De Groene Live #25: Zijn corona-complotten waanzin? Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Rassenstrijd in druivenland

Wijn uit het noorden

Wijn is hip, heeft iets exotisch en je kunt het overal maken. Ook in Nederland – en niet alleen in Zuid-Limburg. Maar verschillende visies staan tegenover elkaar. ‘De uitdaging is om te winnen van wijnen uit Frankrijk.’

Wijngaard de Frysling in Twijzel, Friesland © Jean-Pierre Jans / ANP

Bij de Apostelhoeve, aan de rand van het Zuid-Limburgse Jekerdal, inspecteert wijnboer Mathieu Hulst het gedeelte van zijn wijngaard waar hij Müller-Thurgau-druiven verbouwt. ‘Moet je kijken’, zegt hij terwijl hij voorzichtig een trosje verlepte bloemetjes in zijn grove hand neemt. ‘We zijn nu in de tweede week van juni en de planten zijn al uitgebloeid.’ Toen hij zo’n twintig jaar geleden in opleiding was in de Elzas, vierhonderd kilometer zuidelijker, begonnen ze daar pas te bloeien in de laatste week van juni. ‘Als nu nog iemand zegt dat er geen klimaatverandering is, dan heeft-ie een steekje los.’

De Apostelhoeve is de oudste commerciële wijngaard van Nederland. Precies vijftig jaar geleden, in 1970, plantte Hugo Hulst, Mathieus vader, de eerste twaalfhonderd wijnstokken. Deze middag is zijn vader druk bezig in de wijngaard. We horen in de verte het gebrom van de trekker. Zoon Mathieu nam de wijngaard in 2005 officieel over, maar zijn vader, inmiddels 83, doet nog steeds of hij de baas is, vertelt hij lachend. Mathieus zoons Robin en Gilbert zijn ook in het bedrijf actief, al moet Gilbert nog zijn studie facility management afronden. Dat is goed nieuws voor de continuïteit van Nederlands oudste wijnbedrijf.

De Apostelhoeve heeft zware muren, opgetrokken uit verweerde stenen. Het hoofdgebouw is minstens zevenhonderd jaar oud, vertelt Hulst. Vanaf de Louwberg, de heuvel waarop de Apostelhoeve ligt, trakteert het Jekerdal ons op een panorama van glooiende groene velden en akkers vol wijnstokken. Als het wat zonniger was, zou je je in Frankrijk wanen. Er zijn op de hellingen van de vallei maar liefst acht wijngaardeniers actief, met de Apostelhoeve, de nabijgelegen Hoeve Nekum en Château Neercanne als bekendste. Ze liggen nog net in Nederland, want meteen achter het kasteel Neercanne begint België. In België groeit de wijnproductie harder dan hier, vertelt Hulst. ‘Daar zie je veel wijnmakers uit de agrarische hoek, zoals wij, die een goedlopend commercieel bedrijf hebben opgezet. In Nederland zie je toch best veel hobbyisten. Mensen die eerst makelaar waren en toen dachten: kom, laat ik ook eens wijnboer worden. Dat wordt meestal niks, omdat ze blijkbaar denken dat de flessen wijn geëtiketteerd aan de struik groeien. Schoenmaker, houd je bij je leest.’

Lange tijd waren de wijnranken van de Apostelhoeve een Nederlandse zeldzaamheid, maar de laatste twee decennia is het aantal wijndomeinen flink gegroeid. Telde Nederland er dertig in 2003, vorig jaar was dat aantal opgelopen tot 96. De cijfers komen van het cbs en bevatten wellicht niet alle kleinere wijngaarden. Volgens cijfers uit minder betrouwbare bron zouden er meer dan 170 wijngaarden zijn die tezamen 320 hectare beslaan. Het wijndruivenareaal nam volgens het cbs tussen 2003 en 2019 toe van 38 tot 160 hectare. Hoewel per saldo sprake is van een toename, vertoont zowel het aantal officiële wijnboeren als het wijndruivenareaal schommelingen. ‘Wijn maken is een vak’, zegt Hulst. ‘Het duurt jaren voordat je het onder de knie hebt. Er zijn er heel wat die het niet redden, meestal omdat hun wijn niet te drinken is.’

