De broederschapsrevolutie of: wie is wij? (3) Berlijn

‘Wij zijn verder dan de stad’

In zijn zoektocht naar broederschap in Europa bezoekt Bas Mesters na Parijs en Londen nu Berlijn. Kleine groepen belopen daar het bruine pad. Anderen verkiezen de regenboogweg. Wat kan Europa leren van het herenigde Duitsland?

Medium gettyimages 851390406
Berlijn, district Marzhahn, 22 september 2017 © Sean Gallup / Getty Images

Daar zat ik dan tussen denkend Duitsland in de schaduw van de Brandenburger Tor met uitzicht op de gerestaureerde Rijksdag. Om me heen schrijvers, literatuurwetenschappers, filosofen, journalisten, lezers, op gele, oranje en rode stoeltjes in de Plenarsaal van de Akademie der Künste, een van de oudste culturele instituten van Europa. Nog drie dagen, dan zou populistisch en extremistisch rechts via de AfD met bijna negentig afgevaardigden zitting nemen in het parlement. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog. De Akademie-leden wisten dat het eraan kwam. En het bedrukte ze, zo gaf menigeen toe. Maar deze avond was het tijd voor Kultur. Hochkultur: Literatur.

Allen wachtten ze op Ingo Schulze, de successchrijver die opgroeide in Dresden, die de Wiedervereinigung van Oost en West al decennia van literair commentaar voorziet, en zich ook rond de verkiezingen niet onbetuigd had gelaten. Een week voor de bijeenkomst vroeg hij zich in de Süddeutsche Zeitung af: ‘Wer ist wir?’ (Wie is wij?) Hij stelde de vraag: ‘Gaat het ons goed, omdat het anderen slecht gaat?’ Hij herinnerde de lezer eraan dat Europa ‘altijd heeft geleefd van de plundering van anderen, en dat dat nog steeds doorgaat’. Hij schreef te hopen bij het ‘wir’ te horen dat deze waarheid nog onder ogen wil zien.

In deze Akademie der Künste, in deze stad, in dit land dacht men altijd veel en lang na over het ware en wezenlijke van de mens. Over de Seele. Over Identität. Ook over Gesundes Volksempfinden. Dat leidde nu eens tot prachtliteratuur van Goethe en idealistische dromen over een wereldvrede van Immanuel Kant. Maar ook het duister werd verkend, met miljoenen en miljoenen doden als gevolg. De vraag ‘wer ist wir?’ was in de genadeloze geschiedenis van Duitsland vaak leidend.

En volgens Schulze is die vraag ‘wie is wij?’ in onze tijd weer helemaal terug van weggeweest, omdat men zich afvraagt waar de gezamenlijkheid is gebleven. Bij wie hoor je nog? ‘Het zoeken naar antwoord op die vraag geeft in vriendenkringen, buurtkringen, op het werk verrassende breuken die beide zijden irriteren. En dat drukt zich uit in grotere zaken.’ Zoals de vraag: op wie kan ik rekenen? En: tot wie kan ik me verhouden? Schulze denkt dat we inmiddels in Europa in een periode van schijnvrede leven, die door het neoliberalisme stap voor stap verder wordt ondermijnd. Nationalistische en volkse krachten bekritiseren het neoliberalisme terecht, uit een verlangen naar hernieuwde gezamenlijkheid. En andersom bekritiseert het neoliberalisme het nationalisme. Maar, zo stelt Schulze, het volkse nationalisme mag niet het alternatief worden voor neoliberalisme. ‘Het “wij” mag voor mij noch het ene noch het andere gaan toebehoren.’ Niet het bruine fascistische denken en niet het kapitalistische denken, waarin ‘wij’ slechts een verzameling van individuen is die ieder voor zich opereren.

Ook in Duitsland grijpt het spreken over ‘wij’ en over identiteit om zich heen. Volgens socioloog Heinz Bude, geciteerd in Stern, kun je de verschillende ‘wij’s’ heden ten dage in twee grotere groepen opdelen. Je hebt ‘Milieus der Kränkung’ en ‘Milieus des Vernunfts’. Ze spreken nauwelijks nog met elkaar. Ze kunnen enkel opgewonden op elkaar reageren. De gekwetste milieus reageren luid boe-roepend met afweer en angst op de tekenen van de nieuwe tijd: immigratie, digitalisering en een zich veranderende arbeidsmarkt. ‘Enttäuschungswut’ noemt mediawetenschapper Bernhard Pörksen dit diffuse gevoel van mensen die teleurgesteld zijn over hun eigen levensprestatie, over het gebrek aan erkenning door de samenleving van de mensen die zich niet tot de winnaars van het neoliberalisme mogen rekenen en die het niet eens zijn met de vluchtelingenpolitiek.

