Literaire hulp bij rouwverwerking

Wil je me niet wakker maken?

Wie een dierbare is verloren, zoekt een persoonlijke manier om zijn verdriet te dragen. De troostbibliotheek biedt soelaas. Een verlossend woord, het troostrijke effect van herkenning: over literaire hulp bij rouwverwerking.

Als je in Purmerend iemand te grave draagt, word je in het uitvaartcentrum opgeschrikt door Toon Hermans. De regels van zijn versje «Voor een vriend» zijn op een grote marmeren plaquette uitgehakt, of daar moet het althans op lijken. Midden in de ontvangsthal staat dat plakkaat, er is geen ontkomen aan. Nu ’t rouwrumoer rondom jou is verstomd/ De stoet voorbij is, de schuifelende voeten/ Nu voel ik dat er ‘n diepe stilte komt/ En in die stilte zal ik je opnieuw ontmoeten/ En telkens weer zal ik je tegenkomen/ We zeggen veel te gauw: het is voorbij/ Hij heeft alleen je lichaam weggenomen/ Niet wie je was en ook niet wat je zei/ Ik zal nog altijd grapjes met je maken/ We zullen samen door het stille landschap gaan/ Nu je mijn handen niet meer aan kunt raken/ Raak je mijn hart nog duidelijker aan.

Het schijnt voor sommige dichters nog behoorlijk vervelend te zijn dat hun hoogst individuele expressies van verlies of rouw massaal weerklank vinden in rouwadvertentie of grafschrift, al zal dat voor Toon, grossier in tegeltjesteksten, niet zo hebben gegolden. Waarschijnlijk heeft hij zelfs persoonlijk de plaquette in Purmerend onthuld, en er een oprechte traan bij geplengd. Maar wie kan nog met droge ogen lezen in een rouwadvertentie: Weggaan is iets anders/ dan het huis uitsluipen (Rutger Kopland) en wie kan de neiging tot polonaise onderdrukken bij de regels En niet het snijden doet zo'n pijn,/ maar het afgesneden zijn van M. Vasalis?

Connie Palmen had ooit de euvele moed om na het verscheiden van geliefde Ischa Meijer in het openbaar te verkondigen dat er nog geen boeken over verdriet bestonden en dat zíj dus maar die handschoen zou oppakken, om vervolgens wekenlang postzakken vol over zich uitgestort te krijgen met, het is bijna niet te geloven, steeds hetzelfde boek waarvan titel en auteur nooit genoeg tot mij zijn doorgedrongen om ze te onthouden. Het was in ieder geval iets Frans en het kwam van vrouwelijke hand (Annie Ernaux, kan dat?). «Nee nee nee, dit bedoel ik niet», zei Connie steeds, maar: Trrriiing! daar had je de postbode weer en daar tastten al die identieke boeken zich maar op in haar halletje.

Hoe origineel moet je willen zijn in je rouwbeklag? Niet dat plakje cake bij de koffie, maar een goeie sprits, geen schuifelende voeten over een grintpad, maar vuurkanonnen op de Amstel, geen Toon Hermans, maar een zelfgemaakt vers? Ik zou denken dat het de laatste strohalm in zware tijden is, een bescheiden aanspraak op uniciteit, en het is precies dát, het verzet tegen al te veel banaliteit, wat mij, geconfronteerd met het marmeren verdriet van Toon Hermans, doet zoeken naar een bijl. Aan de andere kant, Ik die geleerd heb/ (…) dat al mijn unieke dromen/ in bioscopen te zien zijn (Cees Nooteboom): soms, en misschien geldt dat juist in tijden van rouw, is het wel zo rustig om je meerderen te erkennen. Om met Toon te spreken: Pennen kunnen op papier/ (…) een stil verdriet genezen/ met woorden die je nu en dan/ nóg es 'n keer wil lezen.

In de huisapotheek annex troostbibliotheek staan de schrijvers niet op alfabet, maar op gebruiksmogelijkheid. Zoveel soorten van verdriet, nietwaar? Alle schappen met zogenaamde zelfhulpliteratuur en Kübler-Rossiania sla ik over. Liever geen stadia waar doorheen gegaan moet worden, of dingen die een plek moeten krijgen. Ook de al te rauw autobiografische verslagen van andermens’ rouwproces kun je misschien beter lezen in tijden van nieuwsgierigheid, sensatiezucht of verveling dan op een moment dat je zelf op zoek bent naar een verlossend woord.

Huiselijk realisme doet het vooral op de afdeling «dode ouders» erg goed, getuige de niet-aflatende stroom van ego-achtige documenten over dementerende of anderszins aftakelende ouders, die appelleert aan de behoefte aan herkenning. Zomin als ik ooit heb begrepen wat de opwekkende strekking is van de advertentieslogan «reeds 10.000 exemplaren verkocht», snap ik het troostrijke effect van herkenning. Het lezen van dergelijke dicht op de huid geschreven levens verhalen voelt toch meer alsof er een emmer groentesoep over je wordt uitgekieperd, of drie jaargangen Libelles.

