Wijze woorden

Uit Paul Kuypers’ ‘In de schaduw van kunst’ blijkt dat het rumoer rond de cultuurnota’s in geen verhouding staat tot het betrekkelijk gewicht der staatssecretarissen.

VER VOORBIJ DE waan van de dag denkt en schrijft de cultuurcriticus. Op zijn tafel rusten de nieuwste nota’s, beleidsstukken, commentaren en State of the Union-redevoeringen van de staatssecretaris voor Cultuur. Fronsend neemt de schrijver het ambtelijke dorknopersproza door. Hij denkt, zucht, scherpt de pen, zucht nog eens en schrijft vervolgens een aantal verhelderende essays over ‘cultuurbeleid’ - een term die niet meer inhoudt dan het zo netjes mogelijk verdelen van een krappe zak geld onder de talrijke inwoners van Nederland Cultuurland.
Cultuurbeleid maakt dat wij ongestoord kunnen genieten van de machtige klanken van het Concertgebouworkest, verbaasd het hoofd schudden bij de ongeremde verbeeldingskracht der kunstenaars en instemmend knikkend bij de diepste ontboezemingen van theatergezelschappen als Toneelgroep Amsterdam of Dood Paard. Overheidssubsidie voor de kunsten is niet meer dan een kwestie van cultuurfatsoen, een regeling gericht op de bevrediging van de diepmenselijke honger naar beeld, woord, klank, zang en dans.
Helaas, de werkelijkheid is anders. Minder simpel. Een cultuurbeleidsmedewerker, zo leren wij uit Paul Kuypers’ onlangs verschenen essaybundel In de schaduw van kunst, zou zeggen: 'gedifferentieerder’. Of: 'De subsidiematerie is nu eenmaal zeer complex verknoopt met het maatschappelijke krachtenveld en kan dientengevolge niet altijd even transparant vertaald worden naar de kunstconsument toe.’ Of zoiets.
Hield de overheid het nu maar bij die verdeling van de zak met geld op grond van ter zake kundig advies van de Raad voor Cultuur. De huidige overheid, zo betoogt Kuypers, wil echter meer. In haar oneindige goedheid houdt zij het niet bij 'voorwaarden scheppend beleid’ (lees: geld verdelen op basis van kwaliteit), nee, de huidige overheid wil sturen, ingrijpen, implementeren, corrigeren en ja, zelfs strafkortingen uitdelen wanneer het cultuurgoed niet verzonken raakt bij alle jongeren en allochtonen van Nederland.
Sinds het aantreden van Brinkman, d'Ancona, Nuis en recentelijk Van der Ploeg, is het gedaan met zorgeloos kunst scheppen; de kunstenaar werd in toenemende mate gedwongen zijn positie te bepalen ten opzichte van de 'markt’. Van hard werkend schilder-, muziek- of dansbeest werd hij opeens 'cultureel ondernemer’, onderworpen aan de wetten van vraag en aanbod. Kuypers, voormalig directeur van het Amsterdamse politiek-culturele centrum De Balie, schetst in zijn boek hoe het zo ver heeft kunnen komen. Helder zet hij uiteen hoe het naoorlogse cultuurbeleid altijd gestoeld is geweest op twee veronderstellingen: de idee dat de mens door kunstbeleving een moreel beter wezen wordt en de overtuiging dat in een beschaafd, democratisch land als Nederland zoveel mogelijk mensen toegang moeten krijgen tot de zegeningen van kunst en cultuur. 'Zedelijke verheffing van den arbeider’, heette dat in een grijs verleden toen bewindslieden niet bang waren om in onverbloemde taal uitdrukking te geven aan hun beste beschavingsbedoelingen.
Zedelijk welzijn en cultuurspreiding zijn tot op de dag van vandaag nog steeds belangrijke pijlers van het kunst- en cultuurbeleid. Met dit verschil dat 'de markt’ haar intrede heeft gedaan en dat de massacultuur ook de kunsten zelf niet onberoerd heeft gelaten: niet langer hoeft de kunst te stichten, ze mag ook plat, ironisch of populair zijn.
Hoe sterk het socialistische ideaal van cultuurspreiding nog leeft, blijkt uit Van der Ploegs bezorgdheid over de geringe deelname aan de kunsten van allochtone jongeren en krasse senioren: het is de PvdA-econoom een onverdraaglijke gedachte dat de theaters, galeries, musea en klassieke muziekpodia van Nederland worden bezocht door een minderheid van blanke, hoog opgeleide cultuurgenieters (Die rótzakken! Met een paar man al het subsidiegeld erdoor jassen!, hoor je hem denken) terwijl de échte minderheden buiten staan, in de kou en de regen. Buiten, waar ze hun eigen populaire ding doen: rappen, snuiven, krasse senioren beroven en massaal de school verlaten - zoals de media ons iedere dag willen doen geloven.