Deze avond in de Plenarsaal zouden de bezoekers willen dat het niet bestond, die onvrede, die teleurstellingswoede. Ze rekenen zichzelf tot het Milieu des Vernunfts: ‘Laten we gewoon het goede doen, ieder voor zich, dan komt het goed.’ En ze worden, althans zo lijkt het op het eerste gezicht, op hun wenken bediend door Ingo Schulze. Want de hoofdpersoon uit de deze avond te lanceren roman Peter Holtz: Sein Glückliches Leben erzählt von ihm selbst wil niets anders dan het goede. Zijn probleem is alleen dat hij daardoor constant in conflict raakt met de socialistische en later kapitalistische wereld om hem heen. Het eerste deel van Peters leven woont hij in de ddr en wil hij exact volgens de marxistisch-leninistische leer leven, zonder bezit en in gelijkheid met de Genossen, de kameraden. Hij doet uitspraken als: ‘Arbeit gegen Bezahlung das gibt doch kein Freude.’ Maar hij wordt niet begrepen, ook al leeft hij naar de letter van de heersende ideologie. De mensen weten beter, ze weten dat de realiteit andere wetten kent dan de ideologie, ook in de ddr. En ze lachen hem uit.

Na de val van de Muur bekeert hij zich tot het kapitalisme en opnieuw streeft hij volgens de principes van de nieuwe heersende ideologie naar het goede. Het maakt hem onbedoeld pervers rijk, maar niet gelukkig. En omdat hij gut en verantwoordelijk wil handelen, en hem dat niet lukt zolang hij veel geld heeft, besluit hij zijn geld dat zich alleen maar wil vermeerderen publiekelijk te verbranden: duizend-markbiljet na duizend-markbiljet. Hij krijgt applaus als was hij een kunstenaar. Hij wordt gevangen gezet, omdat hij onrust zou stoken. Geld verbranden blijkt een misdrijf in de kapitalistische samenleving waarin hij leeft. De mensen lachen Peter Holtz opnieuw uit. Maar ze lachen daarmee om wat ze in het diepst van hun wezen het liefst zouden willen. Leven naar hun principes.

Enige weken na de presentatie legt Ingo Schulze me telefonisch uit: ‘Doordat Peter de dingen en idealen letterlijk neemt, treft hij vaak gedachten en gevoelens die daadwerkelijk in ieder individu sluimeren. Maar als kapitalistische samenleving met alle afspraken die we in onze werkelijkheid hebben gemaakt zijn we zo ver van zijn denken verwijderd geraakt dat er een grote discrepantie bestaat tussen zijn antwoorden en onze vragen. Tussen Peters logica en ons handelen. Daarom lacht men om Peter. Ook al verpersoonlijkt hij in zijn acties de letterlijke uitdrukking van onze vrijheidsidealen. Ik vind het belangrijk om die claims te formuleren. In literatuur kun je zo’n figuur de wereld in zenden en dan hopen dat hij bij zo veel mogelijk lezers binnen wordt gelaten en dat men gaat nadenken.’ >

Hier in Berlijn bleek, net als eerder op mijn reis in Parijs en Londen, de vraag ‘wie is wij?’ zeer actueel. Ook hier vond ik aanwijzingen dat we mogelijk getuige zijn van een broederschapsrevolutie, een nieuw verlangen naar gezamenlijkheid, dat verstopt ligt onder het luidruchtig polariserend gekrakeel in de westerse samenleving, waarin de vrijheidsrevolutie op haar grenzen is gelopen – met de financiële krach, de uit de klauwen lopende ongelijkheid en de groeiende gevoelens van eenzaamheid. De grote vraag is echter of dit verlangen naar broederschap een bruine of een regenboogkleurige tint krijgt. Net als in Parijs en Londen stelde ik de vraag centraal wat ons nog bindt in Europa, wat er is overgebleven van de kernwaarden van de Franse Revolutie die onze westerse samenleving al ruim tweehonderd jaar schragen: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Ik ontmoette mensen die bouwden aan broederschap, al noemden ze het vaak liever niet zo. Zoals Kazim Erdogan, een psycholoog die de bijnaam ‘sultan van Neukölln’ draagt en al decennia Turkse vaders helpt zich met elkaar en met de Duitse samenleving te verbinden. Hij gebruikte liever de term ‘goede en eerlijke communicatie’. Ik realiseerde me ineens dat dat woord ‘communicatie’ is afgeleid van commune: gezamenlijkheid.

Ik had contact met de gezaghebbende politicoloog professor Claus Leggewie, tot voor kort directeur van het Kulturwissenschaftliches Institut in Essen en schrijver van het boek Europa zuerst!: Eine Unabhängigkeitserklärung. Hij wees me op het Convivialistisch manifest: Verklaring van onderlinge afhankelijkheid dat na de crisis van 2008 door veertig Franse denkers en wetenschappers van verschillende politieke kleur werd ontwikkeld in een poging een nieuwe moraal voor het samenleven te doordenken. Een in 2013 gepubliceerd maatschappijmodel waarbij ‘geven’ in plaats van het neoliberale ‘nemen’ de drijvende motor is. En waarbij de kwaliteit van sociale verhoudingen in plaats van utilitarisme, eigenbelang en economische groei centraal staat als maatschappijvormend principe. Het pamflet werd in 2014 in diverse talen vertaald, ook het Duits, maar ging aan Nederland zo goed als onopgemerkt voorbij.