Toen de dichter Herman de Coninck onverwacht overleed, in mei 1997, in Lissabon waar hij deelnam aan een schrijvers congres, prees zijn weduwe Kristien Hemmerechts zich achteraf gelukkig dat hij in goed gezelschap was geweest in zijn laatste momenten. Niet alleen voor hem, maar ook voor haar. Nu konden immers mensen die gewend zijn net zo lang naar woorden te zoeken totdat ze de passende hebben gevonden, schrijvers kortom, haar op de hoogte brengen van dat wat zij had gemist.

Feit is dat veel schrijvers, als de dood zich aandient in hun onmiddellijke nabijheid, geneigd zijn een document humain af te scheiden. Zonen gedenken hun vaders (A.F.Th. van der Heijden, Asbestemming; Blake Morrison, En wanneer zag jij voor het laatst je vader?); dochters hun moeder (Simone de Beauvoir, Een zachte dood; Mensje van Keulen, Olifanten op het web).

Ook buigen de planken in de troostbibliotheek inmiddels bijna door van alle schrijvende schrijversweduwen (denk aan Clara Eggink, Renate Rubinstein, Connie Palmen en Kristien Hemmerechts), en rukt de schrijvende schrijversweduwnaar op (Ted Hughes postuum over Sylvia Plath, John Bayley over Iris Murdoch, en recentelijk Yann Andréa over Marguerite Duras). Het zijn pogingen unieke levens en unieke liefdes tot leven te wekken, die in hun demonstrativiteit («Hij was van mij, alleen van mij») en openhartigheid («God, wat waren we gelukkig») eerder chagrijnig stemmen dan een troostend inzicht bieden.

Schríjven over de dood van een geliefde moet sowieso een stuk bevrijdender zijn dan erover lezen. De schrijver heeft even de vergetel- en vergankelijkheid bedwongen, de lezer zit met de hijgerige brokken. «Alles zou verloren gegaan zijn, vergeten worden, tot stof weergekeerd als ik het niet vastgelegd had. Zonder een kik te geven zou het grote sterven zijn ingezet», schrijft Renate Rubinstein in haar laatste regels van Mijn beter ik, de postume liefdesverklaring aan haar leven met Simon Carmiggelt. Vlak daarvoor heeft ze zich er al rekenschap van gegeven dat vastleggen ook maar behelpen blijft, want nooit valt recht te doen aan de volheid van het leven, de intimiteit ervan, de mooie momenten, de kleine details.

Dat de volheid van het leven, en het wrede einde daarvan, zich des te beter laten mee delen in fictie, hoe autobiografisch geïnspireerd dan ook, bewijst een boek als Het zwaard van de krab (1991), van Margreet Jansen en Henk Pröpper. Het leek aanvankelijk bijna eng dat nog geen jaar na dato het overlijden van de geliefde al in een verhaalvorm was gegoten. Klaar om weggezet te worden. Maar juist die verhalende vorm, alleen al onderstreept door het feit dat de personen Rik en Janna heten en niet Margreet en Henk, of zij en ik, doet het boek uitstijgen boven het anekdotische, het tijdelijke en het naargeestige. Ziekte en dood leggen het in deze roman af tegen lust en liefde. Janna blijft de meest begerenswaardige vrouw ter wereld, omdat zij door de ogen van Rik zo voor altijd is vastgelegd. «Rik» heeft zijn kik gegeven.

Ook in Patrimonium (1991), het boek dat Philip Roth schreef over de ziekte en dood van zijn vader, zijn het de gaafheid van de vorm en de precisie van de stijl die uiteindelijk soelaas blijken te kunnen bieden. «Een waar verhaal» heeft Patrimonium als ondertitel, en zo laat het zich precies lezen. Geen afgevlakt universeel menselijk drama, maar het verhaal van een schrijver/zoon die in het aangezicht van de dood zich des te pijnlijker bewust wordt van de noodzaak dingen in het geheugen op te slaan en ze met dat oogmerk op te schrijven. Steeds is daar ook die stem van de vader: «Je mag niets vergeten.» En dus legt Roth de geschiedenis van zijn vader vast, én hun gezamenlijke geschiedenis. Niet door een van tranen beslagen bril, hoogstens in het lekkere, maar vooral scherp en geestig. Hiermee richt hij niet alleen een monument voor zijn vader op, maar ook een monument van liefde van een zoon.

Zoveel soorten van verdriet,/ ik noem ze niet (Vasalis). Eén soort mag echter niet onvermeld blijven, na alle oprecht beleden rouw over ooit oprecht beleefde liefde. Het grote niet-begrijpen waarmee achterblijvers voor de rest van hun leven opgescheept kunnen zitten, omdat iemand er bijvoorbeeld onverwacht tussenuit is geknepen, of omdat na iemands dood onvermoede feiten boven water komen die het beeld van de overledene voorgoed verstoren.

