Wil de grootste eikel opstaan?

Het zou er niet toe moeten doen hoe lang iemand over het schrijven van een boek doet. Niet voor de beoordeling van de kwaliteit van het resultaat althans. Zes jaar (Peter Buwalda) of drie weken (Nico Dijkshoorn), het feit dat iemand überhaupt graag kwijt wil hoe lang of hoe kort hij ergens over heeft gedaan heeft vooral te maken met het creëren van een mythe over het eigen schrijverschap.

Medium 9789025435851

Het zou er ook niet toe moeten doen of iemands hoofd bekend is van de televisie en of je je daar al enigszins toe verhoudt. Evenmin zou je acht moeten slaan op hetgeen de schrijver zelf her en der verkondigt over achtergrond en motivatie van zijn roman. En o ja, wat er ook niet toe zou moeten doen bij het bepalen of iemand een geslaagde roman heeft geschreven, is de moraal van zijn verhaal. Ik bedoel: de mooiste romans gaan over de grootste kloothommels, en inzake literatuur is net als in liefde en oorlog alles geoorloofd.
In voorzover ik weet de eerste roman van dichter/columnist/verhalenschrijver Nico Dijkshoorn, Nooit ziek geweest, neemt een zoon zijn vader de maat. Hij is op bezoek bij hem in het verpleeghuis en kijkt toe hoe zijn vader aan het hannesen is met koffie en voor de vierde keer die dag in zijn broek pist. Ondertussen nodigt hij hem uit verhalen te vertellen door voorzetjes te doen, sardonische voorzetjes kennelijk bedoeld om telkens dezelfde - gehate - verhalen aan de vader te ontlokken. Hij is ofwel zijn vader aan het pesten, of zichzelf aan het kwellen, en waarschijnlijk gewoon beide.
Op zich een verfrissend uitgangspunt voor een vader-zoongeschiedenis: geen voor de hand liggend sentiment, geen opgelegd pandoer, maar blijkbaar een rekening die openstaat en die nu - pijnlijk - vereffend gaat worden. Wat volgt zijn korte hoofdstukken waarin de verteller, Nico Dijkshoorn genaamd, scènes ophaalt uit zijn leven met een dominante vader. De kern van de pijn lijkt hij vrij in het begin te verwoorden: ‘Ik weet weinig van mijn vader, Klaas. Ik ben zijn oudste zoon en heb hem een leven lang meegemaakt. Ik heb hem honderden anekdotes horen vertellen. Dat is wat ik van hem weet. Ik weet niet wat hij heeft gevoeld.’
Al snel blijkt echter dat Nico vooral zichzelf nogal een ongekende ziel voelt. In tegenstelling tot de rest van de familie is hij bijvoorbeeld geen honkballer. En honkballen is álles, negentig procent van de verhalen van Klaas gaat over honkballen. In het begin is er nog wel een kleinejongetjesfascinatie van Nico voor de honkbalcultuur en de heldenrol die zijn vader daarin vervult - 'Kijk eens. Hier stond pappa en toen sloeg hij hem daarnaartoe’ - maar allengs neemt de ergernis toe. Waar ze ook zijn, in Spanje op de camping, of gewoon thuis, zijn vader wordt niet moe de principes van het honkballen aan iedereen die het vooral níet wil horen uit te leggen. Een andere hebbelijkheid van zijn vader is om zijn oudste ongenadig te pesten. Het feit dat hij leest, gitaar speelt, bang is voor schoolzwemmen en verder kennelijk ook nogal een 'jankerd’ is, maakt in zijn vader een oneindige creativiteit wakker. De grappen die zijn vader met hem uithaalt - hem in de waan laten dat hij opeens helemaal alleen is in het aquarium van de dierentuin, net doen alsof hij veel te laat is voor een belangrijke voetbaltraining - vervullen de volwassen Nico met kennelijk nog steeds heel veel woede.
Wat waarschijnlijk niet meehelpt is dat de pesterijen niet ophouden als hij eenmaal de deur uit is. In een merkwaardig hoofdstuk, waarin de verteller zichzelf van zijn meest 'Klaas’-achtige kant laat zien door op te scheppen over de unieke vloer die hij en zijn vriendin in hun woning hebben laten leggen, een vloer waar iedereen vanzelfsprekend vol ontzag voor is, presteert de vader het als enige om met die vloer de spot te drijven. Sowieso groeit de sympathie voor de vaderfiguur naarmate de zoon maar niet los lijkt te komen van puberemoties. Als volwassen vent gaat hij samen met zijn vrouw op vakantie naar Spanje met zijn ouders, maar hij schaamt zich voor hun kleinburgerlijkheid, hun onvermogen een andere taal te spreken, het feit dat ze niet a priori onder de indruk zijn van Picasso of geïnteresseerd zijn in Dali. En dat ze dus geen idee hebben dat hun zoon wél die kennis en fijngevoeligheid heeft ontwikkeld, kunstgeschiedenis in zijn eindexamenpakket had zitten, Thomése en Koch tot zijn collega’s mag rekenen.
Papa kijk! Maar papa wil ’t maar niet zien.
Is dat al van een pathetische verongelijktheid, op twee derde van Nooit ziek geweest is sprake van een verwarrende kentering. Wil papa het niet zien, of kán hij het niet zien? Klaas blijkt ziek, en de agressie van Nico richt zich nu op zijn moeder Nel. 'Alleen een hand op Klaas z'n arm en ze had hem gehad. Voor altijd. Maar dat deed ze niet.’ Ondertussen blijkt hij zelf geen enkele clementie te hebben met wie dan ook, behalve met zichzelf. Als zijn vader het vonnis 'Alzheimer’ over zich uitgeroepen krijgt, is Nico teleurgesteld dat zijn vader nog steeds vlucht in zijn heldenverhalen. In plaats van zich nu eindelijk eens zwak te tonen, en troost te zoeken bij zijn zoon. De lezer denkt tegen die tijd twee dingen, of eigenlijk drie:
Arme vader.
Arme moeder.
Wat is die zoon toch een eikel.
Stel, Nico Dijkshoorn, nooit van gehoord. Drie weken afgezien op een zolderkamer, en deze geraffineerde roman was het resultaat. De onbetrouwbare verteller, vol ressentiment jegens zijn vader, blijkt in feite ergere kopie van zijn vader. Maar was dat ook het idee? Is de verteller een ijdele lul of is Nico Dijkshoorn dat zelf, en zou hij dat weten? Ik weet het echt niet.

NICO DIJKSHOORN
NOOIT ZIEK GEWEEST
Contact, 248 blz., € 18,95