Ook trof ik in Neukölln, de grootste wijk van Berlijn, de Nederlands-Chinese kunstenares Li Koelan die in haar kleine museum potjes aarde uit alle landen van de wereld verzamelt. Aardedragers uit de hele wereld brachten haar grond. Haar motto: de aarde is ondeelbaar. Haar met goudkleurige warmtefolie – die door het Rode Kruis wordt gebruikt voor slachtoffers van rampen – beklede paradijselijke atelier is nu een klein ontmoetingscentrum voor de 167 nationaliteiten in de wijk. ‘De mensen die er komen voelen dat dit een plek van verbinding is’, zei ze me.

Ik sprak ook dominee Ulrike Klehmet van de Evangelische Kirchengemeinde Heilig Kreuz-Passion die op de gevel van haar kerk in Kreuzberg de slogan ‘Rassismus schadet der Seele’ had hangen. Een boodschap die in verkiezingstijd op veel kerken in Berlijn werd getoond, ‘omdat dingen waar we het voorheen over eens waren dat ze niet deugen, weer opduiken, zoals racisme’. Ze wilde deze mechanismen weer op de agenda zetten: ‘Racisme schaadt niet alleen de ander, maar ook je eigen ziel. En ziel betekent: herinnering, gevoel, verstand. Het “ik” woont in de ziel.’ Ze ziet dat mensen broederschap beperken tot hun gelijken: en dat beperkt de vrijheid. Ze ziet heel veel verbindende krachten. Ouderen werken in verenigingen. Jongeren doen het meer pop-up, in bewegingen, via Facebook en hashtags.

Hij verbrandt zijn geld: duizend-markbiljet na duizend-markbiljet. Hij krijgt applaus als was hij een kunstenaar

Het kostte kortom geen enkele moeite om mensen te vinden die verlangen naar of werken aan meer broederschap – of beter communicatie, zoals Kazim Erdogan het noemde. Al trof ik ook scepsis over de vraag of het er nog van zou komen. Bijvoorbeeld in Marzahn-Hellersdorf, een Plattenbau-wijk waar tijdens het oogstfeest de enige oogst het bier was dat er rijkelijk vloeide. Daar gaven de voormalige Oost-Duitsers Peter en Heike me hun visie op broederschap: ‘Das war einmal.’ Na de val van de Muur kwam het geld en verdween de broederschap. En de door de regering afgekondigde ‘broederlijke’ Willkommenskultur ‘overspoelde’ hun arme wijk vervolgens met vluchtelingen, te veel om broederlijk te blijven, naar hun zin.

Op de laatste dag van mijn verblijf in Berlijn stuitte ik op het ongelooflijke avontuur van de Möckernkiez, een buurt in Kreuzberg die net als de romanfiguur Peter Holtz ‘het goede’ wilde doen en net als de convivialisten, zonder het zo te benoemen, besloot om het geven centraler te stellen dan het nemen. Een buurt die daarom in de Berlijnse volksmond al snel de bijnaam Verrückten von der Möckernkiez kreeg en net als Peter Holtz werd uitgelachen. Een groep mensen die tegen beter weten in de strijd aan gingen met het harde kapitalisme en veel kleerscheuren opliepen. De bewoners, een deel nog met de idealen van ’68, gingen op zoek naar een ander ‘wij’, een weg tussen kapitalisme en communisme.

Hun verhaal en hun fantaseren begon tien jaar geleden op een feest in de Hornstrasse in Kreuzberg. Op een pamflet dat daar werd uitgedeeld stond: ‘Anonieme investeerders of wij?’ Er was een strook grond van drie hectare aan het Gleisdreieckpark te koop die mocht worden bebouwd. ‘Een fileetje van een stuk grond’, zoals de huidige projectleider en vertegenwoordiger van de buurtbeweging, Frank Nitzsche, het noemt. ‘Het beste van het beste aan de rand van een park, met drie S-Bahnstations om de hoek en een bushalte direct voor de deur – en dat op vijf minuten van de Kurfürstendamm en tien minuten van de Friedrichstrasse.’ Projectontwikkelaars zouden alles uit de kast halen om die grond te krijgen, zo was de verwachting in 2009. Hier konden kantoren en dure luxeappartementen worden gebouwd.

Maar waarom zouden zijzelf het niet doen, vonden ze op het straatfeest. Kon er niet een mooi duurzaam project worden bedacht waar straks ouderen en jongeren uit de buurt samen zouden wonen en leven tegen redelijke huurprijzen die constant zouden blijven in plaats van te verdubbelen in tien jaar? Hun droom was een modelbuurt voor stedelijk samenleven in de 21ste eeuw te realiseren.

Na tien jaar van gezamenlijke strijd, herhaaldelijke extra inleg van geld, ondermijning door projectontwikkelaars, afwijzingen door banken en zelfs een gemeente die niet echt wilde meewerken, nadert Duitslands grootste woningbouwproject door buurtbewoners nu zijn voltooiing. 471 appartementen voor duizend huurders: ecologisch, zonder drempels, autovrij, met elektrische leenwagens, gemeenschappelijke terrassen en tuinen, gemeenschappelijke werkplaatsen en recreatieruimten. Een project dat er niet zomaar was en er lang niet leek te komen.

