Opheffer  

Wil ik oorlog voeren?

Oorlog voeren doet men niet – vindt men hier in Nederland. Want het voeren van oorlog heeft iets onbeschaafds. Er sterven in een oorlog namelijk mensen en je vernietigt een cultuur. Er sterven door een oorlog zelfs burgers die met het conflict vaak niets van doen hebben. Sterker: arme mensen sterven eerder door een oorlog dan rijke, en dat zorgt ervoor dat oorlog per definitie amoreel is.
Ik meen dat oorlog wel degelijk een effectief middel kan zijn. De vraag is wanneer je geweld gebruikt en wanneer niet.
Ik hou me zelf voor een pacifistische attitude te hebben. Ik zal nooit gebruik maken van geweld in een democratische omgeving, tenzij die democratie afgeschaft dreigt te worden.
Antiglobalisten – althans in mijn omgeving – vinden het soms goed om geweld te gebruiken omdat ze menen dat wat ik voor democratie aanzie eigenlijk geen democratie is. Ze zeggen bijvoorbeeld: ‘Je kunt kiezen wat je wil, maar niet heus, want de overheid heeft niks te vertellen, want alles wordt toch bepaald door de rijke, grote kapitalistische bedrijven.’
Ik vind dat nooit een argument, want zelfs als dat zo zou zijn, kun je in een democratie de ander altijd aanspreken op iets wat je niet bevalt.
‘U houdt niet van het homohuwelijk, de vrijheid van meningsuiting, de islam en naakt op straat? Laten we een partij vormen.’
Mijn antiglobalistische kennis – een aardige jongen, overigens – denkt in alles het tegenovergestelde van wat ik denk. Ik ben bijvoorbeeld voor Israël, hij is voor de Palestijnen. Hij vindt ‘de joden’ de nieuwe fascisten. Ik vind dat een antisemitische uitspraak en vind dat hij een onderscheid moet maken tussen joden en Israëliërs. Er zijn heel wat joodse intellectuelen die tegen het beleid van de Israëlische regering zijn. Eigenlijk vindt mijn antiglobalistische kennis mij ook een suspecte persoonlijkheid en verdenkt hij mij ervan dat ik geweld verheerlijk, terwijl ik hem er voortdurend op wijs dat ik nog nooit iets gewelddadigs tegen anderen heb gedaan, en hij wel. Mijn islamstandpunt begrijpt hij helemaal niet. Hij heeft veel islamitische vrienden en vindt de islam niet gevaarlijk. Ik vind dat wel. We spreken over mijn redenen waarom ik de islam juist fascistisch vind: het is antisemitisch, het is oorlogszuchtig, en ze vinden zichzelf beter dan de rest. ‘Dat is het zionisme ook’, zegt hij dan. En nadat ik heb gezegd dat je het zionisme moeilijk antisemitisme kunt verwijten, vertel ik hem dat ik hem begrijp en probeer uit te leggen waarom ik het toch niet met hem eens ben. We komen niet goed uit deze discussie, omdat we steeds tegen elkaar zeggen: ‘Dat is niet zo.’ Of: ‘Dat is gelul.’
En steevast komt dan de vraag of ik tegen de islam oorlog zou willen voeren.
Dan zeg ik ‘ja’. Wanneer ik niet meer mag denken wat ik wil, wanneer mijn vrijheid wordt beperkt, wanneer de sharia komt (zelfs al is die democratisch tot stand gekomen), wanneer de religieuze overheid het steeds meer voor het zeggen krijgt, neem ik de wapens op.
‘Dan komt er dus oorlog’, zegt hij.
‘Ik geloof dat we eerst het beste onderwijs moeten geven dat er is. Onderwijs, onderwijs en onderwijs en het religieus fanatisme zal als sneeuw voor de zon verdwijnen. Dat kan niet anders. En uit dat goede onderwijs volgt dan vanzelf dat er zaken zijn die waard zijn om oorlog voor te voeren.’
‘Maar tegen banken die ervoor zorgen dat er miljoenen en miljoenen mensen werkloos raken, mag ik van jou niet eens een steen gooien.’
‘Nee’, zeg ik.
Dan geef ik hem mijn originele gebroken geweertje – gekregen van Eduard van Abeele die, voordat hij in 1937 naar Spanje ging om aan de zijde van de communisten te vechten, dit speldje aan mijn vader gaf.