De strijd tegen kinderporno

‘Wij zijn óók van slag’

Internet heeft de wereld van kinderporno radicaal veranderd. Terwijl het aantal meldingen jaarlijks fors stijgt, richten politie en OM zich vooral op excessen. De overheid wil nu dat internetbedrijven en de samenleving hun verantwoordelijkheid nemen. ‘Het is tijd voor een Bob-achtige campagne.’

© Cynthia Boll / De Beeldunie

Michelle Spoormaker zag de kinderpornowereld onder haar ogen veranderen. Als ze vroeger huiszoeking deed, zocht ze met haar team naar videobanden die een verdachte in een schimmige seksshop in Amsterdam had gekocht. Om kinderporno te kunnen bemachtigen had zo’n verdachte grote moeite gedaan. Hij had buitenshuis duistere contacten gelegd, zich in een illegale wereld begeven en was uiteindelijk naar die seksshop gegaan. ‘Mensen die dat deden waren echt pedofiel geaard of hadden ten minste uit zichzelf al die belangstelling’, zegt Spoormaker, die sinds 1999 zedenzaken doet en sinds 2009 landelijk officier van justitie kinderporno is. ‘Dat doe je niet even uit nieuwsgierigheid.’

Juist dat is wat er nu volgens haar vaak gebeurt. De drempel is door het internet verlaagd. Kinderporno is verschoven van videobanden en boekjes naar het internet. Je hoeft thuis maar een paar zoektermen in te tikken en je bent er. Snellere verbindingen en de vergroting van opslagmogelijkheden zorgen ervoor dat mensen eenvoudiger dan ooit beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik kunnen zoeken, uitwisselen en verspreiden. Daarnaast bieden webcams en live streaming oneindig veel mogelijkheden voor het maken van nieuwe beelden. Zelfs het dark web is toegankelijker. Vroeger konden alleen grote nerds daarin hun weg vinden, tegenwoordig kan iedereen anoniem surfen via het Tor-netwerk. ‘Je wilt wel eens weten wat het is, het is toch wel spannend’, zegt Spoormaker. ‘Het is zo makkelijk. In de trein log je even in, even wat kijken tijdens je werk, in de pauze, of thuis. Niemand die het merkt.’

Het beleid om kinderporno aan te pakken is het laatste decennium verscherpt. Negen jaar geleden werd een landelijk officier van justitie kinderporno aangesteld, zes jaar geleden kwamen er teams Kinderpornografie en Kindersekstoerisme met 150 gespecialiseerde politiekrachten, drie jaar geleden benoemde de minister van Justitie voor het eerst de bestrijding van kinderporno tot een van de landelijke topprioriteiten. Maar het aantal meldingen groeit justitie en politie boven het hoofd. Voor 2018 wordt zelfs bijna een verdubbeling van vorig jaar verwacht. Dit jaar organiseerde de minister van Justitie en Veiligheid twee rondetafelgesprekken met het veld en private partijen om bij de aanpak van kinderporno een nieuwe stap te zetten. Kinderporno lijkt ver af te staan van de ‘gewone’ burger, als iets van misdadigers, maar het vindt juist plaats in de ‘gewone’ samenleving.

Het aantal mensen dat naar kinderporno kijkt en downloadt, is groter geworden. ‘We hebben zoveel meldingen, dat kunnen niet allemaal pedoseksuelen zijn’, denkt Spoormaker. Vaak gaat het om mannen die afglijden in hun fantasie. Als Spoormaker en haar team iemand met kinderporno ‘vangen’, staan er op de computer vaak ook andere porno- of geweldsbeelden. Maar, waarschuwt de officier, niemand komt zomaar op een site met kinderporno terecht. ‘Het is welbewust op de computer surfen en aanklikken.’ En het is strafbaar. Het is een delict. ‘Je kijkt naar kindermisbruik’, zegt ze nog maar eens. Daarom vindt ze ‘online kindermisbruik’ een betere term dan kinderporno. Het gaat om foto’s, video’s, chatsessies maar ook webstreaming. ‘Alle zedenartikelen waar een online component in zit.’