‘Het was een weg vol barrières’, vertelt Nitzsche die me vol trots rondleidt over het terrein in aanbouw. De Verrückten von der Möckernkiez zijn op de proef gesteld, maar hun gemeenschapszin won het van de markt. Als Nitzsche moet samenvatten wat anders was en is aan dit project en deze buurt, dan is het ‘dat deze mensen tien jaar geleden besloten niet passief toe te kijken, maar actief te worden’. Ze besloten zelf te bouwen, voor hun idealen te gaan, en een ‘wij’ te creëren.

Al jaren voordat de appartementencomplexen daadwerkelijk begonnen te verrijzen, kwamen de toekomstige bewoners samen. Ze discussieerden in een zelf ontworpen democratisch systeem over de criteria voor duurzaamheid, samenleven, energievoorziening, huurprijzen, integratie en verbinding met de wijk, en ze legden contact met elkaar en met de buurt. Per huizenblok vormden ze Hausgruppen. In overleg bepaalden ze hoe ze zouden gaan samenleven en wat de regels zouden gaan worden. Nitzsche: ‘Het ging over hoe ze hun project nog mooier en zinvoller konden maken. Niet alleen bij elkaar wonen, maar ook bij en met elkaar leven.’

Die werkwijze is zijns inziens een moderne invulling van het begrip ‘broederschap’. ‘Dat betekent: ik neem verantwoordelijkheid. Niet alleen voor mezelf maar ook voor de ander. En de ander doet dat voor mij. Als je iemand een paar dagen niet ziet, klop of bel je aan. In de steden is dat eerder uitzondering dan regel. Maar hier gaan we nog verder. Ouderen zullen de kinderen van hun werkende buren opvangen en helpen met huiswerk maken. Jonge ouders zullen weer boodschappen doen voor de ouderen of met ze naar het ziekenhuis gaan als dat nodig is.’

Welbeschouwd was het pure waanzin. Een clubje buurtgenoten dat op een straatfeest in Berlijn een ecologisch bouwproject start dat uiteindelijk 130 miljoen euro zou gaan kosten. Maar sinds vorige week worden de eerste 180 appartementen betrokken en stroomt de sect rijkelijk. Met een gele bouwhelm op wijst Frank Nitzsche me tussen de kranen en de bouwvakkers op al het moois dat wordt gerealiseerd. De bijzondere ventilatie in de woningen, de zonnecollectoren, het eigen Kraftwerk dat warmte en energie opwekt met biogas. De bewoners besloten energietechnisch de hoogste standaarden te volgen: isolatie van 25 centimeter dik, natuurlijk materiaal, driedubbel thermopane. En een derde van de woningen kreeg extra grote badkamers voor rolstoelgebruikers, zodat mensen er lang kunnen blijven wonen.

Toch leek dit alles er anderhalf jaar geleden niet meer te komen. Het project was vastgelopen: het beton dat al was gestort dreigde een standbeeld te worden voor mislukt coöperatief idealisme. Een nieuwbouwruïne aan de rand van het Gleisdreieckpark. En dat terwijl alles aanvankelijk voorspoedig was gelopen. Na het eerste straatfeest was het enthousiasme alleen maar gegroeid. Men richtte in 2009 een coöperatie op. In 2010 waren er al 240 leden die elkaar een gift deden; ze brachten acht miljoen euro bijeen, zonder te weten of dit ooit tot een woning voor hen zou leiden, maar ze vertrouwden erop. Met het geld kochten ze het dertigduizend vierkante meter grote stuk grond. Al vergaderend ontwikkelden ze een concept voor hun buurt. ‘Iedereen had de meest fantastische ideeën.’ Uitgangspunt was onderlinge solidariteit. Als veel mensen weinig inlegden kon je voor iedereen bouwen. Precies zoals de coöperaties dat eind negentiende eeuw ten tijde van de grote woningnood deden.

In 2014 besloten ze tot een tweede gift aan elkaar. Weer een gok gebaseerd op vertrouwen. Toen alles was getekend, maar de financiering met banken maar niet rondkwam, besloten de inmiddels duizend leden van de coöperatie toch alvast te gaan bouwen, omdat de bouwprijzen bleven stijgen en de kosten anders maar zouden oplopen. Maar dat bleek meer dan een gevaarlijke gok. Het project was zo groot geworden, de regels en financieringsvoorwaarden waren zo complex dat het hun niet lukte de juiste vergunningen en financiële steun te regelen om het geheel af te ronden. Anderhalf jaar lag de bouw stil; dat kostte 45.000 euro per maand.