Hij leidt ons naar het proeflokaal in een van de bijgebouwen van de hoeve. Daar proeven we zijn Riesling, zijn Auxerrois en zijn Pinot Gris. Heerlijke witte wijnen, gemaakt van klassieke Europese druivenrassen. Verscheidene keren wonnen de wijnen van de Apostelhoeve gouden medailles tijdens proefsessies door beroepsproevers en bekende sommeliers; gerenommeerde koks lieten de wijnen schenken bij hun menu’s. Aan de muur in het proeflokaal hangen de bewijzen: ingelijste oorkondes, onder meer voor gouden medailles van een keuring uit de Rioja-streek in Spanje, en een menukaart van een Staatsbanket van de koninklijke familie waarbij wijn van de Apostelhoeve werd geschonken. ‘Maar laten we niet vergeten dat we in Nederland een achterstand van vijfhonderd jaar moeten inlopen op klassieke wijnlanden als Frankrijk en Duitsland. We zijn er nog lang niet met de Nederlandse wijnen’, zegt Hulst.

Ruim tweehonderd kilometer noordwestelijker verzamelen zich zo’n veertig enthousiastelingen op een veel kleiner wijngaardje, gevestigd op een stukje grond van één tiende hectare. Waar de Apostelhoeve veertien hectare meet waarop tienduizenden wijnstokken staan die meer dan honderdduizend flessen per jaar opleveren, staan op dit postzegeltje om precies te zijn 686 wijnplanten. De aanwezigen bestieren elk een deel daarvan. Onder hen zijn consultants, ambtenaren en pensionado’s. Niet een van hen is agrariër of professioneel wijnmaker. Er is nog iets opmerkelijks. De wijngaard ligt aan de rand van het Haagse Laakkwartier, ingeklemd tussen een spoorlijn, een drukke verkeersader en een brandweerkazerne. Vandaag hebben de stadswijngaardeniers zich gewijd aan de zomersnoei. Nu het werk is gedaan heeft men zich verzameld rond een tafel met Franse hapjes en wijnen uit binnen- en buitenland.

Wijn is hip, heeft iets exotisch en je kunt het overal maken. ‘In principe zelfs van wat trosjes die je kweekt op je balkon’, vertelt initiatiefnemer en mede-eigenaar Tycho Vermeulen – al werkte dat niet al te best toen hij het eens probeerde. Dus startte hij in 2014, na twee jaar voorbereiding en fondsen werven, met de eerste stadswijngaard van Nederland. ‘Het ging ons niet per se om het produceren van topwijnen. We wilden de kracht laten zien van stadslandbouw. Mensen met elkaar in contact brengen, ze tonen waar hun voedsel vandaan komt.’ Hij heeft twee flesjes wit bij zich van de oogst van afgelopen jaar. De wijn is getapt uit de grote vaten waarin de 2019-oogst aan het rijpen is. Ze staan in de garage van mede-eigenaar Albert-Jan Sleijster, een vroeg gepensioneerde marineofficier die zijn twee bmw-motoren daartoe tijdelijk buiten heeft geparkeerd. De wijn is nog niet wat-ie wezen moet, waarschuwen de mannen, maar voor deze speciale gelegenheid is hij alvast gebotteld. De witte wijn ruikt lekker fruitig. We proeven. De gezichten gaan op zuur.

Inmiddels produceert de Haagse stadswijngaard jaarlijks zo’n achthonderd flessen rode en witte wijn. Van aanzienlijk betere kwaliteit van de premature botteling die we proefden, zo wordt ons verzekerd. Maar ze zijn allemaal op. Dat heeft te maken met het systeem van de stadswijngaard. Mensen kunnen er per persoon tien wijnstokken beheren en tegen betaling leren hoe de druiven te kweken en te verwerken tot wijn. De flessen die dat oplevert, ongeveer één per plant, nemen ze mee naar huis. Een deel van de wijngaard is bestemd voor de eigenaars en wordt gebruikt voor proeverijen en voor levering aan enkele lokale restaurants. Dat maakt de ‘Haagse heerlijkheid’, zoals Vermeulen en de zijnen hun wijnen genoemd hebben, tot een schaars goed.

