‘wij zijn luxe-stotteraars’

Wie stottert, wordt niet per se automonteur of garnalenpeller. Vier stotteraars die beroepssprekers zijn geworden, filosoferen over het lijden van vroeger en over hun drang totr publiekelijk spreken. ‘Toen ik eenmaal achter die microfoon stond, wist ik: dit is mijn kick!’
ALLE VIER HEBBEN ze een uitgesproken, zeer eigen stemgeluid. De theatermaker en radio-columnist Ab Gietelink (36) praat snel, luid en agressief, zijn woorden soms met driftige armbewegingen uit zijn mond forcerend. Literatuurwetenschapster en lectrice Maaike Meyer (46) vertelt heel rustig en zacht in vloeiende zinnen, die soms onder wild ooggeknipper even blijven steken. Talkshow-presentator Jan Lenferink (47) laat zijn stem rijzen en dalen, terwijl hij zijn woordenstroom met continue uitwijdingen en aanvullingen op gang houdt. De zangleraar en operadirigent Winfried Maczewsky (54) is een bedachtzame formuleerder van volzinnen, die hij langzaam worstelend met grote klankvariatie uitspreekt. Allemaal hebben ze een ander idee over wat stotteren precies is. Zoveel stotteraars, zoveel theorieen.

Waarom stotteren jullie?
Jan Lenferink: ‘Het zou mij niets verbazen als er bij mij een erfelijke aanleg in het spel is. Ik heb vijf broers en die stotteren allemaal, terwijl ook mijn vader en mijn moeders vader er last van hadden.’
Ab Gietelink: 'Ik heb ook twee stotterende broers. Mijn gedachte is dat het berust op imitatiegedrag aan de eettafel. Mijn moeder straalde pure wanorde uit en dus was het bij ons altijd een grote chaos: voortdurend probeerden we elkaar het woord te ontnemen en al schreeuwende het gesprek te monopoliseren. Vervolgens kreeg je een anarchie van het spreken, een psychologische survival of the fittest waarin iedereen gapende wonden opliep en niemand zijn ademhaling goed leerde ontwikkelen, zo bezig waren we om als kippen zonder koppen op elkaar in te hakken.’
Winfried Maczewsky: 'Weten jullie hoe ik ben opgegroeid? In absolute stilte. Wij mochten nooit iets zeggen. Alleen als ons iets gevraagd werd - dan moesten wij heel kort en precies een antwoord geven. Ondertussen voelde ik heel sterk de verplichting om heel mooi te kunnen spreken. Kijk, mijn vader was predikant. Hij leefde van het woord. Mijn voornaam is de vertaling van Bonifatius en ik ben heel bewust zo genoemd. Ik moest verre reizen maken, vreemde talen leren en met prachtige preken mensen bekeren. Maar ik stotterde vreselijk. Tot mijn elfde zie ik mij nog denken: hoe kan ik dat voor elkaar krijgen? Tot ik mij realiseerde: hoezo dan missionaris worden? Het hoeft helemaal niet. Toen heb ik mij op de muziek gestort. Dat was een bevrijding, hoewel ik bleef stotteren. Hoe erg ik dat deed hing ervan af of mijn vader in huis was of niet.’
Maaike Meyer: 'Voor mij heeft stotteren te maken met een conflict tussen spreken en zwijgen. Aan de ene kant wil ik heel graag zichtbaar zijn en praten, praten, praten! Aan de andere kant wil ik me verstoppen en zwijgen. Volgens Lacan treed je bij het leren spreken uit de wereld van je moeder, waar je nog in een direct contact met de omgeving staat en de taal alleen uit klanken bestaat. Door de dingen te leren benoemen verlies je dat onmiddellijke contact en vervreemd je van je omgeving. Misschien is stotteren wel een onbewuste weigering om die vervreemding op je te nemen.’
JULLIE HEBBEN allemaal een beroep gekozen waarin je veel moet praten.
Ab Gietelink: 'Als kind wilde ik zelfs politicus worden! En geniale speeches houden! Mijn grootste troost was de stotterende burgemeester van Tubbergen. Bijgenaamd Demosthenes, gold hij als de grootste redenaar van Twente. Demosthenes was de befaamde Griekse redenaar die zijn stotter genas door met kiezelsteentjes in zijn mond tegen de branding in te schreeuwen. Zelf heb ik nog een jaar twee steentjes in mijn mond gehad.’