Sommige deelnemers kwamen in de problemen. Ze hadden geld geïnvesteerd en dat zat vast. Een aantal besloot zich terug te trekken, maar de meerderheid bleef: ze hadden te veel idealen en geld geïnvesteerd om nog op te geven. Ze namen in 2015 een professionele architect en een expert op het gebied van woningbouw in dienst. Frank Nitzsche, die sinds de val van de Muur in 1989 niets anders had gedaan dan bouwen, was een van hen en hij slaagde. In de zomer van 2016 werd de bouw hervat en kon er weer gedroomd worden, al moest Nitzsche offers van de bewoners vragen. De huren gingen omhoog om de banken mee te krijgen. En de ‘genossen’ van de coöperatie moesten meer concessies doen aan de wetten van de markt. Er werden een winkel en een hotel in het plan geïntegreerd die zij verkochten aan een investeerder. Banken eisten een parkeergarage, omdat dat de waarde van het complex zou verhogen. Maar de straten binnen het buurtje bleven autovrij.

‘Als je in de toekomst denkt, word je vaak uitgelachen. Pas achteraf wordt eventueel gezegd dat je iets moois hebt gemaakt’

Nu de realisatie nabij is zal Möckernkiez een voorbeeld worden voor anderen, verwacht Nitzsche. Nu al is er in de pers veel aandacht voor het project. En de bewoners zijn vast van plan om wat ze hebben gerealiseerd uit te dragen. Ze willen anderen die een dergelijk project ambiëren met advies gaan bijstaan. Ze willen de politiek opvoeden die tot op het laatst afwijzend bleef. ‘Die zagen ons als Gutmenschen, als naïeve idealisten.’ Net zoals Peter Holtz in de roman van Schulze. Nitzsche: ‘Als je in de toekomst denkt, word je tegenwoordig vaak uitgelachen. Pas achteraf wordt eventueel gezegd dat je iets moois hebt gerealiseerd.’ Hij vindt het curieus dat de politiek, die juist in de toekomst zou moeten kijken, niet wilde meedenken toen de coöperatie in geldnood zat en bijna failliet ging. ‘Boze tongen beweren dat ze wilden dat we failliet gingen, omdat dit terrein heel mooi ligt in het westen van Berlijn.’

De stad kiest volgens hem eerder voor de markt dan voor de burgers. ‘Wij zijn verder dan de stad’, zegt Nitzsche. ‘En dat terwijl Berlijn wordt geregeerd door een coalitie van de spd, Die Linken en Die Grünen die progressief heten te zijn.’ Hun conservatieve houding verklaart volgens hem waarom de AfD ook in Berlijn groeit. ‘Daar hoeft de AfD niets voor te doen. De andere partijen zorgen ervoor dat de mensen gefrustreerd raken en de populisten maken daar gebruik van.’ Het Milieu der Kränkung wordt volgens hem mede geschapen door de mallemolens van de bureaucratie.

Medium 2 moeckernkiez spatenstich 20160713
Het bouw-project Möckernkiez – ‘Die Verrückten von der Möckernkiez’ © Bernd Seidel / moeckernkiez.de

Op Alexanderplatz, maar ook als je de pastelkleurige metro neemt die je aan de tijd voor de Muur doet denken en naar Marzahn-Hellersdorf rijdt, struikel je over de draaimolens als volksvertier: oogstfeest in een Plattenbau-wijk in Oost-Berlijn. De mensen zitten aan lange tafels en luisteren naar Amerikaanse jazz uit de jaren veertig, naar kinderkoortjes die zingen over samenzijn. Het bier kost 5,50 euro per glas. Wie het glas terugbrengt krijgt 2,50 terug. Overal in de straten hangen in de verkiezingstijd posters van Alternative für Deutschland die heel goed weet waar ze moet werven en waar niet.

Peter (56) en Heike (52) staan aan een statafel, zij met haar adelaarstattoos en een opdruk van een enorme adelaar op haar T-shirt. Om haar middelvinger een knots van een zilveren adelaarsring. En hij met de beeltenis van een tank op zijn shirt. Ik kijk recht in de loop van het oorlogstuig als ik hem aanspreek. De twee onderschrijven op hun manier de kritiek die Frank Nitzsche van de Möckernkiez uit op de politiek. Ze blijken overmeesterd door Enttäuschungswut, zoals de mediasocioloog Pörksen het noemde. Maar ze gaan geen AfD stemmen, omdat ze dat een fictieve partij vinden. ‘Je hoort de AfD op tv, maar ziet ze niet op straat.’ Ze besluiten voor Die Linken, de van oorsprong Oost-Duitse socialistische partij, te stemmen die net als de AfD en Die Grünen bij de verkiezingen rond de tien procent zou halen. Ze doen het uit heimwee naar de tijd van voor 1989.

Peter wijst om zich heen. ‘Toen ik kind was, zag je hier overal weilanden. In de ddr-tijd is alles volgebouwd.’ Ze wonen sinds hun geboorte in Marzahn, eerst in Oost-Duitsland en nu in de Bundesrepublik. Vroeger, zo vertellen ze, was er geen angst voor andere mensen op straat. Er was werk voor de jeugd, er was kinderopvang, je kon in het oosten reizen. ‘We verdienden niet zo veel, maar het was eenvoudig en vrolijk. We wisten wie bij de Stasi zat en wie niet en hoe ons te gedragen. Er was geen stress. Nu wel. Er is een oude dame overvallen, de inbraken nemen toe sinds 2015, toen de vluchtelingen kwamen.’

