‘Wij zijn te vroeg’

In Christa Wolfs Nachdenken über Christa T. (1968) hoopt Christa op een betere DDR. In Mit der Geschwindigkeit des Sommers (2009) van Julia Schoch is de DDR juist een ‘verloren paradijs’.

De in 1974 in de DDR geboren schrijfster Julia Schoch heeft, toen haar nieuwe roman Mit der Geschwindigkeit des Sommers bijna klaar was, opnieuw het bekende boek Nachdenken über Christa T. van de nu tachtig jaar oude Christa Wolf gelezen. Er bestaat, zo verklaarde ze in het Duitse maandblad Literaturen, een ‘reëel verband’ tussen beide werken. En dit ondanks het feit dat er tussen beide boeken niet alleen ruim veertig jaar liggen, maar ook enkele zeer ingrijpende gebeurtenissen: de val van de Berlijnse Muur in 1989 en het verdwijnen van de DDR in het jaar daarop. Bij de Duitse hereniging was Julia Schoch zestien, en Christa Wolf, de grote ster van de Oost-Duitse literatuur, 61 jaar oud.
Het is interessant beide werken na elkaar te lezen, want er zijn inderdaad enkele parallellen. De beide hoofdpersonen (twee vrouwen) deelden het lot in de DDR te leven en, ieder op eigen wijze, gebukt te gaan onder een ongewenst regime. Ze koesterden verwachtingen die geen werkelijkheid werden, en stierven jong. De twee boeken zijn een literaire poging het leven van deze vrouwen aan de hand van herinneringen en schriftstukken te reconstrueren, waarbij gaandeweg de vertelsters ook meer inzicht krijgen in hun eigen werkelijkheid.
Dit laatste is vooral kenmerkend voor het in 1968 verschenen Nachdenken über Christa T., want het nadenken over haar aan leukemie gestorven vriendin betekent voor Wolf ook nadenken over haar eigen positie als communiste en scheppend kunstenaar in de DDR. Ze begon aan dit werk nadat ze kort tevoren openlijk de opvattingen van partijleider Walter Ulbricht over kunst en cultuur had weersproken. Ulbricht verkondigde eind 1965 dat literatuur twee taken had: het opvoeden van de jeugd tot volgzame communisten en het ondersteunen van het economische beleid. Literatuur diende ter verhoging van moraal en arbeidsproductiviteit, wat betekende dat auteurs optimistische romans moesten schrijven, waarin het leven positief werd benaderd. Wolf verdedigde daarentegen de stelling dat kunst subjectief is en van de individuele mens uitgaat, en niet van een geïdealiseerd menstype. Vooral de beschuldiging dat sommige schrijvers ‘contrarevolutionaire’ activiteiten ontwikkelden, kon ze niet accepteren. Voor Wolf was dit een hoogst pijnlijke botsing, want ze geloofde stellig in een op antifascisme en socialisme gebaseerde staat. Voor de DDR was er in haar ogen geen alternatief. Maar waarvan zij droomde was een democratisch en menselijk socialisme. Haar geloof dat dit socialisme met de heersende communistische SED te verwezenlijken viel, werd echter na 1965 steeds geringer. Maar aan haar utopie van een beter socialisme bleef ze vasthouden.
‘Eens in het leven, op het juiste moment, moet men aan het onmogelijke hebben geloofd’, zo staat in Nachdenken über Christa T. In de beginjaren van de DDR ‘had de idee van de volmaaktheid ons gegrepen’, schrijft Wolf. Men waande zich op de drempel van het paradijs, maar na verloop van tijd begon men zich toch af te vragen wat dat dan betekende: zichzelf veranderen en een ‘nieuwe mens’ worden. Het gevoel begon te overheersen dat dit vooral inhield de eigen persoon weg te cijferen en ‘schroefje te zijn’ in een machine, waarvan de ‘tandraden, riemen en stangen in duisternis gehuld waren’.
Zich voegen in de nieuwe orde van het starre communistische partijapparaat, zich aanpassen – dat was niets voor de onafhankelijke Christa T. ‘Ik ben anders’, wat voor haar betekende oprecht te leven, ‘leven naar eigen wetten’. Ze bouwde haar eigen huis, wat in de DDR een hels karwei was, en toen het klaar was, stierf ze aan leukemie, maar wellicht toch ook aan de DDR. Want al eerder had ze in een brief de wens geuit te sterven. ‘De vrees dat dit voor eens en altijd niet haar wereld kon zijn. De onvermijdelijkheid van het bestaande had haar angst aangejaagd.’
Van Wolf zelf komt af en toe een tegengeluid; ze blijft geloven in de vooruitgang. ‘Ik meende zeker te weten dat nog veel omkeerbaar en bereikbaar was, zolang men zijn geduld maar niet verloor en het geloof in zichzelf.’
Christa T. had gedurende haar leven alles wat ze dacht en voelde opgeschreven, en deze nagelaten geschriften waren in feite een ‘lange, eindeloze weg naar zichzelf’. Maar zelfverwezenlijking was er in de DDR niet bij. Het individu diende op te gaan in het collectief. Vandaar dat Wolf schreef: ‘De moeilijkheid “ik” te zeggen.’
