Do It Ourselves: Het succes van de Opvoedpoli

‘Wij zijn het kastje én de muur’

De verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg in Nederland gaat in 2016 over van de rijksoverheid naar de gemeenten. Die moeten straks betere maar goedkopere hulp verlenen. Het goede voorbeeld bestaat al sinds 2008: de Opvoedpoli.

Medium groene opvoedpoli

De naam mag misschien wat klinisch en streng klinken, maar binnen oogt de Opvoedpoli veel meer als een gezellige huiskamer dan als de zoveelste zorginstantie. Rachid, die zojuist aan de hand van zijn moeder de vestiging aan het Haarlemse Spaarne is binnengelopen, voelt zich er dan ook al snel op zijn gemak. Terwijl het jongetje meteen in de kisten met verkleed­spullen en speelgoed duikt, doet zijn moeder bij een kopje thee haar verhaal aan de dienstdoende gezinscoach. Ze is onlangs gescheiden en met haar naar België vertrokken ex een omgangs­regeling voor hun zoon overeengekomen. Rachid moet binnenkort voor het eerst bij zijn papa op bezoek in Vlaanderen, maar het punt is: hij durft niet en lijdt ook echt onder die angst.

Op grond van het intakegesprek constateert de gezinscoach een half uur later dat Rachid niet gebaat is bij wat goede raad en begeleiding op de Opvoedpoli zelf. Zij vraagt daarom toestemming aan haar directrice om met de jongen mee te gaan naar zijn vader. Twee weken later zetten de gezinscoach en Rachid samen koers naar Vlaanderen. Geen ongebruikelijke behandelmethode voor medewerkers van de Opvoedpoli, die graag een stapje meer maken als een situatie daar om vraagt. ‘Het werkte voor Rachid het best als er een neutraal persoon mee naar België ging’, verklaart directeur Rachel van Daalen van de Haarlemse Opvoedpoli achteraf. ‘Hooguit hadden de extra kosten een probleem kunnen vormen, maar dat was in dit geval snel opgelost. Zijn moeder betaalde die graag als Rachid ermee geholpen was.’

De Opvoedpoli is opgericht door Linda Bijl. Als orthopedagoog en interim-manager hikte ze jarenlang aan tegen het gebrek aan kwaliteit en efficiëntie in de jeugdzorg, waarna ze uiteindelijk met haar echtgenoot Anne Punter, sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, en een aantal collega’s uit het werkveld een eigen particuliere organisatie opzette.

Het initiatief bleek een schot in de roos. Wat sprekende cijfers: in 2011 behaalde het bedrijf een omzet van 12,5 miljoen euro, en verwacht wordt dat die dit jaar naar 30 miljoen groeit. Ook het aantal medewerkers neemt in rap tempo toe. Begin 2010 telde de Opvoedpoli nog 74 medewerkers, inmiddels zijn dat er 410. Het aantal cliënten stijgt navenant: van 787 in 2009 naar 2254 in 2010, en naar 4000 ingeschrevenen in april van dit jaar.

De drempel van de Opvoedpoli is dan ook laag. Ouders en kinderen (tot 23 jaar) kunnen er terecht met al hun vragen en problemen. ‘Wij zijn het kastje én de muur’, luidt een gevleugelde uitspraak binnen de instelling. Er zijn wachtlijsten noch ingewikkelde intakeprocedures. Binnen een tot twee weken krijgt eenieder die voor behandeling in aanmerking komt passende hulp door eigen personeel aangeboden. Veel sneller dan in de reguliere jeugdzorg, die volgens Linda Bijl gebukt gaat onder bureaucratische rompslomp, met hoge kosten en een stuwmeer aan wachtenden tot gevolg.