Op kantoor bij de Rijksverkeersdienst moet Heike met steeds minder man steeds meer werk verzetten. ‘Het is niet meer leuk. Het is geen normale wereld meer.’ Peter ergert zich aan Angela Merkel die in haar campagne zei dat het goed gaat met het land. ‘Quatsch! We moeten weer meer een gemeenschap worden. Iedereen staat er alleen voor. Maar broederschap is niet mogelijk. De mensen zijn hier veel te gefrustreerd. De mensen mekkeren alleen maar. En er zijn te veel vluchtelingen. De Sovjet-Unie was ons broederland. Die broer konden we niet vrij uitzoeken, we waren blij dat we ervan af konden, maar nu zit het hier vol met Russische migranten.’

In elke klacht klinkt zijn ongenoegen over de komst van de vluchtelingen door. Sinds het wir schaffen das van Merkel en de negentigduizend vluchtelingen die in 2015 naar Berlijn kwamen, is alles verslechterd, zo meent hij. ‘Ze stelen, de Aldi moest dicht, de huizenprijzen daalden.’ Het is wat in de volksmond in oostelijk Berlijn circuleert en wat de AfD voedt.

Maar als ik zelf ga kijken bij de mensen die naast een van de vele vluchtelingenkampen in Marzahn wonen, tref ik Renate Rod (77) bij haar blauwe huisje in de Schönagelstrasse. De Aldi was dicht vanwege een uitbreidingsverbouwing en blijkt heropend. De vluchtelingen geven geen overlast en de huizenprijzen zijn niet gedaald. ‘Ja zo gaat dat, de een zegt dit, de ander dat’, aldus de vrouw die moest toezien hoe haar straat werd volgehangen met plakkaten van de AfD. Op de lantaarnpaal tegenover haar huis hangt een poster met de beeltenis van een zwangere vrouw in een bloemenweide: ‘Neue Deutsche? Machen wir selber.’

Wat Rod wel erkent is dat er weinig gezamenlijkheid is overgebleven, minder dan voor de val van de Muur. Ze kent alleen nog haar buren in deze straat. ‘Er is niemand meer die zich inzet voor de wijk. Dat deed een oude man, maar dat is voorbij.’ Het zelfvertrouwen en zelfrespect lijken te zijn aangetast in oostelijk Berlijn. Een hernieuwd verlangen naar de oude tijd bloeit op en partijen als de AfD presenteerden een vorm van gezamenlijkheid en broederschap die zich karakteriseert door verzet tegen anderen.

Het had zo anders kunnen lopen, stelde Ingo Schulze in zijn rede ‘Wer ist wir?’. De val van de Muur was het moment om broederschap te herdefiniëren, een eigen nieuw ‘wij’ vast te stellen. Even kon er worden gedroomd en met velen in de net ingestorte ddr deed ook Ingo Schulze dat. Hij schreef over de maanden na de val: ‘In mij huist nog de ervaring van een paar maanden democratie die noch door lobbygeld noch door partijhiërarchie beknot werd. Stel u een samenleving voor waarin privébezit en productiemiddelen geen rol spelen om toegang te hebben tot werk, een woning, onderwijs, gratis medische verzorging, burgerlijke rechten en vrijheden.’

Tussen het afschaffen van het dictatoriale apparaat en de invoering van de D-mark bestond er volgens Schulze enige maanden een idee van wat een socialistische democratie zou kunnen zijn. ‘Mijn “wij” was niet meer imaginair, maar concreet. Degenen met wie ik bijna dagelijks samenkwam waren onderwijzers, arbeiders, ingenieurs, verpleegsters, vertegenwoordigers van kerken, boeren, buschauffeurs. In die paar maanden werd geprobeerd en ook hier en daar verwezenlijkt wat tegenwoordig zelfs het bevattingsvermogen van utopieën overtreft. Deze korte driekoningsviering van de socialistische democratie werd al bij de eerste vrije verkiezingen als te moeilijk beoordeeld en weggestemd: geen experimenten! Met de invoering van de D-mark op 1 juli was de Beitritt tot de Bundesrepublik bezegeld, wat ik als een ernstig verlies aan soevereiniteit en zelfbestemming heb ervaren.’

‘De D-mark, wat die in het Oosten heeft veroorzaakt, heeft analogieën met de euro en Griekenland’

Bij de Duitse hereniging bepaalde de D-mark en daarmee de economie de weg. Alleen geld telde. Er was geen ruimte voor de ontwikkeling van eigen nieuwe alternatieven. En uiteindelijk heeft dat de Oost-Duitsers en mogelijk ook de Oost-Europeanen vernedering op vernedering opgeleverd. Zozeer dat hun neiging tot een ‘wij’ zich meer en meer heeft ontwikkeld richting een broederschap die zich afzet tegen het andere, tegen het Europa van het Westen en tegen de buitenlanders; een gezamenlijkheid die zich verenigt rondom het niet erkend maar onderworpen zijn door de westerse kapitalistische wereld. Schulze: ‘Wat ik voor mijn “wij” had gehouden, scheen geen rol meer te spelen.’ In de concurrentiestrijd werd elk ‘wij’ tot een bedrijf gereduceerd dat het ‘wij’ van een ander bedrijf moest verslaan: een wereld van winnaars en verliezers.