De aard van het internet ‘maakt het veel groter en ongrijpbaarder’, zegt Spoormaker. ‘Bij een aanranding achter het fietsenhok heb je een plaats, een dader en een slachtoffer, meestal zijn ze ook nog bekend. Maar in de online wereld van kinderporno verschuilen mensen zich achter een accountnaam, een avatar of wat dan ook. Je weet niet in welk land deze persoon zit, of wie het is. Je weet niet in welke richting je het moet zoeken. Iedereen kan zeggen dat hij vijftien jaar is, terwijl het een man van zestig kan zijn. Hij kan in Shanghai wonen terwijl hij zegt dat hij Amerikaan is. De opsporing is dus erg veranderd. Die is veel moeilijker geworden. Er is een heel nieuwe wereld bij gekomen.’

De lawine van meldingen die de instanties krijgen groeit jaarlijks. De meeste gaan over websites op het gewone openbare internet. Mensen die al surfend beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik tegenkomen, kunnen dit online en anoniem melden bij het Meldpunt Kinderporno, onderdeel van het Expertisebureau Online Kindermisbruik (eokm). In 2017 bekeek het meldpunt 154.897 afbeeldingen, video’s en websites met vermoedelijk seksueel kindermisbruik, een stijging van 35 procent in vergelijking met het jaar daarvoor. Dit jaar is dat aantal al lang gepasseerd en verwacht eokm-directeur Arda Gerkens op bijna een verdubbeling uit te komen van 225.000 meldingen. Gaat het om een url die in Nederland wordt gehost, dan geeft het meldpunt het door aan de internet hosting provider zodat de afbeeldingen en video’s verwijderd worden – de Notice and Takedown-procedure. Staat het op een buitenlandse site, dan wordt het doorgegeven via inhope, de internationale organisatie van meldpunten.

Wereldwijd neemt het online aanbod toe. Nederland is een grote spil. Uit de statistieken van inhope bleek in 2017 dat een vijfde van alle door de meldpunten geïdentificeerde beelden van kindermisbruik gehost stond in Nederland. Daarmee staat Nederland op de tweede plaats in de top-tien van landen ter wereld waar de meeste kinderporno gehost staat, en binnen Europa zelfs op de eerste plaats, aldus het eokm. ‘We hebben snelle netwerken’, verduidelijkt Gerkens in haar kantoor in het centrum van Amsterdam. ‘Maar dat hebben wel meer landen.’ De politie zou volgens haar meer kunnen doen. ‘Er is weinig geld voor digitale opleidingen bij de politie. En te weinig capaciteit. Laaghangend fruit laten ze vaak lopen. Ze gaan vooral achter zware en ernstige gevallen aan.’

Het Meldpunt Kinderporno richt zich op het schoonmaken van het openbare internet. ‘Hoe moeilijker het is om kinderporno te vinden, hoe beter’, zegt Gerkens. Dan is er minder kans dat mensen er eventueel toevallig op stuiten. Volgens Gerkens is vijftig procent van de downloaders niet per se pedofiel of pedoseksueel. Ze hebben, zoals ze zegt, ‘ergens een verkeerde afslag genomen’. Mensen willen het vaak niet doen, zegt ze, ze voelen zich er niet goed over. Dat is ook de kern van hun campagne. Wie naar de website Stop it now! surft en op het vakje ‘Ik kijk kinderporno’ klikt, krijgt een filmpje te zien. Een man kijkt naar een beeldscherm. ‘Voel ik me nu schuldig?’ zegt een stem. ‘Dit is toch geen kindermisbruik? Alle afbeeldingen bestaan al. Kijk die kinderen eens lachen. Gelukkig ziet niemand me, want als dit… dan raak ik echt alles kwijt… mijn baan, huis, relatie, kinderen… Ik moet hiermee stoppen, maar hoe…?’

