Menno Hurenkamp

Wild geraas

De steun aan Israël onderscheidt de Nederlandse naoorlogse cultuur van die van onze buurlanden. Ook zij hebben expressionistische schilders, schrijvers die hardhandig afrekenden met hun religieuze jeugd, historische akkefietjes met keizerlijke overheersers, op het oog oneetbare eenpansgerechten en vanwege massamoord vereerde militaire helden op sokkels. Maar de onvoorwaardelijke bijstand die Nederland met name sinds de jaren zestig verleent aan de joodse staat kom je in veel mindere mate tegen in de ons omringende landen. (Duitsland is vanzelfsprekend een geval apart.) Zowel in het politieke als in het culturele leven was hulp aan Israël de afgelopen decennia een vanzelfsprekende kwestie; in België, Engeland, Frankrijk en Denemarken was daar veel meer debat over. Links of rechts, arm of rijk — Nederland steunde Israël; vanwege het grote aantal slachtoffers dat viel onder de Nederlandse joden; vanwege het feit dat Amerika Israël steunde; vanwege de onder protestanten gevoelde verwantschap met het joodse volk.

Israël is daarom een heldere casus om de zwakte van het verlangen naar integratie duidelijk te maken. SP, CDA en VVD willen immers geen misverstanden laten bestaan over het feit dat iedereen zich snel naar Nederlandse normen moet schikken. Wat die eis inhoudt behalve de taal spreken en de wet nakomen, blijft ondertussen schimmig, en met reden. Het stuk van cultuurhistoricus Thomas von der Dunk op de opiniepagina van NRC Handelsblad, afgelopen zaterdag, illustreert de zaak. Het aandeel moslimimmigranten in Nederland, zo schrijft hij, zal zozeer toenemen dat de traditionele pro-Israëlpolitiek niet meer houdbaar is. Het electorale gewicht van de mensen die solidariseren met de Palestijnen neemt toe, en daarom zullen politici hier op afzienbare termijn eieren voor hun geld kiezen. Von der Dunk veronderstelt dus dat mensen die hier drie of vier generaties wonen zich nog altijd zullen identificeren met hun land of regio van herkomst.

Op diezelfde pagina staat een luidruchtig stuk van de jurist Afshin Ellian. Als we niets doen aan de moslimimmigranten mogen we «toekijken hoe zich in Nederland de eerste Europese Gazastrook gaat ontwikkelen». (Voor de minder bereisden: Gaza is zoiets als anderhalf miljoen daklozen in de Flevopolder, zonder drinkwater of wc’s.) Alle migranten moeten daarom de Nederlandse cultuur opgelegd krijgen als «leidend licht». Ook Elian wil dat iedereen de grondwet onderschrijft, iets wat op dit moment publiekelijk alleen door de huidige minister van Integratie, Nawijn wordt nagelaten.

Zijn betoog is stoer maar praktisch leeg. Je kunt er rustig vanuit gaan dat een volledig geïntegreerde vierde-generatie-Marokkaan de Nederlandse wet erkent en ondertussen nog altijd de Palestijnen een comfortabeler leven gunt. Constituties verhinderen geen gedachtevorming. Niet voor niets beroepen ook de homohatende imams zich niet alleen op de koran maar ook op de grondwet om vrijuit te mogen spreken. De nu typisch Nederlandse steun aan Israël zal dus (helaas) afnemen. De beschaving die het migrantenkleinkind als leidraad moet dienen, verandert onder zijn eigen handen. Wild geraas over de grondwet levert daarom niets op. Alleen aan de hand van de dagelijkse praktijk komt het debat over integratie verder.