Essay Het recht op zelfbeschikking

Wij zijn niet van de staat

Neoliberalen vinden dat de overheid zich niet met ons leven moet bemoeien. Maar dan, argumenteert politiek filosoof Michael J. Sandel, moet je ook accepteren dat mensen hun nier verkopen of besluiten zichzelf te laten doden.

Elk najaar publiceert het tijdschrift Forbes een lijst van de vierhonderd rijkste Amerikanen. Na meer dan tien jaar Bill Gates, de oprichter van Microsoft, staat dit jaar telecommagnaat Carlos Slim bovenaan (zie p. 40). In 2008 schatte Forbes het nettovermogen van Gates op 57 miljard dollar. Andere leden van de club zijn Warren Buffett (op twee met vijftig miljard dollar), de eigenaren van de supermarktketen Wal-Mart, de oprichters van Google en Amazon, allerlei mensen met belangen in de oliesector, managers van hedgefondsen, mediabazen, vastgoedmagnaten en tv-persoonlijkheid Oprah Winfrey (op 155 met 2,7 miljard dollar).
Zelfs wanneer de economie een moeilijke periode doormaakt, is de rijkdom aan de top zo enorm dat alleen miljardair zijn niet voldoende is om tot de rijkste vierhonderd van Forbes door te dringen. De rijkste één procent van de Amerikanen bezit meer dan een derde van de rijkdom van het land, meer dan het gezamenlijk vermogen dat de onderste negentig procent van de Amerikaanse gezinnen bezit. Economische ongelijkheid is in de Verenigde Staten groter dan in andere democratieën. Sommige mensen denken dat die ongelijkheid onrechtvaardig is en dat rijken meer belasting zouden moeten betalen om de armen te helpen. Anderen zijn het daar niet mee eens. Ze stellen dat er niets onrechtvaardigs is aan economische ongelijkheid, als die tenminste zonder dwang of bedrog tot stand komt vanuit de keuzes die mensen in een markteconomie maken. Wie heeft gelijk?
Als je denkt dat rechtvaardigheid bestaat uit maximalisering van geluk zou je een herverdeling van rijkdom op de volgende gronden kunnen steunen: stel dat we van Bill Gates een miljoen dollar afnemen en die verdelen onder honderd hulpbehoevenden. Ieder van hen krijgt tienduizend dollar. Gates mist het geld nauwelijks, terwijl alle ontvangers van de meevaller van tienduizend dollar heel gelukkig worden. Deze utilitaristische logica kan worden doorgevoerd om er een tamelijk radicale herverdeling van welvaart mee te onderbouwen. Ze zou ons ertoe kunnen bewegen net zo lang geld van de rijken naar de armen over te hevelen tot de laatste dollar die we van Gates afnemen hem evenveel pijn doet als de ontvanger er genoegen aan beleeft.
Tegen dit Robin Hood-scenario kunnen ten minste twee bezwaren worden aangevoerd. Het eerste luidt dat hoge belastingtarieven, in het bijzonder op inkomsten, de prikkel om te werken en te investeren verminderen, en daarmee de productiviteit verlagen. Als de economische taart kleiner wordt en er minder overblijft om te herverdelen, zou het algehele welvaartsniveau wel eens terug kunnen lopen. Daardoor zou er uiteindelijk veel minder geld voor herverdeling onder de armen beschikbaar komen.
Het tweede bezwaar stelt dat het belasten van de rijken om de armen te helpen onrechtvaardig is omdat het inbreuk maakt op een fundamenteel recht. Geld van Gates en Winfrey afnemen zonder hun instemming is 
volgens dit bezwaar een dwangmaatregel, zelfs als dat geld voor een goede zaak bedoeld is. Neoliberalen 
zijn voor vrije markten en tegen regulering door de overheid, niet in naam van economische doelmatigheid, maar in naam van menselijke vrijheid. Hun belangrijkste uitgangspunt is dat we allemaal een fundamenteel recht op vrijheid hebben: het recht om met de dingen die we bezitten te doen wat we maar willen, op voorwaarde dat we het recht van anderen om hetzelfde te doen respecteren.