Het expertisecentrum heeft voor deze ‘lichte gevallen’ een anonieme hulplijn. ‘We willen dat ze ons gaan bellen’, zegt Arda Gerkens. ‘Mensen hebben zoveel porno gekeken, dat gaat om dopamine, je hebt steeds meer nodig.’ Sommigen willen steeds gewelddadiger, of steeds jonger. Afgelopen jaar had het expertisecentrum 580 ‘contactmomenten’. Gerkens: ‘Praat erover, ga hulp zoeken. Een internetverslaving is vrij makkelijk te stoppen.’

‘Je wilt wel eens weten wat het is, het is toch wel spannend. Het is zo makkelijk. In de trein log je in, even kijken tijdens je werk, in de pauze, of thuis. Niemand die het merkt’

Politie en justitie richten zich minder op dergelijke openbare websites – waar alleen ‘oud materiaal’ op wordt gedeeld. Zij houden zich vooral bezig met alles wat te koppelen is aan individuele personen. ‘Dat is een heel andere wereld’, zegt Michelle Spoormaker ter verduidelijking. ‘Wij proberen te kijken naar dingen die onder water blijven.’ Dus: mensen die onderling chatten en mailen, down- en uploaden en uitwisselen. Het gaat daarbij vooral om het opsporen van ‘nieuw materiaal’, de mensen die kinderen daartoe misbruiken, de figuren die deze misdrijven faciliteren en dark-webfora beheren.

Bij het landelijk team Bestrijding Kinderporno (tbkk) in Zoetermeer komen de meldingen centraal voor het hele land binnen. Beeldspecialisten onderzoeken 24 uur per dag, zeven dagen in de week of het om nieuw materiaal gaat, vergelijken de beelden met nationale en internationale databases. ‘In een stuk of tien grote en kleine zalen zitten heel veel mensen achter heel veel computers en die voeren allemaal delen uit van de selectie en voorbewerking van alle informatie die binnenkomt’, zegt Spoormaker, die eindverantwoordelijk is voor de beslissing welke zaken verder te onderzoeken. Ook hier is sprake van een gigantische toename. Kwamen er in 2012 zo’n tweeduizend meldingen van up- en downloaden van kinderporno door (vermoedelijk) Nederlandse gebruikers binnen, in 2016 zat men op twaalfduizend en in 2017 waren het er achttienduizend. ‘Dit jaar koersen we af op dertigduizend meldingen’, zegt officier van justitie Spoormaker. Bijna een verdubbeling.

Roos Koole / ANP

Het overgrote deel betreft meldingen die Nederland ontvangt uit de VS, die hier wetgeving voor hebben. Als bedrijven als Facebook, Dropbox, Twitter en YouTube en beheerders van chatfora vermoedelijke kinderporno in hun netwerk aantreffen, zijn ze verplicht dit te melden aan het National Center for Missing & Exploited Children (ncmec). Vaak is het bestaand materiaal dat al eerder als kinderporno is aangemerkt en waarvan de hash-waarde, de unieke code die ieder bestand heeft, bekend is. Ook gaat het om meldingen van communicatie via bijvoorbeeld chats en mails waarin ogenschijnlijk volwassenen bezig zijn kinderen te groomen (lokken) of waarbij kinderen mogelijk worden afgeperst met seksafbeeldingen (sextortion). ‘In de VS signaleren ze dat deze plaatjes verstuurd zijn, maar ze kunnen het niet voorkomen’, zegt Ben van Mierlo, landelijk coördinator bestrijding kinderporno bij de nationale politie, in een kamertje van het politiebureau in Aalsmeer.

ncmec stuurt automatisch een melding naar Nederland als de onderschepte kinderporno of communicatie via een in Nederland geregistreerd IP-adres over het internet is gegaan. ‘Betreft het oud materiaal, dan zijn we daar minder in geïnteresseerd, want het is op zich geen actueel hands-on kindermisbruik. Maar als we denken dat het ons kan leiden naar zulke situaties onderzoeken we verder’, stelt Van Mierlo. De beelden worden minutieus bekeken. In samenspraak met het OM zet de politie in op identificatie: wie is de IP-houder, is de persoon in het verleden al eerder bij onderzoeken opgedoken. ‘Als je ziet dat het om een meneer gaat die een zedendelict heeft gepleegd, die een beroep heeft waarin hij met kinderen omgaat of die bij een jeugdvereniging zit, onderzoek je hoe groot de kans is dat er actueel misbruik plaatsvindt’, aldus Van Mierlo.