Schulze is er helder over. Europa kan niets leren van de vereniging van Duitsland als het gaat om broederschap. ‘Ze kan leren het niet zo te doen als Duitsland. De D-mark, wat die in het Oosten heeft veroorzaakt, heeft analogieën met de euro en Griekenland. En daarom zou ik erom willen smeken dat Europa het beter probeert te doen en zich hierin niet op Duitsland oriënteert. In Europa moet heel veel veranderd worden, want er heerst nog immer het hoogtij van het neoliberalisme.’

Volgens de vooraanstaande politicoloog Claus Leggewie, schrijver van Europa zuerst!, was de fout bij de Duitse hereniging dat men heel veel geld investeerde in infrastructuur, maar zich niet heeft bekommerd om de mensen. ‘We hebben bloeiend landschap, zoals Kohl zei, de mooiste snelwegen waar je 180 kilometer per uur kunt, maar er is niemand op het platteland in het Oosten om erop te rijden. De meeste jongeren en vooral de vrouwen zijn weggegaan. Er zijn geen perspectieven. De infrastructuur is naar de mensen gebracht, maar heeft ze de arbeid afgenomen. Gezamenlijkheid, of convivialiteit zoals Ivan Illich dat noemde, het vriendelijke samenleven, de lust in de toekomst, heeft men de Oost-Duitsers niet gegeven. Veel regio’s zijn volledig gefrustreerd.’

De les van de Duitse hereniging voor Europa en elke samenleving die vooruit wil, is dat geld alleen niet genoeg is, aldus Leggewie. En tijdens de laatste Duitse verkiezingen is volgens hem opnieuw alleen over geld gesproken. Zoveel miljard voor politie, zoveel voor pensioenen. Er ontstond geen beeld van menselijkheid, geen beeld van gemeenschap, geen beeld van coöperatie, gezamenlijkheid, samenleven. ‘Alles werd weer met geld geregeld.’

Leggewie onderschrijft de analyse van de voorman van de Möckernkiez Frank Nitzsche dat het maatschappelijk engagement dat wel degelijk bestaat niet wordt weerspiegeld door de politieke partijen. Daar waar partijen zich in de jaren zestig en zeventig wel openden voor maatschappelijke vernieuwingsbewegingen, gebeurt dat nu niet. De spd richt zich volgens hem feitelijk op een harde basis, die maar tien procent van de Duitsers uitmaakt.

Leggewie neemt als voorbeeld de Willkommenskultur. Toen Merkel in 2015 besloot dat de grenzen moesten worden geopend voor de vluchtelingen en er achthonderdduizend binnenkwamen, is heel veel opvang georganiseerd door burgers, door verenigingen, door kerken, scholen, theaters. Er bleek een enorme bereidheid om bij te dragen. En nog steeds. Veel werk is inmiddels overgenomen door de overheid, maar er zijn nog altijd duizenden Duitsers die zich dagelijks vrijwillig bezighouden met de opvang van vluchtelingen: in taalcursussen, door te helpen bij het invullen van ambtelijke formulieren. ‘Het zijn er niet zo veel als in het begin, maar dat is logisch omdat je niet permanent geëngageerd kunt zijn, dat is menselijk. Je moet ook werken en andere dingen doen.’ Wat de vrijwilligers deden, is geleidelijk door ambtenaren, scholen en andere instituties overgenomen.

Leggewie is ervan overtuigd dat er maatschappelijke behoefte aan en potentieel is voor gemeenschappelijkheid en meer solidariteit. Ter illustratie gaf hij me een dik boekwerk vol burgerinitiatieven in het Ruhrgebied: Geschichten einer Region: AgentInnen des Wandels für ein nachhaltiges Ruhrgebiet, een boek vol met duurzaamheidsprojecten van pioniers op het terrein van energie, mobiliteit, stedenbouw, onderwijs. Volgens hem bestaat er feitelijk een brede sociaal-democratische consensus onder de bevolking. Mensen, op welke partij ze ook stemmen en uit welk landsdeel ze ook komen, willen meer gelijkheid en meer gerechtigheid. Maar toch wordt de spd steeds kleiner. Dertig procent van de Duitsers vindt dat er meer in ecologie moet worden geïnvesteerd, maar Die Grünen weten maar tien procent te halen. ‘Dat is interessant. Allemaal vinden we dat er meer gelijkheid moet komen, dat alles steeds onrechtvaardiger wordt, en dat daar iets aan moet worden gedaan. Ook de AfD zegt dat en beklemtoont dat de maatschappij uit elkaar gereten is.’