Wijngaard Land & Boschzigt in ’s Graveland, Noord-Holland © Jean-Pierre Jans / ANP
‘We hebben een voorsprong op Frankrijk, omdat we durven te experimenteren. Zet mijn wijn naast een bourgogne, en ik denk dat je mijn wijn beter vindt’

Nederland wordt langzaam maar zeker een heel klein beetje een wijnland. Elke provincie heeft inmiddels wel een of meer commerciële wijngaarden à la Apostelhoeve. Limburg, Noord-Brabant en Gelderland zijn in die categorie de koplopers. Zeeland heeft sinds 2001 wijnhoeve Kleine Schorre, die uitgroeide tot een topwijngaard van tien hectare, waarvan de wijn wordt geschonken in de businessclass van de klm. Ook kleinschalige initiatieven floreren. Het voorbeeld van de Haagse stadswijngaard kreeg navolging in Amsterdam, Almere en Capelle aan den IJssel. In Utrecht gingen in april van dit jaar de eerste 240 stadswijnstokken de grond in.

Het is alsof het zuiden noordwaarts kruipt. Ook wat betreft de temperatuur. De observatie van Mathieu Hulst van de Apostelhoeve toont aan wat de meteorologen in cijfers uitdrukken: Maastricht heeft inmiddels het klimaat dat Dijon – hoofdstad van de Bourgogne-streek, met zijn beroemde wijnen – in de jaren zeventig had. Een droge, niet al te hete nazomer is onontbeerlijk voor een goede rijping van de meeste druivenrassen. Nu dat steeds vaker in Nederland lukt, stimuleert het de groei van de wijnproductie.

In Nederland zit de interesse in de betere wijnen sowieso in de lift, vertelt wijnkenner Harold Hamersma aan de brede eettafel in zijn bovenwoning in Amsterdam-Zuid. Hij neemt even geen wijntje, want hij heeft een alcoholvrije dag. Voor zijn wijnartikelen in de NRC en Het Parool en vooral voor De grote Hamersma, met daarin de beste wijnen uit de Nederlandse schappen (proefcijfer zeven of hoger), proeft hij achtduizend flessen per jaar. ‘Elke dag gaat er een slijter in Nederland dicht, maar tegelijkertijd komen er steeds meer wijnspeciaalzaken bij. Twintigers en dertigers die zeggen: ik ga een wijnwinkel beginnen. En kijk eens naar al de jonge sommeliers die rondlopen bij Nederlandse toprestaurants. Vaak zijn ze dik onder de dertig. In vuur en vlam voor geweldige wijnen. Ze schenken graag Nederlandse wijn, als er iets goeds bij zit.’

Dat laatste was vroeger geen vanzelfsprekendheid. ‘Jesus Christ’, dacht Hamersma toen hij vijftien, twintig jaar geleden zijn eerste Nederlandse wijnen proefde. ‘Nee, dat was geen feest. We hebben gelukkig inmiddels wel sprongen voorwaarts gemaakt. Maar financieel gezien redden de meeste Nederlandse wijnboeren het nog steeds niet van hun wijn alleen. Ze moeten er van alles naast doen om rond te komen. Pipowagens op hun terrein, een kampeerboerderij, rondleidingen. En dan nog is Nederlandse wijn relatief duur. Tien tot vijftien euro per fles. Je moet wel een chauvinistische portemonnee hebben als je Nederlands wil drinken.’ Nederlanders kopen hun wijn nog altijd massaal in de supermarkt en daar vindt de Nederlandse wijn geen plek. Dat komt niet alleen door de hoge prijs, maar vooral door de kleinschalige productie en de wisselende kwaliteit die veel wijndomeinen leveren.

Vinologe en historica Mariëlla Beukers doet onderzoek naar de geschiedenis van de Nederlandse wijn en wijngaarden. In haar boek Wijnkronieken (2018) beschrijft ze dat onduidelijk is of in de Romeinse tijd in Limburg al wijn werd gemaakt, zoals vaak wordt verondersteld. ‘Pas vanaf 1200 weten we zeker dat het gebeurde. Er zijn ook eerdere bronnen die verwijzen naar wijngaarden, zelfs boven de grote rivieren, maar het is de vraag wat daarvan gemaakt werd.’ Dat was waarschijnlijk geen wijn, maar verjus, een zuur sap dat destijds belangrijk was in de keuken. Vanaf de zestiende eeuw nam de druiventeelt in wat nu Nederland is om verschillende redenen af. Het werd lucratiever om graan te planten, het drinken van bier nam toe en het klimaat veranderde door wat wel ‘de kleine ijstijd’ wordt genoemd. Daarbij is het de vraag hoe goed de Limburgse wijn van weleer eigenlijk was. ‘Er is altijd wijn uit de Franse en Duitse gebieden geïmporteerd omdat die beter was.’