Alleen een minimale staat - een staat die toeziet op de naleving van overeenkomsten, die particulier eigendom tegen diefstal beschermt en die de vrede handhaaft - is verenigbaar met de neoliberale theorie over rechten. Elke staat die meer doet dan dat is moreel gezien ongerechtvaardigd. Moderne staten brengen gewoonlijk drie typen beleid en wetgeving ten uitvoer die de neoliberaal afwijst:

  1. Neoliberalen verzetten zich tegen paternalistische wetgeving die wil voorkomen dat mensen zichzelf schade berokkenen. Het verplichtstellen van veiligheidsgordels en motorhelmen is daar een goed voorbeeld van. Zolang derden er niet onder te lijden hebben en zolang motorrijders zelf verantwoordelijk zijn voor hun medische kosten, heeft de staat niet het recht voor te schrijven welke risico’s ze met hun lichaam en leven mogen nemen.
  2. In wetgeving is er volgens neoliberalen geen plaats voor moraal. Veel mensen hebben morele bezwaren tegen prostitutie, maar dat is geen rechtvaardiging voor wetgeving die volwassenen verbiedt zich daar uit vrije wil mee in te laten. In sommige gemeenschappen kan een meerderheid homoseksualiteit afkeuren, maar dat is geen rechtvaardiging voor wetgeving die homoseksuele mannen en vrouwen het recht ontneemt zelf hun seksuele partner te kiezen.
  3. Volgens neoliberalen mag er geen herverdeling van inkomen en welvaart plaatsvinden. Hoewel het wenselijk kan zijn dat welgestelden minderbedeelden ondersteunen - door gezondheidszorg, huisvesting of onderwijs te subsidiëren - moet zulke hulpverlening worden overgelaten aan het individu, en niet door de overheid worden opgelegd. Voor de neoliberaal zijn belastingen die een herverdeling van rijkdom op het oog hebben een vorm van dwang, zelfs van diefstal. In zijn boek The Constitution of Liberty (1960) beargumenteerde de Oostenrijks-Britse econoom en filosoof Friedrich A. Hayek (1899-1992) dat elke poging om grotere economische gelijkheid tot stand te brengen moest leiden tot de onderdrukking en de vernietiging van de vrije samenleving. In Capitalism and Freedom (1962) stelde de Amerikaanse econoom Milton Friedman (1912-2006) dat veel handelwijzen van de staat die alom geaccepteerd worden in feite onwettige inbreuken op de vrijheid van het individu zijn. Sociale zekerheid, of elk door de overheid opgelegd stelsel van ouderdomspensioenen, is een van zijn belangrijkste voorbeelden. ‘Als iemand bewust de voorkeur geeft aan leven van dag tot dag, zijn middelen gebruikt voor zijn huidige genoegens en daarmee kiest voor een behoeftige oude dag, welk recht hebben we dan om hem dat te verbieden?’ vraagt Friedman. Op soortgelijke gronden maakt Friedman bezwaar tegen een wettelijk minimumloon. De overheid heeft niet het recht om werkgevers te verbieden het loon te betalen dat werknemers bereid zijn te accepteren, hoe laag dat ook mag zijn. Ook de eisen die de overheid stelt aan de toelating van mensen tot bepaalde beschermde beroepen zijn een onterechte inmenging in de vrijheid van keuze. Als iemand zonder kappersopleiding zijn ondeskundige diensten aan het publiek wil aanbieden en als er klanten zijn die wel een gokje willen wagen met een goedkope knipbeurt, is het niet aan de staat om hun transactie te verbieden. Friedman breidt deze logica zelfs uit tot artsen. Als ik mijn blindedarm zo goedkoop mogelijk wil laten weghalen, moet ik iedereen voor die klus kunnen vragen, of hij of zij nu een bevoegd arts is of niet. De meeste mensen zullen ervan verzekerd