Toneel

«Wijzen werden dwazen»

Toneel: De Wetten van Kepler speelt ‹Koning Lear›

Toen ik mijn Duitse gast vertelde dat we die avond Shakespeares King Lear gingen zien in een kleine zaal, gespeeld door negen acteurs, in twee uur, zónder pauze, keek hij me aan zoals een kip kijkt naar haar eerste bliksem. Mijn Duitse gast (een acteur) vroeg hoe lang het Nederlandse toneel «diese irrsinnige Plane» al uitvoert. Ik moest even tellen. De Appel met De storm in 1976, het Onafhankelijk Toneel met de serie De favorieten in 1977 (een eigenzinnige Hamlet met minimale middelen), Jan Decortes Koning Lear uit 1983 in Mickery, huiskamerformaat. «Dat doen we al lang», antwoordde ik mijn Duitse gast. «Dit seizoen zelfs vrij vaak», wetend dat dit de derde keer op rij is (na Richard III door Annette Speelt en De feeks door Het Grote Hoofd) dat ik op deze plek in De Groene Amsterdammer bericht over een «kleine» versie van Shakespeare. Sinds de Actie Tomaat (1969), een fenomeen dat ik mijn Duitse gast ook niet kan uitleggen, zijn grote toneelensembles die Shakespeare voluit kunnen bezetten in Nederland voorgoed verdwenen. Avonturen als deze kwamen ervoor in de plaats.

Het kale speelvlak bestaat uit twee kleine houten podia links en rechts vooraan, en een soort brokkelige catwalk in een diagonaal in het midden, aanvankelijk met een gordijn erachter. De spelers dragen donkere pakken en kleurige deux-pièces. Het drama van de twee oude mannen die door hun ambitieuze kinderen worden bedonderd, wordt gespeeld in een hoog tempo. Bijrollen zijn geschrapt (Lears dochters hebben hier geen echtgenoten), alles concentreert zich op de open wonden tussen ouders en kinderen. Gebruikt wordt de vertaling die Peer Wittenbols vier jaar geleden maakte voor Theater Oostpool. Dominique Hoste regisseert. Ze laat (net als in de Oostpool-voorstelling van Rob Ligt hert) Lears jongste dochter en zijn nar door dezelfde actrice spelen. Twee jonge wijzen die hun wijsheid met de dood moeten bekopen. «De nar heeft het zwaar dit jaar/ want wijzen werden dwazen», (her)dichtte Wittenbols. Het eerste deel van de voorstelling, waarin de wijzen dwaas worden (of de dwazen hun nepwijsheid afleggen en in gekte een nieuwe wijsheid vinden), wordt vrij vlak gespeeld, met als epicentrum niet de Lear van Herman van de Wijdeven, maar eerder de prachtige nar van Wendell Jaspers.

De voorstelling krijgt vleugels in het tweede deel, als de machtigen zwervers zijn geworden. De toneelverslaggever, die zijn twaalfde (of achttiende, ik ben de tel kwijt) Lear bekijkt, vindt hier, als vanouds, troost in de onttakeling. Gloucester, Lears blind gemartelde vazal, probeert van de krijtrotsen van Dover te springen, daarbij geholpen door zijn (door hemzelf) verbannen zoon Edgar, in vermomming. De scènes tussen Gloucester en Edgar horen tot het mooiste wat William Shakespeare ooit heeft geschreven. De mislukte zelfmoord van Gloucester is een grotesk clownsnummer, dat hier boven de geschreven woorden uitstijgt door het in bijna serene rust uitgevoerde spel van Adri Overbeeke (Gloucester) en Willem Schouten (Edgar). En als Gloucester daarna de dwaas dolende Lear op de hei ontmoet, krijgt Overbeekes Gloucester van Wijdevens Lear het ontluisterende tegenspel dat deze Koning Lear optilt tot de grote hoogten van Edgars slotregels: «Laat ons met onze ogen dicht zo lang mogelijk zwijgen/ Zodat niet ons verstand maar ons gevoel een stem zal krijgen/ Het voelt zo jong om nog niet oud te zijn/ Het voelt zo jong. Zo veel te veel te jong.»

Iedere nieuwe generatie toneelspelers grijpt de kans om een eigen stem te geven aan Koning Lear. En dat is goed. Zoals hier, na een aarzelende start, opnieuw wordt bewezen. Mijn Duitse gast beaamde de stelling. Hij was verbouwereerd.

Tot en met 22 mei door het hele land. Info: www.wettenvankepler.nl