheim, 21 jaar oud, dook er meteen met de beste advocaat die hij kon vinden bovenop. De deal die hij maakte hield in dat id de cd samen met Arcade uitbracht, en dat id één gulden per verkocht exemplaar kreeg. Dat er binnen een jaar vier miljoen van verkocht werden was geweldig voor de bankrekening van het bedrijf, maar dat een groot platenlabel hem, een jochie uit Landsmeer, zo serieus nam deed wonderen voor het ego van Duncan.

Ondertussen had broer Miles, die ook maar met zijn mavo was gestopt, een eigen designstudio gestart, M-Design, dat zich direct specialiseerde in het ontwerpen van de albumcovers van hardhouse platen. Veel doodshoofden, demonen, eindeloos veel bliksemschichten. Dit waren de jaren dat de subcultuur een steeds duidelijker vorm kreeg, en waarin hardhouse de andere housevarianten qua aandacht verdrong. Bepaalde deejays werden ineens tv-bekendheden, DJ Jean, DJ Paul Elstak, Charly Lownoise Mental Theo, ze verkochten miljoenen cd’s. Muziekzender tmf begon met programma’s rond gabbers, de jongeren die naar de feesten kwamen. Ze hadden hun eigen taaltje met termen als ‘knetterwaus’ en ‘strak staan’. Het leek erop alsof ze kledingvoorschriften hadden, zo uniform kleedden ze zich. Nike Air Max, witte sportsokken, trainingsbroek van Cavello, trainingsjasje van Australian – ‘de Aussie’, herkenbaar aan het logo met de kangoeroe – opgeschoren kop, eventueel met dikke oorbellen. Het was eigenlijk een vreemde paradox: zo stoer als de cd’s eruitzagen, zo onelegant als ‘het hakken’ was, zo dreigend als de muziek klonk – en ondertussen waren de teksten op alle liedjes zoeter dan suiker:

We are the children of the night

We fight for the future of our nation

Bij feesten doken stands op van ‘Naar House’, een initiatief uit de kerk om jongeren te waarschuwen niet naar binnen te gaan

Let’s come together and unite

Nothing’s gonna stop us now.

Dit waren ook de jaren waarin politici en opiniemakers probeerden te bedenken wat ze met deze subcultuur aan moesten. Burgemeesters probeerden veel feesten te verbieden, ze zaten niet te wachten op de geluidsoverlast en het drugsgebruik. Christelijke organisaties besloten dat house, letterlijk, des duivels was en bij de ingang van elk dansfeest van een beetje omvang doken stands op van ‘Naar House’, een initiatief vanuit de kerk om jongeren te waarschuwen niet naar binnen te gaan. Wie ’s nachts laat weer buiten kwam kreeg vanuit de stand drinken en een lolly.

Maar één vraag liet zich niet beantwoorden: wat wilden die gabbers nou? Toen de housemuziek opkwam leek er volgens journalisten een nieuw soort flowerpower aan te komen. De muziek sprak over utopieën, over vrijheid en gelijkheid – en zoals de hippies lsd hadden, hadden de gabbers xtc, een drug waardoor kleuren feller leken, bewegingen dromeriger waren en iedereen lief was. Maar op dat flowerpower-idee kwam iedereen al snel weer terug. Gabbers werden al snel geassocieerd met hooligans, en die rood-wit-blauwe vlaggetjes op de mouwen van de bomberjacks kregen al snel een nationalistisch karakter. Er waren weinig allochtonen te vinden op gabberfeesten en meisjes moesten zich vooral niet te meisjesachtig kleden, want dan kwam er gezeik.

Dit waren de kinderen van de generatie die was opgegroeid in de jaren zeventig en tachtig, hun ouders hadden tegen de bom geprotesteerd, hadden opgeroepen tot meer vrijheid om te kiezen. Gabbers wilden ook die vrijheid, maar alleen voor henzelf. Opgaan in de massa ging niet om de massa, maar om het opgaan. Het ging op het persoonlijke escapisme, om het individueel genot.

In elke schoolklas zaten wel drie gabbers, dat waren vaak de gasten die een beetje voor zich uit staarden, amper meededen in de les. Gabbers hadden iets apathisch. Er was geen protest, ze wilden niets veranderen, ze zaten niet te wachten op een revolutie. Het kon ze niets schelen, het verleden niet, de toekomst niet. Dat was inherent aan de muziek: het ging altijd om het heden, het ging om dat ene moment, als de synthesizers het voorspel doen, als een stuwende kracht, en dan opeens kort stil vallen, en de beat er keihard doorheen knalt.

‘Onze gekozen vijand is onwetendheid. Ons

gekozen wapen is informatie. Onze gekozen misdaad is het breken en uitdagen van welke wetten je denkt te moeten hanteren om ons tegen te houden ons bestaan te vieren. Maar weet dat je misschien elk mogelijk feest, op elke mogelijke plek, op elke mogelijke avond, in elke mogelijke stad, in elk mogelijk land of continent op deze prachtige planeet kunt tegenhouden, je kunt nooit het hele feest tegenhouden. Je hebt geen toegang tot die knop, wat je ook denkt. De muziek houdt nooit op. De hartslag zal nooit verdwijnen. Het feest zal nooit ophouden.’