willen zijn dat hun dokter competent is, maar ook in zulke informatie kan de markt voorzien. In zijn boek Anarchy, State and Utopia (1974) geeft Robert Nozick een filosofische verdediging van de neoliberale principes. Zijn uitgangspunt is dat individuen rechten hebben die 'zo sterk en zo verreikend’ zijn dat 'ze de vraag opwerpen of er eigenlijk wel iets is wat de staat mag doen’. Hij concludeert dat 'alleen een minimale staat, die zich beperkt tot toezicht op de naleving van overeenkomsten en die mensen beschermt tegen geweld, diefstal en bedrog, gerechtvaardigd is. Elke staat met meer bevoegdheden maakt inbreuk op het recht van ieder individu om niet gedwongen te worden bepaalde dingen te doen, en is ongerechtvaardigd.’ Van de dingen waartoe we niet gedwongen mogen worden, springt het helpen van andere mensen er het meest uit. Belasting heffen op de rijken om de armen te helpen onderdrukt de rijken. Nozick verwerpt de gedachte dat een rechtvaardige verdeling gekenmerkt wordt door een bepaald patroon - zoals gelijkheid in inkomen, gelijkheid in utiliteit of gelijkheid in de mate waarin in de eerste levensbehoeften wordt voorzien. Waar het volgens hem echt om gaat, is de manier waarop die verdeling tot stand is gekomen. Hij stelt dat distributieve rechtvaardigheid aan twee voorwaarden moet voldoen: rechtvaardigheid in wat mensen aanvankelijk bezitten en rechtvaardigheid in onderlinge uitwisseling daarvan. De eerste voorwaarde vraagt of de middelen die je hebt gebruikt om je rijkdom te vergroten je eigenlijk wel rechtmatig toekwamen. (Als je een fortuin hebt vergaard met de verkoop van gestolen goederen, heb je geen recht op de opbrengst.) De tweede voorwaarde eist dat je je geld verdiend hebt door vrije uitwisseling op de markt of door vrijwillige schenking door anderen. Nozick illustreert de (wat hij noemt) dwaasheid van het herverdelen van middelen met een hypothetisch voorbeeld. Daarin komt Wilt Chamberlain voor, een Amerikaanse basketbalheld uit de jaren zeventig die het voor die tijd astronomische salaris van tweehonderdduizend dollar per seizoen verdiende. We kunnen het voorbeeld van Nozick moderniseren door Chamberlain te vervangen door Michael Jordan, die immers de grootste basketbalheld van de laatste decennia is. In zijn voorbeeld stelt Nozick voor dat we inkomen en vermogen in de aanvangssituatie verdelen volgens het patroon dat we zelf rechtvaardig vinden. Als je dat wilt, kan dat dus een volmaakt gelijke verdeling zijn. Dan begint het basketbalseizoen. Mensen die Michael Jordan willen zien spelen, deponeren elke keer dat ze een kaartje kopen vijf dollar in een doos. De opbrengst van de doos gaat naar Jordan. Omdat de belangstelling groot is, raakt de doos vol. Als het seizoen is afgelopen, heeft Jordan 31 miljoen dollar, veel meer dan wie dan ook. Dit heeft tot gevolg dat de aanvankelijke verdeling van middelen gewijzigd is. Jordan heeft meer en anderen minder. Maar deze nieuwe verdeling is volledig door vrije keuzes tot stand gekomen. Wie heeft er dan reden om te klagen? Niet de mensen die betaald hebben om Jordan te zien spelen: zij hebben er vrijwillig voor gekozen kaartjes te kopen. Niet de mensen die niet van basketbal houden en thuis zijn gebleven: zij hebben geen cent aan Jordan besteed. Zeker niet Jordan zelf: het was zijn keuze om in ruil voor een royaal inkomen te gaan basketballen. Nozick denkt dat dit scenario twee problemen illustreert die eigen zijn aan theorieën die een vooropgezet