Jan Lenferink: 'Goh, ik dacht dat ik de enige was die met die kiezels heeft rondgelopen. Ik heb vroeger wat afgerend langs het plaatselijke voetbalveld, in de schemering, en dan maar met volle mond schreeuwen he. Het hielp alleen geen flikker. Toen ik begin jaren zeventig begon bij de Vara-radio, stotterde ik nog behoorlijk. Maar daar kwamen nooit negatieve reacties op, hoewel omroepbaas Jan Nagel wel altijd zat te zeuren dat ik mijn gestotter uit de band moest knippen. Dat heb ik altijd geweigerd. Omdat dat zou betekenen dat je stotteraars niet serieus hoeft te nemen. Nu stotter ik op de televisie nog maar een fractie van wat ik vroeger deed. Ik besef dat je daar juist goed de aandacht mee kunt opwekken en dat is natuurlijk wel weer geestig.’
Maaike Meyer: 'Toen ik op mijn vijfentwintigste klaar was met mijn studie Nederlands, stotterde ik nog vreselijk, echt verschrikkelijk. Maar ik had me voorgenomen: dat gestotter gaat me niet verhinderen om alles te doen wat ik wil. Als je ergens voor terugschrikt, dan is het einde zoek. Ik wist dat ik een situatie moest creeren waarin ik juist heel veel zou moeten praten. Toen heb ik gesolliciteerd naar een baan als lerares en had ik het geluk dat ik de enige sollicitant was. Die jaren herinner ik me nu als een regelrechte hel, als een grote verschrikking. Mijn leerlingen waren compleet verbijsterd. Ik gaf 22 uur les in de week en was elke vrijdagmiddag zo doodmoe dat ik direct de kroeg in holde, waar ik zondagavond dan weer uit rolde. Gewoon om me een beetje te kunnen ontspannen. Maar ja, alles went. En ik heb mezelf die tijd een behoorlijk eind de goede richting in geschopt. Veel praten, ik kan het iedereen aanraden. Geleidelijk wint de vreugde van het spreken het van de angst om het te doen. Toch, als ik een tijdje weinig mensen zie en geen lezingen meer geef, voel ik hoe ik langzaam weer terugzink. Ik moet er altijd aan blijven werken.’
Winfried Maczewsky: 'Bij mij gaat het pas mis als ik met een paar mensen in het cafe zit. Op mijn werk, waar ik dagelijks honderden mensen begeleid en ook lezingen geef, daar gaat het fantastisch.’
Ab Gietelink: 'Dat is de genezende werking van het publiek oog. De concentratie die voortkomt uit het feit dat er honderd of tweeduizend man naar je luisteren… dan vergeet je gewoon te stotteren. Ik weet nog toen ik zestien was en bij een politieke bijeenkomst voor het eerst achter de interruptiemicrofoon durfde te gaan staan. Ik wist toen: dit is mijn kick. Het spreken in het openbaar heeft op mij een genezende werking gehad. Dat gaat ook op voor toneelspelers. Daar zitten ook een hoop stotteraars tussen.’
Maaike Meyer: 'Ik vertel ook graag moppen of voer stukjes op. Een stotteraar voelt zich het lekkerst als hij of zij zichzelf niet hoeft te zijn, dan hoef je je ook niet druk te maken over hoe je overkomt.’
Jan Lenferink: 'In mijn talkshows merk ik dat ook. Eerst doe ik een mooi overhemd aan, vervolgens loop ik de studio binnen met het idee dat het voor iedereen een leuk uitje gaat worden, en dan speel ik de beste kant van mijzelf.’
Ab Gietelink: 'Wij moeten ons wel realiseren dat er een groep stotteraars is - waar wij waarschijnlijk allemaal wel toe behoord hebben - die zich iedere dag alleen maar bezighoudt met de vraag: hoe kom ik hier in godsnaam maatschappelijk mee uit!’
Jan Lenferink: 'Hun eerste zorg is, hoe kom ik in godsnaam aan het einde van deze zin! Echt, wij zijn luxe-stotteraars!’
ZIJN STOTTERAARS bijzondere mensen?
Winfried Maczewsky: 'Stotteraars zijn wellicht communicatieperfectionisten. Wij hebben de droom om onze complexe gedachtenwereld als een samenhangend geheel direct over te brengen. Maar als de inhoud van deze gedachten niet meteen in taal is te vatten, krijg je problemen. Toch blijven wij ernaar streven. Het is toch ook niet verwonderlijk dat wij allen artistieke beroepen hebben gekozen.’
Jan Lenferink: 'Dat is mij te makkelijk. Ik ken zat artistieke mensen die absoluut niet stotteren.’
Winfried Maczewsky: 'Laat ik het zo zeggen: al jouw gedachten zijn gebonden aan jouw eigen wereldbeeld, aan jouw eigen orde. Als je die gedachten communiceert, pikt iedereen er zomaar uit wat hij wil horen en stopt het dan in zijn eigen orde. Werkelijke contact is sowieso onmogelijk. Dat is een communicatief fenomeen waar ik mij als stotteraar wellicht te veel van bewust ben.’