Op 2 september 2000 zat Duncan Stutterheim in de radio-uitzending van SlamFM, een radiostation dat hij zelf had opgericht. Het maakte deel uit van id, dat in de jaren negentig alleen maar groeide, een verbond aanging met Arcade, Miles’ M-Design overnam. De broers gaven nu samen leiding aan tientallen medewerkers die allemaal ouder waren dan zij; ze vochten elkaar de tent uit, waren scherp, hard, ongeduldig. Maar ze wisten precies wat ze wilden en wat ze aan elkaar hadden. Duncan zat er niet om reclame te maken voor het Sensation-feest dat eraan kwam, het nieuwe flagship event van id. Thunderdome bestond nog steeds, maar was in de danscultuur in Nederland op een zijspoor beland. Gabber was te hard, werd gezegd, het brandde op, het was niet vol te houden. Dat was tenminste een verklaring, een andere verklaring was dat gabber te populair werd, te commercieel: er kwamen kindertrainingspakjes en kinderliedjes op housemuziek. Gabber zijn had iets bespottelijks gekregen, zeker nadat de voorman van de Raggende Manne en SP-prominent Bob Fosko als Hakkûhbar een parodiesingle opnam, vrij naar Daar komt Swiebertje:

Daar is gabbertje

Rare gabbertje

Daar is gabber met z’n kaalgeschoren kop

‘De muziek houdt nooit op. De hartslag zal nooit verdwijnen. Het feest zal nooit ophouden’

Daar is gabbertje

Rare gabbertje

Zo te zien heeft hij al honderd pillen op.

Begin 1997 stond de single op nummer één in de Top40. Het was niet heel leuk gabber te zijn toen het best verkochte nummer in Nederland totaal de vloer aanveegde met de gabbercultuur. De Sensation-feesten die id was gaan organiseren waren minder hardcore; de housemuziek was vervangen door trance, een net iets melodieuzere variant, meer ontspannen. De feesten werden niet in kale hallen gegeven, maar in versierde voetbalstadions.

Namens de luisteraars van SlamFM zei de deejay tegen Duncan: gecondoleerd met het verlies van je broer Miles. ‘Ik weet eigenlijk niet wat ik moet zeggen.’ Duncan klonk als een man die al 72 uur op was. Hij zei dat hij zich heel verdrietig voelde, maar dat het nu ‘heel, heel blij voelt, heel warm’.

Het kwam over hem heen vallen als een deken, zei Duncan. ‘Zo werd ik ook wakker. Mijn vader heeft altijd tegen me gezegd: “Volg je gevoel.” En als iemand dat deed was Miles dat.’

Drie dagen eerder reed Miles in zijn Porsche naar huis. Hij was nuchter maar reed te hard. Op de Europaboulevard bij de Amsterdamse rai verloor hij de macht over het stuur. Met 150 kilometer per uur knalde hij op een boom. Door de klap brak zijn nek, verder mankeerde zijn lichaam niets. Die nacht werd Duncan wakker gebeld door Miles’ vriendin Shirley. Paniek, schreeuwen. In elf minuten reed hij vanuit het centrum van Amsterdam naar het amc. Een paar dagen later ontving hij een bon omdat hij onderweg getankt had en was weggereden zonder te betalen. In het amc lag Miles aan de beademing, hij en Shirley namen afscheid, de beademing werd stilgezet. Vader Stutterheim was in Engeland en had niet de kans afscheid te nemen.

Dit kun je niemand uitleggen, zei Duncan in de uitzending. Zijn stem brak. ‘Dat ik hier nu lachend zit, vol energie, vol goede moed en vertrouwen in de toekomst – en dat ik niet bang ben. Dat ik nu afscheid neem van de puur fysieke Miles, maar dat hij altijd bij me is, altijd. We zijn altijd samen, en altijd gaan we ervoor.’

Miles had niets met religie – dat verklaarde ook een beetje zijn voorkeur voor demonen op zijn albumcovers – maar hij was ooit onder de indruk van een katholieke uitvaart in Ierland, van een oom. Na de begrafenis ging iedereen naar de kroeg, drinken en vrolijke verhalen vertellen. Zoiets sprak hem wel aan.

De dood van Miles werd paginagroot in kleur aangekondigd in De Telegraaf, buiten het katern met de reguliere rouwadvertenties. Op de foto stond een jonge jongen, zijn geboorte- en sterfdatum erbij, 24 jaar oud. De uitvaartdienst was een paar dagen later in het Krasnapolsky Hotel aan de Dam. Er werd gelachen, gehuild en gedanst, er klonk ouderwets harde housemuziek. Alle gasten hadden een kledingvoorschrift gekregen: het thema van de dienst was ‘Forever Young’ en daarom moest iedereen geheel in het wit gekleed zijn.

Een jaar later organiseerde id het tweede Sensation-feest. Duncan voegde er een woordje aan toe: Sensation White. De Amsterdam Arena was uitverkocht. Iedereen kwam in het wit.

Het was iets heel geks. De meeste mensen die het feest bezochten – tienduizenden – hadden geen idee wie Miles was of waarom ze in het wit waren gekomen. Maar het deed iets kantelen in het imago van grootschalige dansfeesten. Het wit maakte ze optimistischer, laagdrempeliger. De saamhorigheid leek terug.


Beeld: Catrien Ariëns, Hardcore en Rave Megamarket voor gabbers_. 23 november 1997, Rotterdam, 17.00 uur (Catrien Ariëns)._