patroon als criterium voor rechtvaardigheid hanteren. Het eerste probleem is dat vrijheid dergelijke patronen verstoort. Wie denkt dat economische ongelijkheid onrechtvaardig is, zal zich herhaaldelijk en onophoudelijk in de vrije markt moeten mengen om de gevolgen van menselijke keuzes ongedaan te maken. Het tweede probleem is dat een dergelijke inmenging - Jordan een belasting opleggen waarmee hulpprojecten voor minderbedeelden betaald worden - niet alleen de resultaten van vrijwillige overeenkomsten tenietdoet, maar ook Jordans rechten schendt door hem zijn inkomsten af te pakken. Wat is er nu precies mis met het heffen van belasting op de inkomsten van Jordan? Nozick redeneert als volgt: 'Belasting heffen op inkomsten die uit werk verkregen zijn, staat gelijk aan dwangarbeid. Als de staat het recht heeft een deel van mijn inkomsten op te eisen, heeft hij ook het recht een deel van mijn tijd op te eisen. Als de staat bijvoorbeeld dertig procent van mijn inkomsten opeist, zou hij me net zo goed kunnen opdragen dertig procent van mijn tijd te besteden aan werken voor de staat. Maar als de staat me kan dwingen om voor hem te werken, maakt hij in feite aanspraak op een deel van mij als zijn eigendom. Als mensen je dwingen gedurende een bepaalde periode bepaalde taken te verrichten, of als ze je laten werken zonder dat je er iets voor terugkrijgt, beslissen zij wat je moet doen en voor welke doeleinden je werk gebruikt wordt. Je eigen beslissingen zijn dan irrelevant. Dit (…) maakt die mensen tot eigenaar van een deel van je persoon; het geeft hun een eigendomsrecht op jou.’ De neoliberaal ziet in morele zin een continuüm dat loopt van belastingheffing (het afpakken van mijn inkomsten) via dwangarbeid (het ontnemen van mijn arbeid) tot slavernij (het ontkennen dat ik zeggenschap over mezelf heb).

Voorstanders van de herverdeling van inkomen door middel van belastingheffing hebben diverse bezwaren tegen de neoliberale logica. Op de meeste van deze bezwaren heeft de neoliberaal een pasklaar antwoord.
Bezwaar 1: Belastingheffing is minder erg dan dwangarbeid
Als je inkomstenbelasting krijgt opgelegd, kun je er altijd voor kiezen minder te werken en dus minder belasting te betalen. Maar als je gedwongen wordt te werken, heb je die keuze niet.
Neoliberaal antwoord: Inderdaad, maar waarom zou de staat je dwingen die keuze te maken? Een dief is je huis binnengedrongen, maar hij heeft alleen maar tijd om je flatscreentelevisie van duizend dollar mee te nemen, óf de duizend dollar in contanten die je in je matras verstopt hebt. Misschien hoop je dat hij de televisie steelt, omdat je dan de keuze hebt die met de duizend dollar in contanten te vervangen of het geld te houden. Als de dief de duizend dollar in het matras steelt, laat hij je die keuze niet. Maar dat je liever de televisie kwijtraakt (of minder werkt) is niet waar het om gaat: in beide gevallen is het de dief (of de staat) die iets verkeerds doet.
Bezwaar 2: De armen hebben het geld harder nodig
Neoliberaal antwoord: Dat mag zo zijn, maar dat is dan een reden de rijken ervan te overtuigen om uit eigen vrije keuze de behoeftigen te ondersteunen. Stelen van de rijken om aan de armen te kunnen geven blijft stelen, of dat nu gedaan wordt door Robin Hood of door de staat. Kijk eens naar de volgende analogie: Het feit dat een nierpatiënt een van mijn nieren harder nodig heeft dan ikzelf betekent niet dat hij er recht op heeft. Waarom niet? Omdat die nier van mij is.