Beukers vertelt over de pioniers van de moderne Nederlandse wijn, zoals Hugo Hulst van de Apostelhoeve. Hij was echter niet de eerste. De terugkeer van de Nederlandse wijngaarden begon in 1967, drie jaar voordat op de Apostelhoeve de eerste stokken de grond in gingen. In dat jaar plantte Frits Bosch, een Amsterdammer met een wijnhandel in Maastricht, wijnstokken op een terras in de Sint-Pietersberg dat vroeger toebehoorde aan het klooster Slavante. Daaruit groeide een kleine wijngaard die nog steeds bestaat, maar niet commercieel wordt uitgebaat. In 1970 vertelde Bosch aan het Limburgs Dagblad: ‘Ik las in een boek dat er vroeger veel wijn werd verbouwd in Limburg. Ik vond het lollig om dat grapje te herhalen.’ Hij raakte echter zozeer aan zijn wijngaard verknocht dat zijn as er na zijn dood werd uitgestrooid, vertelt de dochter van de huidige eigenaars.

Hamersma en Beukers benadrukken dat klimaatverandering alléén niet verklaart waarom de Nederlandse wijnbouw sinds het nieuwe millennium zowel in omvang als kwaliteit flink is toegenomen. ‘We hebben een wonderlijk druivenland’, zegt Hamersma. ‘Het is te plat en de bodem is te voedzaam. Om mooie gelaagde wijnen te krijgen wil je juist dat de wortels van de druif diep in de grond op zoek moeten naar water.’ Bovendien: het mag dan warmer worden in Nederland, het blijft hier een stuk vochtiger dan in de Franse en Duitse wijnstreken. Vocht en warmte: dat geeft schimmels die funest zijn voor de druif. Ook de beruchte Nederlandse nachtvorst, legt Mathieu Hulst van de Apostelhoeve uit, is een grote vijand van de wijnboer. ‘Je kunt hier in één nacht een groot deel van je oogst verliezen.’

We gaan ons de Nederlandse wijnteelt later veeleer herinneren als iets wat eigen is aan het noorden dan als een omhoog gereisd zuidelijk verschijnsel

Om die gevaren het hoofd te bieden werden nieuwe druivenrassen ontwikkeld. ‘Hybrides’ worden ze wel genoemd, al is niet iedereen blij met die naam. Dat begon in de negentiende eeuw, toen Franse telers naarstig op zoek moesten naar druivenrassen die resistent waren tegen de schimmels die hun oogsten decimeerden. De oplossing werd gevonden in het kruisen van Europese druiven met Amerikaanse (en later ook Aziatische) die ongevoelig bleken voor de Europese schimmels. Tegenwoordig zijn het vooral instituten in Duitsland die zich met de ontwikkeling van hybride rassen bezighouden. Inmiddels zijn er ‘nieuwe’ druiven die veel minder gevoelig zijn voor schimmels en nachtvorst. Ze hoeven veel minder diep met hun wortels de grond in om toch vol te smaken. Ze dragen namen als solaris, johanniter en souvignier gris voor witte wijn, en rondo, regent en cabernet cortis voor rode.

De pioniers die de wijnbouw naar Nederland terugbrachten en hun nazaten, zoals de familie Hulst op de Apostelhoeve, zweren bij klassieke, ongekruiste druivenrassen. Maar inmiddels zijn er nieuwe pioniers die zich juist richten op de nieuwe rassen, die zij geen ‘hybrides’ wensen te noemen. Dankzij die nieuwe druiven heeft de wijnbouw zich tot ver boven de grote rivieren kunnen verspreiden. Zonder nieuwe rassen zouden de stadswijngaarden geen schijn van kans maken en kende Nederland geen prijswinnende mousserende wijnen uit Friesland. Daar staat tegenover dat het de Kleine Schorre ook op de Zeeuwse kleigronden lukt om topwijn van klassieke rassen te maken. ‘Het zijn twee tegengestelde visies’, zegt Mariëlla Beukers. ‘En dat leidt soms tot gevoeligheden.’