Orthopedagoog en hoogleraar Tom van Yperen van het Nederlandse Jeugdzorg Instituut trekt in een onderzoek uit 2011 dezelfde conclusie als Bijl: de jeugdzorg is slecht toegankelijk en versnipperd. Verantwoordelijkheden zijn verdeeld over veel partijen en de financiering vindt via meerdere organisaties plaats. De praktijk laat volgens Van Yperen zien dat er onvoldoende afstemming is in het beleid, bij de financiering, in de contacten tussen de dienst- en hulpverleners onderling en met de jeugdigen en opvoeders om wie het gaat.

Ook de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (rmo) vindt dat de jeugdzorg moet worden ‘ontzorgd en genormaliseerd’. Problemen van cliënten krijgen te vaak meteen het etiket ‘ernstig’ opgeplakt, waarna onnodig doorverwezen wordt naar een specialistische organisatie. De rmo stelt dat kwetsbare gezinnen steun nodig hebben, maar lang niet altijd specialistische hulp. De sociale omgeving benutten is vaak al voldoende. Demissionair staatssecretaris van Volksgezondheid Marlies Veldhuijzen van Zanten kan zich in dat standpunt van de raad vinden: ‘Het advies is om minder nadruk op sturen, controleren en doorverwijzen te leggen en meer op ontmoeten, praten en vertrouwen opbouwen. Wij werken aan jeugdhulp waarin ruimte is voor hulpverleners om samen met kwetsbare kinderen en gezinnen aan de slag te gaan. Zo min mogelijk vanachter een bureau en zoveel mogelijk in het gezin, zodat er vertrouwen en een “klik” kan ontstaan.’

Het scheppen van een persoonlijke band vinden ze ook bij de Opvoedpoli essentieel. Of je er nu voor het eerst binnenkomt of op een vervolgafspraak, er is elke keer voor iedereen een warm welkom. In de ‘huiskamer’ staat een grote houten tafel en er is een zithoek waar cliënten kunnen neerploffen. De aanloop is in alle Opvoedpoli-vestigingen echter zo groot dat medewerkers geregeld met hun cliënten naar buiten gaan. Het kan variëren van een wandeling tot en met een gericht bezoek aan een plek die in het kader van de behandeling belangrijk is, zoals bij Rachid. ‘We zoeken de cliënt zo veel mogelijk op in zijn eigen leefomgeving om een beter beeld te krijgen van iemands omstandigheden.’

Orthopedagoog Manja Willemsen gaat bijna dagelijks met cliënten naar school en huis. Zelfs een therapeutisch uitstapje naar een zwembad behoort tot de mogelijkheden. ‘Ik ben met een familie gaan zwemmen in Center Parcs. Hun kind was net in het eigen gezin teruggeplaatst en de moeder had niet genoeg zelfvertrouwen om ermee op stap te gaan. Tijdens ons uitje kon ze met eigen ogen zien dat ze nergens bang voor hoeft te zijn. Misschien durft ze het de volgende keer wel zelf. Dat vertrouwen krijgt moeder niet als ik haar alleen achter mijn bureau spreek.’

Hulpverleners bij de Opvoedpoli krijgen veel vrijheid. ‘Wij doen alles, als het maar werkt’, zegt Van Daalen. ‘Vorig jaar behandelden we zelfs nog een kind dat in een residentiële instelling zat en niet hanteerbaar was. De opname kost 240.000 euro per jaar, maar in de vakantie had de instelling geen plek voor hem. Zijn moeder kon hem ook echt niet aan. Daarom hebben wij die jongen drie keer per dag anderhalf uur opgevangen tijdens de vakantie. De een ging met hem zwemmen, de ander fietsen, schaken en zelfs snorkelen. Hij was de hele dag bezig en verbleef verder gewoon thuis. Ik kan verzekeren dat wij met ons behandelprogramma geen 240.000 euro per jaar kosten.’