Bezwaar 3: Michael Jordan speelt niet in zijn eentje. Daarom is hij de mensen die tot zijn succes hebben bijgedragen iets verschuldigd
Neoliberaal antwoord: Het is inderdaad zo dat het succes van Jordan ook van andere mensen afhangt. Het publiek zou hem geen 31 miljoen dollar betalen om alleen Jordan zelf op een leeg veld vrije worpen te zien nemen. Zonder medespelers, coaches, trainers, scheidsrechters en televisiemensen zou hij al dat geld nooit hebben kunnen verdienen. Maar wat de markt de diensten van deze mensen waard vindt, hebben ze al uitbetaald gekregen.
Bezwaar 4: Het is helemaal niet zo dat Jordan zijn belastingen krijgt opgelegd zonder zijn instemming. Hij is immers een burger in een democratie
Neoliberaal antwoord: Democratische instemming is niet voldoende. Misschien kun je aanvoeren dat Jordan nu eenmaal in deze maatschappij leeft, en daarmee (in elk geval impliciet) erkent dat hij zich aan de wil van de meerderheid en aan de wet dient te houden. Maar als democratische instemming het afnemen van eigendom rechtvaardigt, geldt dat dan ook voor het afnemen van vrijheid? Mag de meerderheid me de vrijheid van meningsuiting en godsdienst ontnemen met als rechtvaardiging dat ik nu eenmaal een democratisch burger ben en me daarom bij voorbaat moet neerleggen bij alle beslissingen die de meerderheid neemt?
Bezwaar 5: Jordan heeft gewoon geluk gehad
Het talent om in basketbal uit te blinken is hem in de schoot geworpen. Bovendien had hij het geluk op te groeien in een samenleving die het vermogen om door de lucht te zweven en een bal door een ring te duwen bijzonder waardeert. Moreel gezien kan men dus niet beweren dat hij recht heeft op al het geld dat zijn talent hem oplevert.
Neoliberaal antwoord: Uit dit bezwaar spreekt twijfel of het talent van Jordan werkelijk van hem is. Maar als Jordan geen recht heeft op de voordelen die het gevolg zijn van zijn talenten, dan heeft hij over die talenten niet echt zeggenschap. En als hij over zijn talenten en vaardigheden geen zeggenschap heeft, heeft hij niet echt zeggenschap over zichzelf. Weet je zeker dat je de politieke gemeenschap het eigendomsrecht op haar burgers wilt toekennen? De gedachte dat ik toebehoor aan mezelf, en niet aan de staat of aan de politieke gemeenschap, is één manier om te verklaren waarom het niet juist is om mijn rechten aan het welzijn van anderen op te offeren.
Ook veel mensen die een economie van laisser faire afwijzen, beroepen zich op de gedachte van zeggenschap over zichzelf. Misschien verklaart dit de blijvende aantrekkingskracht van neoliberale ideeën, ook op mensen die positief tegenover de verzorgingsstaat staan. Kijk maar naar de manier waarop zeggenschap over jezelf een rol speelt in discussies over het recht op nageslacht, seksuele moraal en bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Vaak wordt gezegd dat de overheid voorbehoedmiddelen en abortus niet mag verbieden, omdat vrouwen vrij over hun eigen lichaam moeten kunnen beschikken. Er zijn mensen die voorstander zijn van een markt waarop nieren voor transplantatiedoeleinden worden verhandeld. Hun rechtvaardiging is dat iedereen baas is over zijn eigen lichaam en daarom vrij behoort te zijn om zijn lichaamsdelen te verkopen.
Als je wel wat begint te voelen voor de neoliberale principes en wilt zien hoe ver je erin kunt meegaan, kijk dan eens naar de volgende voorbeelden. In de meeste landen is het kopen en verkopen van organen voor transplantatiedoeleinden verboden. In de Verenigde Staten mag iemand een van zijn nieren doneren, maar die niet op de vrije markt te koop aanbieden. Er zijn echter mensen die vinden dat de wetgeving op dat punt aangepast moet worden. Ze wijzen erop dat er jaarlijks duizenden mensen overlijden terwijl ze op een wachtlijst voor een niertransplantatie staan - en dat het aanbod zou toenemen als er een vrije markt voor nieren bestond.
