‘Als u alles aftrekt waarbij ten koste van een derde wordt gelachen, vindt u dan dat u zichzelf vaak humoristisch kan noemen?’

Max Frisch, Dagboek 1966 – 1971

Er is iets nieuws bijgekomen ’s ochtends. Er is een wereldbol om aan te knippen. Ik heb hem op het oude bureau van m’n vader gezet, in het hoekje, hij schijnt me bij als ik de katten eten geef in het morgenduister. Ik kreeg hem met kerst cadeau, de mensen weten wat ik wil hebben.

Dat er een lampje in zit is essentieel. De continenten lichten op, ik kan ze onderscheiden, leg er soms mijn hand op, alsof ik dan ook voorgoed zal weten waar wat ligt. De mensen kennen me beter dan ik zelf me ken, denk ik wel eens. De bol kwam niet alleen. Er hoorde iets bij om uit te rollen: een kaart van de wereld die nu de deur van mijn werkkamer bestrijkt.

Dat het een blinde kaart is, is essentieel.

Op het hoekje van mijn eigen bureau liggen twee pakken viltstiften. Eentje is niet genoeg om de wereld langzaam in te kleuren. Ik heb Scandinavië inmiddels gedaan, een deel van Afrika. India en Nepal. Wat is je systeem, vragen de mensen.

Ik had een leraar aardrijkskunde die geen groter plezier kende dan mij voor de klas te halen. Dit is niet echt een groot trauma, maar toch ben ik bang dat ik dit al eerder heb beschreven. Hij gaf me een stok in m’n handen. Wijs jij Suriname maar eens aan.

Er is een woord voor als je de ene letter niet van de andere kunt onderscheiden, of als je niets aan weet te vangen met cijfers. Ik weet niet hoe je het moet noemen wat ik niet in mijn hoofd krijg. Van iemand die van vrouw man werd begreep ik dat zijn bestaan in drie opzichten ingrijpend veranderde: hij twijfelde niet meer, hij huilde niet meer en hij wist opeens waar alles lag.

Maar dat kan toch bijna niet.

En wat doe je dan de volgende keer? vroeg die leraar als ik die stok allang richting eigen hartstreek aan het bewegen was.

Niet leren, zei de populairste jongen van de klas. Hij had een lange groene losgebreide trui aan, een strakke spijkerbroek van het merk Lee. Hij was populair omdat hij leuk was. Een week later stond ik met hem na het uitgaan rond het middernachtelijk uur onder een viaduct langs de provinciale weg. Hij wilde me iets laten zien en dat bevond zich achter de gulp van die Lee-broek. Wijs jij Suriname maar eens aan.

Die trui had zijn moeder natuurlijk gebreid.

Mijn systeem is lang naar de bol kijken, hem soms een beetje draaien. Er is altijd wel een land waar die dag wat mee is. Het is altijd kleiner dan ik denk. Ik probeer te denken in termen van buurlanden, en in zuid en west. Ik probeer te denken in termen van logica. De zee die wordt overgestoken om van het ene in het andere land te komen. De aardbeving die twee landen tegelijk treft. De muur die het ene land tegen het andere moet beschermen. De oorlog die het ene land tegen het andere voert. Aha.

Ik denk het de twaalf traptreden lang richting werkkamer: aha.

De lichte triomf sterft weg als ik voor de kaart sta. De oranje viltstift die net nog heel gepast leek, blijft in aarzeling in de lucht hangen. Ik zou op m’n telefoon kunnen gaan zoeken, maar dan telt het niet. Wat ik nu heb gekleurd, dat weet ik. Sri Lanka. Botswana.

Als mijn kinderen, en ze zijn inmiddels ouder dan ikzelf, me hun plannen ontvouwen, denk ik nog steeds: ga maar niet.

Ik houd me in. Ik zeg het niet. Ik vind het een verderfelijke neiging van mezelf. Ik wil kennelijk het liefst dat ze zich niet verroeren. Dat kan toch niet. Ook omdat ik nu toch wel moet weten dat niet-bewegen geen garantie is dat er niets gebeurt. En ook: alsof dat een leven is, als er niks gebeurt.