Zo’n melding met een zogenaamd ‘rood vlaggetje’ gaat naar de regio waar de verdachte staat ingeschreven. Sinds 2012, na de mega-zedenzaak van Robert M. die begon met de verspreiding van een foto van een jongetje met een Nijntje-knuffel, telt Nederland tien regionale teams Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (tbkk) en één landelijke tbkk-eenheid, met in totaal 150 rechercheurs. Het onderzoek kan ertoe leiden dat de officier zegt: ‘We gaan naar binnen.’ Dan wordt alles in beslag genomen en worden de gegevens onderzocht. ‘Zo kan het uitwisselen van een simpel bestaand plaatje op internet leiden tot de aanhouding van iemand die tientallen kinderen heeft misbruikt’, zegt Spoormaker. ‘Maar het kan ook blijven bij dat ene plaatje. Dan hebben we er net zo veel werk aan gehad.’

Ook de zedenpolitie en andere eenheden stuiten bij huiszoekingen en onderzoeken regelmatig op kinderporno. Slechts een fractie van de meldingen komt binnen via burgers die zelf het initiatief nemen en zich aan de balie van het politiebureau melden, zoals bedrijven die computers repareren en verdachte beelden aantroffen.

De prioriteit van de politie ligt bij het rechercheren op het dark web. ‘Daar heb je de meeste kans de pedoseksuelen die kinderen misbruiken en er beelden van maken te vinden’, zegt Ben van Mierlo. Veelal zijn het individuen die via besloten boards en fora in contact komen met gelijkgestemden. Ze bieden kinderporno aan, op voorwaarde dat de ander ook wat laat zien. Vaak is nieuw beeldmateriaal aanleveren een voorwaarde om toegelaten te worden tot zo’n netwerk. Wil je hoger in de hiërarchie komen, dan moet je jonger of gewelddadiger materiaal aanleveren. ‘Je krijgt een soort wedloop van wie het gekst durft te doen’, zegt Van Mierlo. ‘Het geeft status als je nieuw materiaal hebt, want dat toont dat je toegang hebt tot kinderen. In de pedoseksuele wereld is dat een buitengewoon interessant gegeven, want misschien stel je die kinderen dan ook wel ter beschikking.’

Onderzoek op het dark web wordt gedaan door specialisten. Het is technisch ingewikkeld. Er is geen internetprovider bij betrokken. Het dark web is groot, onbekend en niet geïndexeerd op inhoud. ‘Als twee figuren morgen afspreken dat ze het de hondjespagina noemen, moet de politie er maar achter zien te komen dat het in werkelijkheid om kinderporno gaat’, vertelt Van Mierlo. ‘Maar deze actieve opsporing leidt wel tot de grote zaken met veel servers en miljoenen plaatjes. Het zijn er jaarlijks niet veel, maar ze zijn wel heel ernstig’, stelt hij.

De landelijk coördinator beaamt dat er bij de politie op dit terrein een tekort aan menskracht is. ‘We zouden zeker extra mensen kunnen gebruiken. Het werk is emotioneel belastend, je moet af en toe even een rustmoment hebben. Maar nu moet iedereen doorjakkeren’, zegt hij. Ook hij benadrukt de enorme stijging van het aantal meldingen waar meer uit te halen zou zijn. ‘We weten dat er potentieel meer informatie in zit met mogelijke indicaties van actueel misbruik. Maar dat kunnen we niet allemaal doorzoeken.’ Sinds 2012 heeft de politie zo’n vijftienhonderd slachtoffers geïdentificeerd en iets meer dan vijftienhonderd verdachten. ‘Als je meer rechercheurs krijgt, vind je waarschijnlijk ook meer slachtoffers.’ Maar wat is genoeg? vraagt hij retorisch. ‘Mag een kind redden zestigduizend euro kosten? Wat ga je als politie dan niet meer doen? Ook oplichting en cybercrime zijn steeds grotere problemen. Bovendien willen mensen ook blauw op straat en aangifte op het bureau kunnen doen.’