Stadswijngaard Wijn van Bret in Amsterdam © Berlinda van Dam / ANP

Wijndomein Sint Martinus ligt net als de Apostelhoeve in het zuiden van Limburg, maar de wijngaarden lijken weinig op elkaar. Het hoofdgebouw van Sint Martinus is modern, met graszoden op het dak. Ernaast staat een privé-laadpaal waaraan een Tesla aan het opladen is. De eigenaar van het wijndomein, Stan Beurskens, gekleed in spijkerbroek en zwarte hoody, ontvangt ons in zijn strak ingerichte proeflokaal. De wijngaard bestaat al sinds eind jaren tachtig en is inmiddels de grootste en meest innovatieve van Nederland. Hier werd voor het eerst Nederlandse rode wijn gemaakt, van nieuwe druivenrassen.

Beurskens vertelt dat Sint Martinus inmiddels 28 hectare meet, waarvan tien hectare is beplant met klassieke en de rest met nieuwe rassen. Hij werd al op zijn zeventiende wijnboer nadat hij noodgedwongen het bedrijf had overgenomen van zijn zieke vader. Hij studeerde procestechnologie in Wageningen en oenologie (de wetenschap van de wijnbouw) in Duitsland en in het Zuid-Afrikaanse Stellenbosch. Om de innovatie te bevorderen, werken in zijn bedrijf ook buitenlandse oenologen en wijnbouwtechnici. Zijn wijnkelder, die achttien meter onder de grond ligt en praktisch energieneutraal is door het gebruik van aardwarmte, is uniek in Nederland.

Door een langwerpig raam hebben we uitzicht op het ‘bergdorpje’ Vijlen, dat op een hoogte van 250 meter ligt en zich het hoogst gelegen kerkdorp van Nederland mag noemen. Het biedt Beurskens de mogelijkheid om de samenwerking met ondernemers in het dorp te tonen. ‘Onze kaas maken we daar, en zie je die varkens daar achter – dat is ons vlees’, zegt hij wijzend. Het raam is een uitvloeisel van een van Beurskens vele internationale reizen die hij onderneemt om zoveel mogelijk kennis op te doen. In de VS volgde hij jaren geleden een masterclass van Tesla-baas en technologisch vrijdenker Elon Musk. ‘Ik was toen net bezig met de aanbouw van de wijnmakerij. Elon adviseerde me er iets herkenbaars, iets speciaals, in te maken – opdat mensen hun bezoek dan minder snel vergeten.’

We lopen niet vijfhonderd jaar achter op de traditionele wijnlanden in het zuiden, meent Beurskens. ‘We hebben juist een voorsprong op het conservatieve Frankrijk, omdat we progressief zijn en durven te experimenteren. Zet mijn wijn naast een goede bourgogne, en ik denk dat je mijn wijn net zo lekker vindt.’ De vele gouden medailles die zijn wijnen winnen bij wijnkeuringen in binnen- en buitenland vermeldt hij niet meer op de etiketten. ‘Laat de mensen de Nederlandse wijn maar proeven zoals die in het glas zit. We maken prima kwaliteit in dit land.’

Net als op de Apostelhoeve werd ook op Sint Martinus gepionierd, maar dan op een andere manier. Beurskens’ vader plantte al in 1988 een proeftuin aan met verschillende druivenrassen, zodat hij kon onderzoeken welke het beste resultaat zou opleveren. De proeftuin is er nog steeds, naast het grindpad met de laadpaal. Er groeien nu 110 rassen, vertelt Beurskens. ‘We zoeken net zo lang totdat we de holy grape gevonden hebben.’ Dat is het ras dat geschikt is voor Nederlandse wijnbouw, dat kwalitatief perfect is en zo min mogelijk bespoten hoeft te worden.

Duurzaamheid is voor Beurskens een belangrijke reden om te werken met nieuwe druivenrassen, die veel minder vaak bespoten hoeven te worden dan de klassieke rassen. In het predikaat ‘biologisch’ gelooft hij niet als het om de wijnbouw gaat. In de biologische wijnbouw mogen geen pesticiden worden gebruikt, maar spuiten met Bordeauxse pap, een mengsel van kopersulfaat en gebluste kalk tegen schimmelinfecties, is wel toegestaan. ‘Zo krijg je zware metalen op je land. Daar heb ik moeite mee.’ Toen hij nog biologisch bezig was maakte hij ook mee dat suiker aan de wijn moest worden toegevoegd om het alcoholpercentage omhoog te krijgen. ‘De enige biologische suiker die ik kon krijgen kwam uit Chili, terwijl hier in Limburg suikerbietenfabrieken staan. Dat klopt gewoon niet.’