Op de afdeling «dissonanten» schittert Julian Barnes’ Flauberts papegaai (1984). Een roman, natuurlijk, want niet-te-begrijpen zaken kunnen alleen in een roman worden uitgelegd. Flauberts papegaai is zelf een bijna niet-te-begrijpen zaak, want het boek heeft ook wel wat weg van een biografie, of van een verhandeling over het schrijven van een biografie.

De ik-verteller, een arts op leeftijd wiens kinderen het huis uit zijn en wiens vrouw is gestorven, bezoekt Rouaan en andere plekken waar Flaubert gewoond en gewerkt heeft. Hij is bezeten van het verlangen de waarheid over Flauberts leven vast te leggen, tegelijkertijd beseft hij zichzelf een onmogelijke opdracht te hebben gesteld. Met grote precisie boekstaaft hij documentaire feitjes over Flaubert, maar steeds pregnanter glimt daartussendoor het raadsel op van de overleden echtgenote. In haar promiscuïteit leek deze Ellen wel wat weg te hebben van madame Bovary. Ze had diverse minnaars, wat haar man wel wist maar eigenlijk ook niet. «Ellens verhaal is een waar gebeurd verhaal; misschien is dat zelfs wel de reden waarom ik u in plaats daarvan het verhaal van Flaubert vertel.»

Hij, de Flaubert -jager, moet tot de erkenning komen dat hij zijn vrouw minder goed kon doorgronden dan hij een buitenlandse schrijver begrijpt die al honderd jaar dood is. Een gekmakende gedachte, maar ingebed in een roman zoals Barnes die schreef, op een vreemde manier geruststellend. Flaubert leert zijn biograaf de waarheid onder ogen zien en niet terug te schrikken voor de gevolgen ervan. En tegelijkertijd leert hij hem dat je in een boek niet moet zoeken naar morele of maatschappelijke pillen. «De literatuur is geen farmacopee.» Ook pillen om rouw door te komen, hoef je er niet te zoeken. Rouwen bestaat uit tijd; niets anders dan tijd.

Nu je mijn handen niet meer aan kunt raken/ Raak je mijn hart nog duidelijker aan, dicht Toon in Purmerend. Voor hen die nog niet helemaal klaar zijn voor de aanvaarding van deze onstoffelijke werkelijkheid is er, behalve de Supermanfilm waarin Christopher Reeve met uiterste krachtsinspanning de tijd terugdraait, zodat in tweede instantie zijn geliefde helemaal niet doodgaat maar blijft leven, het verhaal «Moonlight Shadow» in Kitchen (1988) van Banana Yoshimoto.

Met Yoshimoto zijn we in het hart van de troostbibliotheek aanbeland, de afdeling «dromen». De strekking van haar verhaal is even simpel, op het onbeholpene af, als de woorden die ze kiest om het te vertellen. Mensen van wie je houdt gaan dood en dat zou eigenlijk niet zo moeten zijn. Nu bestaat er in Japan — gelukkig zijn zijn staatsburgers — een nationale feestdag op de zevende juli. Volgens de legende mag alleen in deze nacht het sterrenbeeld de koeherder, Ushikai, de melkweg oversteken om zijn geliefde, de prinses Orihime, te bezoeken. Eens in de honderd jaar, bij een bepaalde stand van de maan, is dit geluk ook voor gewone stervelingen weggelegd. «Moonlight Shadow» gaat over zo'n gewone sterveling en haar buitenkans om alsnog afscheid te kunnen nemen van haar geliefde.

Verlangen naar bestendiging, en tegelijkertijd weten dat dit een onmogelijkheid is. Gelukkig dat in de troostbibliotheek, behalve drie jaargangen Libelles, boeken te vinden zijn die ontsnapping bieden aan het private, het bekende en het eindige. Wat niet wegneemt dat in hun meest pure vorm larmoyante waarheden (Je mag niet weggaan, blijf altijd bij me) soms gewoon maar het beste door KC and the Sunshine Band kunnen worden verwoord. Of door Rudy Kousbroek. Zijn versje «Teddy» stond ooit op de kinderpagina van de NRC en gaat ongetwijfeld over een dode kat, maar kan evenzogoed andere doden bewenen. Toch hoop ik het nooit in marmer vereeuwigd te zien. Lieve Teddy,/ Als ik weer van je droom,/ Wil je me dan een teken geven,/ Zodat ik weet dat jij het echt bent?/ Het beste is/ Iets te noemen/ Dat niemand anders weet,/ Zoals je geheime naam./ Ben je het,/ Zeg mij dan ook/ Welk jaar we zijn/ En welke dag het is,/ En ach Teddy,/ Als je ’t werkelijk bent,/ Wil je me dan/ Niet wakker maken?