De Opvoedpoli werkt goedkoper omdat de overhead in elke vestiging beperkt blijft tot een officemanager en een directeur, die zelf ook een achtergrond als zorgverlener heeft. Hulpverleners vullen zelf hun papierwinkel in. ‘Wij willen dat het geld voor de zorg direct naar de klant gaat en zo min mogelijk naar de bureaucratie van de zorginstelling’, zegt Hein Rijkenberg, aanstaand directeur van de Opvoedpoli Amsterdam-Oost. Dat is ook de reden waarom de Opvoedpoli niet alleen met medewerkers in loondienst, maar ook met flexibele freelance specialisten werkt. ‘We hebben laatst een gezin behandeld met een zoon die pubergedrag vertoont en een dochter die depressief is. De jongen wordt bij ons geholpen door een gedragstherapeut. Het meisje krijgt therapie van een psycholoog. De ouders krijgen praktische hulp. De traditionele instellingen zouden moeten doorverwijzen naar een andere organisatie, omdat zij zelf niet al die specialismen in huis hebben.’

Kleinschaligheid is een belangrijk onderdeel van de bedrijfsfilosofie van de Opvoedpoli. Een grote en logge instantie mag het in de visie van Linda Bijl koste wat het kost niet worden. Zodra er meer dan veertig medewerkers op een locatie werken, wordt een nieuwe geopend. In totaal zijn er, naast het hoofdkantoor in Amsterdam-Centrum, inmiddels twaalf vestigingen in onder meer Alkmaar, Den Helder, Utrecht en Den Haag.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten was in de Kamer lovend over de frisse wind die dankzij het particuliere initiatief door de sector waait: ‘Zorgvernieuwers als de Opvoedpoli laten zien dat wat we met de veranderingen in de jeugdzorg willen bereiken in de praktijk ook mogelijk is.’ Toch verkeert de Opvoedpoli nog in onzekerheid over de rol die voor haar is weggelegd in het toekomstige jeugdzorgstelsel. De rijksoverheid kiepert dat hoofdpijndossier over de schutting bij gemeenten, die brede richtlijnen meekrijgen en dan zelf moeten uitzoeken wat binnen hun grenzen moet gebeuren. Door de minimale verantwoordingsverplichting en maximale beleidsvrijheid kan het zijn dat het zorgstelsel in elke gemeente anders wordt ingericht.

Bloemendaal is een van de gemeenten die al experimenteert met de nieuwe manier van werken die met de veranderingen in de jeugdzorg wordt beoogd. Vanuit een basisschool waar het Centrum voor Jeugd en Gezin in Bloemendaal is gevestigd, helpt de Opvoedpoli cliënten die bij de gemeente aankloppen voor ondersteuning bij opvoeding. Ze worden niet meer doorverwezen naar achterliggende instanties, maar krijgen direct hulp. Pauline Veldkamp van de gemeente Bloemendaal is blij met de samenwerking: ‘De voorstellen voor de nieuwe jeugdzorg komen precies overeen met de werkwijze van de Opvoedpoli. Dus waarom zou je allemaal instellingen gaan veranderen terwijl er al zo’n organisatie is?’

Veranderingen in de jeugdzorg zijn volgens Linda Bijl echter wel broodnodig: ‘De overgang naar gemeenten is een enorme kans om de jeugdhulp op lokaal niveau zo dicht mogelijk bij gezinnen te organiseren.’ Daarvoor moet wel het financieringsstelsel worden omgegooid: ‘We moeten af van de subsidies op aanbod. Want zo kun je niet goed inspelen op wat er echt nodig is.’

Het advies van Bijl aan gemeenten is dan ook om het nieuwe stelsel weer vanaf de grond op te bouwen, want anders bestaat het risico dat ze tegen exact dezelfde problemen aanlopen als de rijksoverheid: ‘Het is niet handig als alle gemeenten straks opnieuw het wiel moeten gaan uitvinden, maar in elke plaats is er wel behoefte aan andere hulp. In Bloemendaal wonen echt geen gezinnen met dezelfde problemen als in Amsterdam Nieuw-West.’