De meldingen en actieve opsporing leveren per jaar zo’n zes- à zevenhonderd dossiers op die de politie verder onderzoekt. Na identificatie en het verzamelen van bewijsmateriaal leiden die tot gemiddeld 350 strafrechtelijke afdoeningen door het OM of de rechtbank. Het is het topje van de ijsberg. ‘We zitten te roeren in een heel grote bak met gegevens waarvan we zeker weten dat er heel veel misbruik in voorkomt’, zegt Michelle Spoormaker. In 2017 heeft de politie 130 Nederlandse kinderen uit misbruiksituaties kunnen halen na de vondst van kinderporno, zo blijkt uit cijfers van de tbkk-teams. ‘Wat wij doen is een druppel op de gloeiende plaat. Maar dat is met alle criminaliteit het geval. Neem woninginbraken of drugs. We vangen honderd kilo drugs, maar achter je rug gaat het tienvoudige door de haven. Daar kun je moedeloos van worden, maar je kunt ook denken: ik doe in ieder geval iets. We pakken mensen op die kinderen misbruiken of van plan zijn dat op een heel nare manier te doen.’

De dadergroep is, zo benadrukt Spoormaker, zeer breed. Van de verveelde huisvader aan de ene kant tot mensen die pedoseksueel zijn of psychopaten die gewetenloos kinderen met veel geweld en pijn misbruiken en niets ontziend zijn. ‘Allemaal hebben ze een andere reden waarom ze het doen, allemaal hebben ze een andere aanpak nodig. Los van het feit dat we veel te weinig capaciteit hebben, is niet alles even geschikt om in het strafrecht te trekken’, aldus Spoormaker. De puber die zichzelf fotografeert kun je beter een goed gesprek geven. Mensen die bestaand materiaal downloaden en verspreiden, worden vaak verplicht naar de hulpverlening te gaan. Ook speelt mee dat een veroordeling vaak een verwoestend effect op hun leven heeft. ‘De maatschappelijke sanctie is vaak hoger dan de celstraf of de boete. De afschuw over deze delicten is enorm. Mensen worden uitgestoten’, stelt Van Mierlo.

Spoormaker benadrukt: ‘Wij gaan achter de excessen aan. We richten ons op de echt gevaarlijke mensen die schade toebrengen.’ De realiteit is dat er geen totaaloplossing is voor het voorkomen van online kindermisbruik. Politie en justitie kunnen zich alleen richten op dat minuscule topje van de ijsberg. De verspreiding van kinderporno zal steeds groter worden en is nu al zo groot dat ze samen een beroep op de samenleving doen. Spoormaker, Van Mierlo en Gerkens vinden dat kinderporno maatschappelijk breed moeten worden aangepakt.

‘Kinderen hebben op hun slaapkamer een computer waar een camera op zit. Toch vragen ouders niet: je hebt er drie uur achter gezeten, met wie heb je gechat, wat heb je gedaan?’

Dat is ook wat Ferdinand Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid, beoogde met twee rondetafelconferenties die hij dit jaar organiseerde samen met de politie, het OM, het Expertisebureau Online Kindermisbruik, de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen en ook vertegenwoordigers van internetbedrijven en internetexperts. Met als doel: kinderporno moet van het internet af.

De kern van de nieuwe aanpak is dat internetbedrijven verantwoordelijk zijn om de groeiende hoeveelheid kinderpornografisch beeldmateriaal van hun netwerken te halen. De minister stuurde op 1 mei een verslag van de eerste rondetafelbijeenkomst naar de Tweede Kamer. De ‘eerste ambitie’ waarover overeenstemming was, is het aanpakken van internetbedrijven die niet of onvoldoende meewerken aan verwijdering van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Daarbij wordt gedacht aan een zwarte lijst. De tweede ambitie betreft de ‘proactieve aanpak’. Bedrijven kunnen zelf web crawlers inzetten om hun eigen servers te schonen, maar daarvoor hebben ze de hash-waarden nodig van de reeds bekende kinderporno. De politie is bereid mee te werken aan het opzetten van een hash-database, zodat bedrijven beelden kunnen verwijderen. (Het geldt dus niet voor nieuwe beelden, die nog niet zijn gedetecteerd en waarvan de hash-waarde niet bij de opsporingsdiensten bekend is.)