Ab Gietelink: 'Meer dan gemiddelde mensen zijn stotteraars zich bewust van wat er in een gesprek gebeurt, van wat er tussen de woorden gezegd wordt. Daar worstelen stotteraars mee. Een hoop mensen hebben die reflectie immers niet, die kleppen gewoon maar een beetje aan…’
Winfried Maczewsky: 'Nou, stotteraars kunnen ook een borreltje nemen en dan behoorlijk aan het roddelen en lullen slaan.’
Maaike Meyer: 'Ik denk wel dat stotteraars over het algemeen vrij zachtaardige mensen zijn.’
Jan Lenferink: 'Volgens mij is het niet goed om te praten over de stotteraar. Als je naar mijn vijf stotterende broers kijkt, zie je het hele scala van menselijke emoties vertegenwoordigd, van zachtaardig tot kei- en keihard. Natuurlijk beinvloedt het stotteren mensen wel een beetje, maar het heeft toch weinig te maken met hoe je als mens bent.’
IS HET ERG om een stotteraar te zijn?
Jan Lenferink: 'Nu niet meer, maar het heeft mijn jeugd toch wel behoorlijk vergald. Ik hoor nog wel eens het gegrinnik om me heen. En later kon ik in het cafe geen pilsje bestellen. Dan nam ik maar een glaasje bier. Dat is maar een voorbeeld. Als flinke stotteraar maak je zoiets twintig keer per dag mee. Natuurlijk is het niet erg om af en toe op jezelf te worden teruggeworpen, maar wanneer je een heel leven lang driekwart van je energie moet besteden om allerlei opkomende gevoelens van minderwaardigheid te bestrijden, is dat natuurlijk behoorlijk vervelend.
Maaike Meyer: 'Fysiek gezien kost het ook zoveel energie. Je gebruikt veel meer spieren, soms zit je te schudden en te schokken en moet je de kracht echt uit je tenen omhoog trekken. Nu nog ben ik na een paar uur praten echt bekaf. Ook als lichte stotteraar moet je nog steeds veel harder werken om je verstaanbaar te maken. Ik ben nog wel jaloers op mensen die heel mooi vloeiend kunnen praten.’
Winfried Maczewsky: 'Ik stoor mij er wel eens aan dat die woorden zo belangrijk worden gevonden. Terwijl een blik of een handdruk vaak veel dieper en wezenlijker communiceren. Dat merk ik als ik moet te lefoneren of voor een loket sta met een dikke glazen wand ervoor. Die reductie van het contact tot alleen maar taal maakt mij aan het stotteren.’
Ab Gietelink: 'Het vermogen tot spreken houdt toch direct verband met je maatschappelijke kansen. De onmacht daartoe was voor mij echt een existentieel probleem. Nu niet meer, nu zie ik mijzelf niet eens meer als een stotteraar. Het was meer iets uit de pu-pu-pubertijd, ik heb nu nergens meer problemen mee.’
Jan Lenferink: 'Behalve dan met de p, Ab.’
Ab Gietelink: 'Nou ja, ik geef toe dat ik nog wel een beetje stotter. Vrouwen vinden het overigens vaak wel vertederend.’
Maaike Meyer: 'Ja, iedereen vindt het charmant, behalve ik. Soms hoor ik na afloop van een lezing: “Vroeger stotterde je zo leuk Maaike, waarom doe je dat niet meer?” Terwijl ik dan juist dolblij ben dat het er lekker vloeiend uit is gekomen. Want die angst blijft. Ongeveer een keer per jaar gaat het nog helemaal mis en dan haat ik mezelf echt. Dan denk ik dat iedereen een hekel aan me heeft, wil ik snel weglopen of gewoonweg door de grond heen zakken en voorgoed verdwijnen.’
ZIJN JULLIE WEL eens in therapie gegaan?
Ab Gietelink: 'Ik heb in de jaren zeventig bij een logopediste gelopen die me wilde aanpraten dat ik een taalprobleem had en een probleem met mijn zelfvertrouwen. Het idee! Als iemand dat heeft, ben ik wel de laatste.’
Winfried Mazcewsky: 'Ik heb er nooit iets aan laten doen omdat men zei, Winfried, jouw creativiteit hangt daarmee samen. Als je niet zou stotteren, zou je ook niet zo muzikaal zijn. Het grappige is ook dat geen enkele stotteraar stottert als hij zingt.’