Het heeft enige tijd geduurd voordat Nachdenken über Christa T. in de DDR mocht verschijnen. In eerste instantie werd het werk verboden wegens ‘subjectivisme’. Christa T. was geen voorbeeld voor de mensen in de DDR, zo luidde het oordeel van de censor. Maar na enkele tactische manoeuvres werd het werk in 1968 toch gedrukt, en wel in een oplage van vierduizend exemplaren, die echter nauwelijks de Oost-Duitse boekhandel bereikten. Pas in 1972, toen na het aan de macht komen van Erich Honecker de kunst korte tijd enige vrijheid werd gegund, beleefde het werk een doorbraak. Er kwam een tweede oplage en tot 1989 werden er in de DDR 250.000 exemplaren verkocht.
In Mit der Geschwindigkeit des Sommers (2009) maakt de lezer een sprong in de tijd. Julia Schoch vertelt het verhaal van een vrouw die na de val van de Muur in haar oude, Oost-Duitse woonplaats was gebleven. In de loop der jaren groeide het besef geketend te zijn aan een leven dat ze zich ooit geheel anders had voorgesteld. Uiteindelijk koos ze voor de meest radicale uitweg: de vrouw, die vrijwel nooit op reis ging, pleegde zelfmoord in het verre New York.
Deze tragische gebeurtenis wordt de lezer aan het begin van de roman meegedeeld door de jongere zus, de vertelster in deze roman. Zij stelt zich beschaamd de vraag of het beeld dat ze zich van haar oudere zus had gevormd wel juist was. Moest het niet worden vervangen door andere beelden?
Ook in dit met veel empathie geschreven verhaal wordt nagedacht over een persoon die er niet meer is, wordt aan de hand van herinneringen en gesprekken een leven beschreven. Het is een reconstructie met lacunes en abrupte overgangen, zodat het niet altijd even gemakkelijk is Schochs gedachtegang te volgen.
In beide boeken wordt gedroomd over een betere toekomst. Maar in Nachdenken über Christa T. is de hoop gericht op een betere DDR. In de jaren tachtig – verder reiken de herinneringen in Mit der Geschwindigkeit des Sommers niet – was die hoop er niet meer. Op school nam de oudere zus onverschillig deel aan de door de communistische staat voorgeschreven rituelen. Zo onopvallend mogelijk je plicht doen, dacht ze, ‘overleven’ en wachten op een toekomst die ‘geheel anders’ en ‘beter’ zou zijn.
Dit wachten gebeurde in een garnizoenstad niet ver van de Duits-Poolse grens, waar vader officier was. Het gezin woonde in een nieuwbouwwijk bestaande uit grijze, betonnen flats. De Koude Oorlog was er zichtbaar aanwezig.
Toen de Muur viel in 1989 was de oude zus net getrouwd en had een baby. Schoch benadrukt dat vrouwen als eersten begrepen dat de vreedzame revolutie hun eindelijk de kans bood zichzelf te ontplooien. Sommigen vertrokken. De oudere zus bleef, hield vast aan haar rol van moeder en huisvrouw, met als enige afleiding de ‘soldaat’, haar minnaar, totdat ook met hem werd gebroken. Na de eenwording raakte de Oost-Duitse samenleving verdeeld. De jongeren pasten zich snel aan en zagen in het westerse leven een kans om carrière te maken. Anderen moesten ervaren dat het kapitalistische paradijs alleen in hun dromen had bestaan. Schoch geeft nog een andere verklaring voor het ‘verloren paradijs’. Ze schrijft: ‘In de wereld van het socialisme waren de wensen gekrompen. Een comfortabel ingerichte woning, enige afwisseling in het dagelijkse leven (…) Zoals de meeste mensen merkte mijn zus pas laat: de dromen waren zo klein geweest dat hun vervulling onspectaculair eenvoudig was. Men moest slechts de stap naar een andere maatschappij zetten. Het vaak vreemde, wrevelige gevoel in de jaren na de revolutie werd ook daardoor veroorzaakt dat men, nu de eigen voorraad aan wensen was uitgeput, niet wist aan welke dromen men zich in deze andere samenleving zou overgeven.’
Aan het einde van het verhaal vermoedt de lezer wat er met deze oudere zus is gebeurd. Ze was ook na bijna twintig jaar mentaal niet losgekomen van de verdwenen DDR. De discipline, het plichtsbesef en het verantwoordelijkheidsgevoel, afgedwongen in haar jeugd, hadden zich in haar wezen vastgehaakt. Nutteloze, ergerlijke ballast. Daardoor was ze ook nooit echt in het Westen aangekomen. De tijd schreed voort, de omgeving veranderde, maar toch leek zich voor haar niets meer te bewegen. Wat bleef was een ‘honende, onverschillige houding tegenover het leven’. Schoch schrijft: ‘Ik acht het mogelijk dat de sprakeloze gelijkmoedigheid van destijds in ons is gebleven, dat we haar meeslepen tot aan de dood. En dat helemaal niets haar kan vervangen, geen nieuwe liefde, ook niet het plan om weg te gaan, ja zelfs de lust van de vrijheid.’
Kort voor haar vertrek naar New York liet de oudere zus de jongere weten: ‘Wij zijn te vroeg.’ De nieuwe tijd was ‘nog niet de voor ons bestemde, nog niet de juiste’. Eerst moest al het bestaande radicaal worden overwoekerd. ‘We stonden niet aan het begin van iets geheel nieuws, we konden nog slechts het einde gadeslaan.’

Christa Wolf, Nachdenken über Christa T., Suhrkamp, 218 blz., € 8,-
Julia Schoch, Mit der Geschwindigkeit des Sommers, Piper Verlag, 150 blz., € 14,95