Duurzame wijn heeft de toekomst, volgens Beurskens. ‘Nederlanders letten steeds meer op de ecologische impact van wat ze eten en drinken.’ Binnen Europa wordt het aantal toegestane pesticiden en fungiciden steeds meer beperkt. Hij zoekt de oplossing in de technologie. Inmiddels hangen op Sint Martinus de eerste drones in de lucht, die de gezondheid van de planten nauwkeurig monitoren. Daardoor kunnen heel gericht alleen de stokken worden bespoten die ziek zijn. ‘Je moet vooruit kijken. Ik ben nu 43 en over twintig jaar wil ik dat dit bedrijf nog steeds floreert. Ik ben de ontwikkelingen liever voor.’

Over een onverhard Fries landweggetje bij het dorp Twijzel rijden we af op de droom van Jantiene en Douwe Broersma: de Frysling, een wijngaard van anderhalve hectare, de noordelijkste commerciële wijngaard van Nederland. Al toen ze elkaar als tieners leerden kennen droomden ze van een huis met een stukje grond om iets te verbouwen. Zonder de nieuwe druivenrassen zou die droom nooit zijn uitgekomen. Zonder de verhuur van een vrieshuis dat ook nog in hun bezit is trouwens ook niet. De wijngaard kan zichzelf nog niet bedruipen. Op het terrein van Wijngaard de Frysling staan twee gebouwen die bijna niet contrasterender kunnen. Aan een keurig getrimd vierkant grasveld staat een hypermodern huis met strakke vormen en grote glazen puien. Verderop, aan hetzelfde veld, staat een verweerd woudhuisje, het proeflokaal waar ook de Frysling-wijn wordt verkocht. De wijngaard met uitsluitend nieuwe druivenrassen ligt aan de achterkant van het moderne woonhuis. Via de glazen puien kunnen de Broersma’s vanaf de bank zien hoe hun stokken erbij staan. Zo kunnen ze snel ingrijpen om hun wijngaard in goede conditie te houden. Er wordt hoegenaamd niet gespoten.

De klassieke druivenrassen laten groeien in de Friese bodem is haast niet te doen. ‘De traditionele wijnbouwers in het zuiden hebben Franse stokken in Nederlandse bodem’, zegt Broersma. ‘Dat kan daar misschien, maar hier niet. Ze proberen Franse wijn te maken, en wij bewust niet. Wij willen juist iets nieuws doen.’ Dat leidde in 2013 tot de eerste Friese mousserende wijn ooit, die in 2018 ook nog eens in de prijzen viel.

Klassieke druiven, nieuwe druiven: de Nederlandse wijnproductie neemt al jaren toe, maar staat de druivenstrijd onze mogelijkheid om een echt wijnland te worden niet in de weg? Welnee, zegt Harold Hamersma, want een echt wijnland kunnen we nu eenmaal nooit worden. ‘Er is hier heel weinig ruimte, dus is een hectare grond verschrikkelijk duur. Veel duurder dan in Zuid-Afrika of Frankrijk. We produceren jaarlijks maar zo’n 1,2 miljoen flessen, terwijl alleen al de Zuid-Afrikaanse chardonnay van Lindemans jaarlijks 27 miljoen flessen voortbrengt.’ De rassenstrijd in druivenland doet daar niets aan af. ‘Die heb je ook in andere landen. In Italië bijvoorbeeld. Opstand tegen de Franse rassen. Eigen druif eerst was het daar.’ En Italië is nog steeds een volwassen wijnland, wil hij maar zeggen.

Wel gaan we ons de Nederlandse wijnteelt in de toekomst waarschijnlijk veeleer herinneren als iets wat eigen is aan het noorden dan als een omhoog gereisd zuidelijk verschijnsel. Mariëlla Beukers werkt samen met het Openluchtmuseum in Arnhem aan een mini-wijngaardje op het museumterrein. Begin juni gingen de eerste stokken de grond in. Over een jaar of drie kunnen we de museumwijn voor het eerst proeven. De keuze viel op souvignier gris. Een nieuw ras ‘dat sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw in Nederland wordt aangeplant’, meldt het persbericht.