Jan Lenferink: 'Mijn broertjes konden me niet gekker krijgen dan door te roepen: als je het niet kunt zeggen, dan moet je het maar zingen. Dat is toch een nederlaag! Ik heb later wel een beetje aan logopedie gedaan, maar ik geloof eigenlijk in geen enkele therapie. Volgens mij slijt het er bij het ouder en rustiger worden voor het grootste gedeelte wel uit. Maar bovenal denk ik dat veel drinken erg goed werkt. Het is goedkoop, je hoeft er niet voor naar een of ander adres en je kunt het te allen tijde toepassen.’
Maaike Meyer: 'Ik heb vroeger een tijdje de Doetinchemse Methode gedaan. Daar leren ze je ontspannen en je stotteren te accepteren. Bij het begin van elke les moest je naar voren komen en zeggen: “Hallo, ik ben een stotteraar.” Dat was best een hele stap. Lang heb ik het niet volgehouden. Nog steeds vind ik het eng om over het stotteren te praten, omdat ik bang ben om in al die ellende van vroeger te worden teruggezogen.’
Heeft jullie beroepskeuze te maken met het stotteren?
Maaike Meyer: 'Je wordt natuurlijk heel inventief met woorden, voor elk begrip ken je drie synoniemen en zinnen draai je razendsnel om. Stotteraars graven de hele taal door om maar te vermijden dat ze stotteren. Je kunt zo een echte taalkunstenaar worden, denk maar aan Brandt Corstius. Aan de andere kant vind ik het ook gewoon leuk om toespraken te houden. Ik weet niet of dat met mijn stotteren te maken heeft.’
Ab Gietelink: 'Mijn ultieme kinderdroom was om volkomen vloeiend de Nederlandse Bond der Stotteraars toe te spreken, om ze te zeggen dat ook zij heus wel politicus zouden kunnen worden. Dus ja, mijn stotteren heeft er zeker toe geleid dat ik me ben gaan bezig houden met de dramatische kracht van het gesproken woord. Daarbij dwingt het stotteren je om de variatie van je stem groter te maken, in een poging om te verhullen dat je stottert.’
Jan Lenferink (cynisch): 'Ik ben zo blij dat ik stotter, het heeft me zo vindingrijk gemaakt… Ik vind dat een beetje een kip- of-ei kwestie. Ben je een publiek spreker omdat je stottert, of ben je gaan stotteren omdat je zo graag publiek wilde spreken? Daar kom je toch nooit uit. Bovendien heeft geen van mijn broers gekozen voor een beroep dat met spreken te maken heeft. Dus waar is die relatie dan?’
Winfried Maczewsky: 'In hoeverre zijn de dingen die wij doen een sublimering van de dingen die in ons worstelen… In hoeverre zoeken wij niet in alles wat wij doen een overwinning op onszelf?’
Hoe kom je van het stotteren af?
Maaike Meyer: 'Praten heeft te maken met agressie. Wanneer die agressie er niet is, komt er ook niets uit. Als ik ergens ben waar ik niet wil zijn of ik doe iets wat ik niet wil doen, dan stotter ik veel meer. Dan helpt het om tegen mezelf te zeggen: oooh, wat haat ik dit. Dan ga ik naar het toilet en zeg ik tegen de muren: “Ik HAAT dit, ik haat DIT, IK HAAT ’T!” Dan is mijn agressie er en dan gaat het wel goed. Hoe meer je in contact staat met die agressie, hoe meer je in contact staat met jezelf. Het is een soort aanwezigheid, dat je met je tanden klaar staat om overal in te bijten.’
Ab Gietelink: 'Veel stotteraars hebben zichzelf heel scherp als stotteraar gedefinieerd en zitten dus echt in de gevangenis van dat stotteren. Daar kom je alleen uit door je zelfdefinitie te veranderen.’
Maaike Meyer: 'Het vreemde is dat je soms stottert en soms niet: je hoeft het dus niet te doen. Het is faalangst: je stottert alleen omdat je weet dat die angst elk moment kan toeslaan. Ik denk dat als je zou kunnen vergeten dat je stottert, dat je het dan niet meer zou doen. Helaas leven we in een samenleving waarin alles perfect dient te zijn. Nergens mag ook maar het minste aan mankeren. Kinderen die leren praten en dan een beetje stotteren, leren dat ze een probleem hebben. Door die druk om gelijk goed te kunnen praten, wordt het stotteren natuurlijk alleen maar versterkt.’
Jan Lenferink: 'Hoe erg je stottert, heeft alles te maken met je karakter. Toen ik voor de radio werkte, dacht ik nog vaak: hou nou toch eens op met dat gestotter, Jan Nagel houdt er niet van. Totdat ik op een gegeven moment dacht: trek ik me nog wat aan van de hele Umwelt, of kan iedereen me kloten kussen. Dat helpt.’