Een van de argumenten om het kopen en verkopen van nieren toe te staan berust op de neoliberale notie van zeggenschap over jezelf. In werkelijkheid onderschrijven maar weinig voorstanders van de verkoop van organen de neoliberale logica in al haar consequenties. Om de volgende reden: de meeste voorstanders van een markt voor nieren benadrukken het morele belang van het redden van levens en het feit dat de meeste mensen die een van hun nieren doneren het met één nier goed redden. Maar als je ervan overtuigd bent dat je lichaam en je leven je eigendom zijn, doet geen van deze beide overwegingen er eigenlijk toe. Als je jezelf bezit is het recht om je lichaam naar eigen goeddunken te gebruiken voldoende rechtvaardiging om je lichaamsdelen te verkopen. Het goede dat je ermee doet of de levens die je erdoor redt zijn niet relevant.
Kijk ter illustratie naar de volgende twee atypische voorbeelden. Stel je eerst eens voor dat de gegadigde voor de ene nier die je wilt verkopen volmaakt gezond is. Hij biedt jou er achtduizend dollar voor, omdat hij een excentrieke kunsthandelaar is: de menselijke organen die hij verkoopt dienen als objecten die in de woningen van welgestelden de conversatie gaande moeten houden. Moet het mensen worden toegestaan om nieren voor dergelijke doeleinden te kopen of te verkopen? Als je van mening bent dat we onszelf bezitten, zul je daar moeilijk 'nee’ op kunnen antwoorden.
Kijk nu eens naar een tweede voorbeeld. Stel je een arme boer in een Indiaas dorp voor die niets liever wil dan zijn kind naar de universiteit sturen. Om het geld daarvoor bij elkaar te krijgen verkoopt hij een van zijn nieren aan een rijke Amerikaan die een transplantatie nodig heeft. Een paar jaar later, als ook het tweede kind van de boer op de leeftijd gekomen is dat het naar de universiteit kan, komt er een tweede koper naar het dorp die hem een royaal bedrag voor zijn tweede nier biedt. Moet de boer de vrijheid hebben die nier te verkopen, ook al weten we dat hij zonder nieren zal sterven? Als de vrije verkoop van organen moreel gezien op de notie van zeggenschap over jezelf berust, moet het antwoord 'ja’ luiden.
Toen Jack Kevorkian, een arts uit Michigan, acht jaar van zijn straf had uitgezeten, werd hij in 2007 op 97-jarige leeftijd voorwaardelijk vrijgelaten. Die straf had hij gekregen voor het toedienen van een dodelijke dosis medicijnen aan terminaal zieke patiënten die wilden sterven. Als voorwaarde voor zijn vrijlating moest hij beloven geen patiënten meer bij hun zelfdoding te helpen. In de jaren negentig voerde Kevorkian (die bekend kwam te staan als 'dr. Death’) campagne voor wetgeving die hulp bij zelfdoding zou legaliseren. Daarnaast bracht hij wat hij predikte in de praktijk en hielp 130 mensen een einde aan hun leven te maken. Hij werd pas aangeklaagd nadat hij het Amerikaanse televisieprogramma 60 Minutes een videoband had gegeven waarop te zien was hoe hij een zieke man een dodelijke injectie gaf. Daarop werd hij berecht en wegens medeplichtigheid aan moord veroordeeld.
Kevorkian woont in Michigan en daar is hulp bij zelfdoding onwettig, net als in alle andere staten van de VS, met uitzondering van Oregon en Washington. Veel landen verbieden (medische) hulp bij zelfdoding. Als ze die hulp wel toestaan, verbinden ze daar zulke strenge voorwaarden aan dat dr. Kevorkian onder hun jurisdictie een even grote kans maakt voor een misdrijf vervolgd te worden als in Michigan.