De In de schaduw van kunst verzamelde opstellen belichten de eeuwige spanning tussen het door alledaagse politieke overwegingen bepaald cultuurbeleid en de door artistiek-inhoudelijke vragen gedreven kunstenaars. Vermakelijk is Kuypers’ analyse van het steeds weer opduikende misverstand tussen de twee groepen: de kunstwereld is ervan overtuigd dat de cultuurnota’s en kamerdebatten zijn bedoeld om een inhoudelijke discussie aan te zwengelen, terwijl de kunstambtenaren met niets anders bezig zijn dan hun positie te bepalen op de politieke apenrots die Zoetermeer heet. 'Het gaat hier niet over kunst’, merkt de voorzitter van Belangenclub Kunsten '92, Frans de Ruiter, vorige week teleurgesteld op bij de behandeling van Van der Ploegs kunstplannen. Had De Ruiter maar Paul Kuypers’ boek gelezen, dan zou hij ongetwijfeld een realistischer inschatting hebben gemaakt van het 'complexe toneelstuk’ (aldus Jack Verduin, directeur van de Federatie van Kunstenaarsverenigingen) dat de behandeling van de Cultuurnota altijd is.
EEN VAN DE belangrijkste verdiensten van In de schaduw van kunst ligt ongetwijfeld in het pleidooi dat de auteur houdt voor een helder begrip van de termen 'markt’, 'cultureel ondernemerschap’ en 'kunst’. Waarschuwing aan alle neoliberale Van der Ploeg-adepten: kunst is geen product dat beantwoordt aan de wetten van vraag en aanbod, kunst beweegt zich per definitie in het gebied van het 'nutteloze’, van het 'overvloedige’, die tijdloze zone waarin onderzoek plaatsvindt naar dat wat buiten de geaccepteerde ideeën valt. In de woorden van de door Kuypers aangehaalde theaterregisseur Peter Sellars: 'Het theater (cq. kunst - pk) heeft de opdracht om een vocabulaire te ontwikkelen dat mensen in staat stelt om een conversatie te voeren waarin de angsten en de verlangens die het bestaan kent, worden beschreven.’
Kunst, zegt Kuypers, zal altijd tot een andere orde behoren dan de diensten en producten die op de markt worden verhandeld. Als kunst ergens in handelt, dan is het in dromen en fantasieën, in kritisch commentaar op de werkelijkheid of in eigengereid vormonderzoek. Kuypers laat zien hoe armoedig het door de Brinkmannen en Van der Ploegen gehanteerde kunstbegrip is; er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de begrippen 'kunst’ en 'cultuur’(een stelsel van overeengekomen gedragsregels tussen de leden van een samenleving, zo luidt de sociologische definitie), waardoor er een gemakzuchtige gelijkschakeling plaatsvindt tussen uitingen van massacultuur (cabaret, popmuziek, film, soap) en kunst. Kunst wordt niet meer beoordeeld op haar intrinsieke waarde maar moet zich meten met de populariteit van de tv, het voetbalstadion en de nieuwste Star Wars. Gevolg: de kunst verliest, zelfs die kunst die zich in populaire vorm presenteert.
Toch is In de schaduw van kunst geen eenzijdige litanie tegen de kunstmanagers; er is immers niets tegen gedegen, zakelijk beheer van een kunstinstelling, vindt ook Kuypers. Wat hem zorgen baart, is de begripsvervaging die ten grondslag ligt aan de term 'cultureel ondernemerschap’. Een ondernemer is immers iemand die de wereld bekijkt vanuit een nuttigheidsperspectief: 'de omgeving is een gebied dat veroverd, bedwongen, ondergeschikt moet worden gemaakt. Zijn doel is veroveren, resultaten boeken, scoren. Die houding staat haaks op de houding van de kunstenaar, die gekenmerkt wordt door geheel andere modaliteiten: ontzag, respect, twijfel, omzichtigheid, reflectie.’
Hoewel Kuypers niet ontkomt aan een wat overdreven heiligverklaring van de kunstenaar (wat te denken van diens minder nobele, door gezonde neurose aangedreven zucht naar roem, drank, drugs, seks en fonkelrode Ferrari’s?) is In de schaduw van kunst een krachtige tegenstem in een wereld die bol staat van managerspeptalk. Klaarblijkelijk heeft Van der Ploeg Kuypers’ wijze woorden ter harte genomen. Bij de bespreking van zijn plannen in de Kamer kondigde hij aan 'kwaliteit’ tot de eerste en bepalende subsidievoorwaarde te verheffen, in plaats van de eerder gehanteerde publieksbereik-norm. Alleen een door de wol geverfd politicus kan zich zo'n draai veroorloven. Kuypers: 'De hoge woorden die de ministers en staatssecretarissen in de mond namen, zijn bijna allemaal vervlogen in de trage wind van de geschiedenis. Ingrijpende beleidsveranderingen hebben zij niet opgeleverd.’