Medium gettyimages 624914868
Berlijn, Alexanderplatz, eindejaarsmarkt © Sean Gallup / Getty Images

Welbeschouwd staan we op een kruising, stelt ook Leggewie. Er is meer behoefte aan gezamenlijkheid. Misschien leven we zelfs wel in een broederschapstijdperk. Maar de grote vraag is hoe we gaan investeren in die wens: via de bruine weg door een groep te creëren die zich afzet tegen anderen of via een regenboogweg door groepen en mensen die niet vanzelfsprekend samen zouden werken toch bij elkaar te brengen. ‘Op die splitsing staan we. En nu is het de vraag of men een sociaal-progressieve agenda voor de 21ste eeuw vinden kan.’

Broederschap dus? Als ik hem de suggestie van een ophanden zijnde broederschapsrevolutie voorleg, vraagt Leggewie me om het in het Nederlands uit te spreken. ‘Hoe klinkt dat in het Nederlands? Bij ons heeft het de connotatie van de islamitische broederschap. Niet positief. En is broederschap in het Nederlands mannelijk, of is het geslachtsneutraal? Ik zou eerder opteren voor de term “solidariteit”. Ik onderschrijf uw thesen in zoverre dat mensen verlangen naar een functionerende familie, naar nabuurschap, naar gezelligheid in de kroeg. Alles is overgeïndividualiseerd, gedigitaliseerd, men loopt maar met die smartphones rond. En de gevolgen van de ontsolidarisering en overindividualisering spelen helaas de rechtse groepen in de kaart die een pseudo-gemeenschap voorspiegelen, een nationale gemeenschap die etnisch zuiver is, die religieus homogeen is. Stel je voor: bijna niemand gaat naar de kerk, maar iedereen spreekt over het christelijk Avondland waar men naar terugverlangt. Dat is totaal absurd. Het verlangen dat eruit spreekt moet men sociaal-progressief herformuleren, maar dat is natuurlijk niet makkelijk. Het gaat inderdaad om de keus tussen bruine of regenbooggezamenlijkheid.’

Een uitgangspunt voor dat regenboogalternatief zou het convivialisme kunnen zijn. Het Convivialistisch manifest dat Franse intellectuelen opstelden is gebaseerd op gemeenschappelijke ecologie, vrijwilligersengagement, zaken die volop voorhanden zijn in Duitsland. Er is een idealistisch overschot. ‘De visioenen van het nationalisme en de destructieve kritiek op de politiek zijn in de minderheid, maar ze zijn heel luid en ze worden te weinig tegengesproken’, zegt Leggewie. Om de gezamenlijkheid te mobiliseren stelt hij een consultatieve vergadering voor in steden, dorpen, regio’s waar men als burgers, verzameld door loting, zoals ook David Van Reybrouck suggereerde, nadenkt over de toekomst, los van de partijen. ‘Iedereen vindt dat een mooi idee, maar het is moeilijk om het te doen, omdat de partijen niet uit hun routine durven te stappen. Ze zijn bang de controle kwijt te raken.’ Net als na de val van de Muur toen Oost-Duitsers als Ingo Schulze werden teruggefloten toen ze samen aan een socialistische democratie werkten, zal het ook nu niet makkelijk zijn democratische aanpassingen aan het systeem te veroveren op de markt en de staat.

In zijn net verschenen Europa zuerst! roept Leggewie op tot zo’n herbronning. De titel is een ironische toespeling op Donald Trump, zegt hij. ‘Tegen Trump en Poetin en Erdogan moeten we zeggen: Europa eerst. Maar we doen het natuurlijk niet als Europese nationalisten, maar als een open EU-gemeenschap die tot samenwerking bereid is.’ Hij pleit voor ruimte voor burgers om van onderop te spreken over een beschermend Europa dat pal blijft staan voor de burgerrechten, daar waar Rusland en de VS zich autoritair ontwikkelen. ‘We hebben daarbij niet de naties voorop staan, maar Europa. We moeten Europa niet zien als een waardengemeenschap maar als een handelingsgemeenschap.’

En de drie-eenheid van vrijheid, gelijkheid en broederschap kan daarbij ook voor de 21ste eeuw nog richtinggevend zijn, meent Leggewie. Vrijheid in de zin van onaantastbaarheid van de persoon, gelijkheid in de zin van democratie en welvaartstaat, en broederschap in de zin van convivialiteit. ‘Dat is mijn trias. Dat lukt echter niet als we allemaal steeds alleen maar over onze waarden spreken. Ook Geert Wilders is voor gelijkheid, vrijheid en broederschap. Daar heeft hij helemaal geen probleem mee. Maar juist als we een Handlungsgemeinschaft creëren, Europa als praktijk en niet als theorie, dan is er kans op succes. Hoe meer Europa een theorie, een institutie of een bureaucratie wordt, hoe minder die waarden zullen worden gerealiseerd. De Franse president Emmanuel Macron probeert dit nu concreet te maken. De moralisering van het publieke leven tegen de corruptie, waarvan hij spreekt, dat is een belangrijke concretisering.’