Deze maatregelen zijn niet alleen bedoeld om kinderporno van het net te krijgen, maar vooral ook om slachtoffers te beschermen. Het overgrote deel van de slachtoffers die weten dat oude beelden van hen op internet circuleren, leeft vaak in angst door anderen herkend te worden, zo blijkt uit onderzoek van de Nationaal Rapporteur. Van Mierlo somt enkele cijfers op: 44 procent van de slachtoffers van online kindermisbruik kan niet goed werken; ruim zestig procent heeft problemen in hun seksuele relatie en bijna allemaal hebben ze moeite bij het aangaan van vertrouwelijke relaties. Op aanbeveling van de Nationaal Rapporteur wordt nu (in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid) een onderzoek gedaan naar de wenselijkheid en mogelijkheden voor een notificatiesysteem waarbij slachtoffers van kinderporno worden ingelicht als er beeldmateriaal van opduikt.

Inmiddels heeft op 9 oktober een nieuwe rondetafelconferentie plaatsgevonden. Een week daarvoor meldde Van Mierlo in de media dat met internetproviders contracten zouden worden getekend over samenwerking. Maar sindsdien is het stil. De partijen houden de lippen stijf op elkaar om het ‘precaire proces van onderhandelen’ niet te verstoren. ‘Nog dit jaar worden afspraken verwacht met alle betrokken partijen om concrete stappen te gaan zetten en maatregelen te nemen’, zegt Van Mierlo nu.

Bij de bestrijding van kinderporno doet Van Mierlo bovendien een appèl op de rest van de maatschappij. ‘Het hele vraagstuk ligt nu zo in de taboesfeer. Maar het is goed je te realiseren dat maar liefst drie procent van de Nederlandse mannen wel enige interesse heeft in dit soort plaatjes. Je kunt beter maar leren hoe je daarmee moet omgaan.’ Er valt nog veel te doen aan preventie en voorlichting, maar dat hoeft niet alleen via het onderwijs of spotjes op sociale media. Hij wijst op de verantwoordelijkheid van ouders. ‘Je zult gesprekken over seksualiteit moeten hebben met je kind’, zegt Van Mierlo. ‘Er moet een zodanige vertrouwensband zijn dat als de oppas toch met z’n vingers aan je onderbroek gaat zitten je dat wel aan papa en mama vertelt.’ Hij wijst nog maar eens op de cijfers: zestig à zeventig procent van het misbruik vindt plaats in de familie- of kennissenkring. ‘De kans is groter dat je in je huis verkracht wordt dan door die vieze man die jou meeneemt in zijn auto.’

Ouders moeten ook met hun kinderen over het internet praten. ‘De tijd is voorbij dat je kunt zeggen: ik ben daar niet zo handig mee. Kinderen hebben op hun slaapkamer een computer waar een camera op zit. Toch vragen ouders niet: je hebt er drie uur achter gezeten, met wie heb je gechat, wat heb je gedaan?’ Kinderen doen het in vertrouwen, maar beelden kunnen direct het internet op gaan. Van Mierlo kent de gevallen van kinderen die onbegeleid, te jong en argeloos aan het webcammen slaan terwijl ze doktertje spelen. ‘Tot het te laat is’, zegt hij. ‘En vergis je niet. Kinderen van zeven jaar zitten al zelfstandig voor de camera. In hun blote kont doen ze dan iets met een speelgoedkonijn. Ze weten precies hoe het uploaden werkt, maar overzien de consequenties niet als het filmpje daarna wordt verspreid. Het raakt hen echter voor de rest van hun leven.’