Op het eerste gezicht zien de argumenten voor hulp bij zelfdoding eruit als schoolvoorbeelden van de toepassing van de neoliberale filosofie. Voor de neoliberaal is wetgeving die hulp bij zelfdoding verbiedt onrechtvaardig, en wel om de volgende reden: als mijn leven mij toebehoort, moet ik vrij zijn het op te geven. De argumenten om hulp bij zelfdoding toe te staan hangen echter niet noodzakelijkerwijs af van de gedachte dat we zeggenschap hebben over onszelf, of dat ons leven ons toebehoort. Veel mensen die hulp bij zelfdoding willen toestaan doen geen beroep op eigendomsrechten, maar pleiten ervoor in naam van waardigheid en mededogen. Ze menen dat terminaal zieke patiënten die buitensporig lijden in staat gesteld moeten worden hun einde te bespoedigen.
Om de morele draagwijdte van de grondgedachte van zeggenschap over jezelf te kunnen inschatten, nemen we een geval van hulp bij zelfdoding onder de loep dat geen betrekking heeft op een terminaal zieke patiënt. In 2001 vond er in het Duitse dorpje Rotenburg een merkwaardige ontmoeting plaats. De 43-jarige softwareprogrammeur Bernd-Jurgen Brandes had gereageerd op een advertentie op internet waarin iemand gezocht werd die bereid was zich te laten doden en opeten. De advertentie was geplaatst door de 42-jarige computertechnicus Armin Meiwes. In ruil bood Meiwes geen geld, alleen de ervaring zelf. Toen Brandes Meiwes ontmoette en diens plannen onder een kopje koffie had overwogen, stemde hij ermee in. Daarop doodde Meiwes zijn gast, sneed zijn lijk aan stukken en sloeg die verpakt in plastic zakken op in zijn vrieskist. Toen hij gearresteerd werd, had de 'kannibaal van Rotenburg’ al meer dan twintig kilo van zijn bereidwillige slachtoffer opgegeten.
Tijdens het proces tegen Meiwes was het publiek gefascineerd door de lugubere geschiedenis, maar de rechtbank wist niet goed wat ze ermee aanmoest. Duitsland kent geen wet tegen kannibalisme. De verdediging voerde aan dat de dader niet kon worden veroordeeld voor moord, omdat het slachtoffer bereidwillig aan zijn eigen dood had meegewerkt. De advocaat beargumenteerde dat zijn cliënt hoogstens schuldig kon worden bevonden aan 'doden op verzoek’, een vorm van zelfdoding met hulp van derden waar een maximumstraf van vijf jaar op staat. De rechtbank besloot de netelige kwestie op te lossen door Meiwes te veroordelen voor doodslag en hem een gevangenisstraf van acht en een half jaar op te leggen. Maar twee jaar later werd deze uitspraak in hoger beroep te mild bevonden, en kreeg Meiwes alsnog levenslange gevangenisstraf.
Wanneer een volwassene er vrijwillig mee instemt door een ander te worden opgegeten, is dat de ultieme test voor het neoliberale principe van zeggenschap over jezelf en de opvatting van rechtvaardigheid die daaruit volgt. Het is een extreme vorm van zelfdoding met hulp van een ander. Omdat ze niets te maken heeft met de verlichting van het lijden van een terminaal zieke patiënt kan ze alleen gerechtvaardigd worden met het argument dat ons lichaam en leven ons eigendom is. Als de veronderstelling van het neoliberalisme juist is, is het verbieden van kannibalisme met wederzijdse instemming onrechtvaardig, en maakt het inbreuk op ons recht op vrijheid. De staat heeft even weinig recht om Armin Meiwes te straffen als om Bill Gates en Michael Jordan een belasting op te leggen waarmee hulp aan armen wordt gefinancierd.


Michael J. Sandel is hoogleraar politieke filosofie aan Harvard. Hij werd vooral bekend door zijn 'socratische’ debatten over ethische vraagstukken tijdens massaal bezochte hoorcolleges. Dit is een ingekort hoofdstuk uit zijn magnum opus Rechtvaardigheid. Wat is de juiste keuze? dat begin juni verschijnt bij uitgeverij Ten Have (25 euro). Sandel neemt op 11 juni deel aan de Nexus-conferentie What is Next for the West? Superman meets Beethoven.
Vertaling Dick Lagrand