Robin Utrecht/ NurPhoto / HH

Zonder het te beseffen zijn kinderen momenteel de grote producenten van kinderporno. Zo neemt sexting – het verzenden van ‘seksueel getinte’ beelden via WhatsApp, Facebook, YouTube, Instagram en Twitter – alleen maar verder toe. Maar ook de beelden van zeventienjarige meisjes in bikini die een seksuele pose aannemen zijn juridisch gezien kinderporno. ‘Het hoort deels bij het opgroeien in een digitale wereld’, zegt Van Mierlo. ‘Kinderen mag je dat nooit kwalijk nemen. Maar het vraagt een inspanning van ons allen.’

Michelle Spoormaker: ‘Ik zeg altijd, het is geen criminaliteitsprobleem, het is een maatschappelijk probleem.’ Strafrecht is, benadrukt ze nogmaals, hiertegen maar een beperkt middel. ‘Wij kunnen het putje niet steeds leegvissen terwijl het almaar wordt gevuld en overstroomt.’ Ze voorspelt dat kinderporno zal blijven groeien en er nieuwe vormen worden ontwikkeld die ons voor nieuwe vragen zullen stellen. Zoals virtual reality. ‘Een spel waarin je kinderen kunt misbruiken met je VR-bril op’, zegt ze. ‘Mag dat? Wat gaan we daarmee doen? Parallelle en virtuele werelden gaan we de komende tijd zeker zien.’ In zulke gevallen wordt er ‘iets’ misbruikt dat op een kind lijkt. ‘Een avatar dat is nagemaakt of dat is gebaseerd op een werkelijk misbruikt kind, en alle mengvormen.’

Er is de afgelopen decennia veel veranderd in het denken over seksuele handelingen met kinderen. In de jaren zeventig en tachtig vond men meer acceptabel. ‘Er werd bij Sonja Barend aan tafel over gepraat’, zegt Spoormaker. Daarna kwam het besef dat ‘dergelijke praktijken niet zo onschuldig waren’, maar dat het om misbruik ging dat schadelijk is voor het kind. Nu ziet de officier de samenleving steeds verder seksualiseren. Normen over wat kan en wat kinderen mogen zien, schuiven op. Zij zou heel blij zijn als er over een of twee generaties meer bewustzijn over bestaat. ‘Dat je niet meer in de auto zit met iemand die zegt: “O, mag ik niet naar kinderporno kijken? Is het online kindermisbruik en strafbaar?”’ Het gaat niet alleen om zedendelinquenten als Robert M., zegt Spoormaker. ‘We hebben er allemaal een rol in, ook het bedrijfsleven, ook mensen die in staat zijn om signalen te ontdekken, en ook ouders.’ Haar ideaal is dat er een Bob-achtige campagne zou komen. ‘Dat we het dan net als rijden met alcohol op niet normaal meer vinden.’

Zij ziet, samen met haar team en de politie, elke dag de beelden. Daarom is het volgens haar ook goed om als professional langer op dit dossier te zitten. ‘Je moet een bepaalde hardheid opbouwen om er zakelijk naar te kunnen kijken’, zegt Spoormaker. Daardoor kan ze de juiste besluiten nemen. ‘Als jullie iets lezen, kun je je niets ergers voorstellen, wij wel. Wij zijn ook van slag, worden er kwaad over, willen er wat aan doen, maar we weten dat die fenomenen bestaan.’ Er wordt soms wel gevloekt, gescholden en gehuild, geeft ze toe. Er is bij justitie en politie een groep die zich al jaren op de aanpak van dit omvangrijke misdrijf richt. Ze kennen elkaar al heel lang. Het belangrijkste voor hen is dat het slachtoffer wordt gered. ‘Al moeten we er een zaak voor stuk maken’, zegt Spoormaker. Dat is hun drijfveer. ‘Elk gered kind is weer een kind, het heeft altijd zin.’


Momenteel doet DSP-groep, in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid, onderzoek naar de ervaringen en behoeften van slachtoffers van kinderpornografie, zoals was voorgesteld door de Nationaal Rapporteur.