De Groene Live #25: Zijn corona-complotten waanzin? Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Terug naar meester Van de Graaf

‘Wilde je dan geen sterke mensjes van ons maken?’

Wat geef je door? Een vraag die Joeri Boom stelt aan Frans van de Graaf, zijn lievelingsmeester op de lagere school. Beschaving, normen en waarden? Niet per se. Wat was het dan?

Langs de Munnikenweg hangt een muts in een boom, aan een laaghangende tak, zodat degene die hem verloren heeft hem makkelijk kan terugvinden. Zo vriendelijk zijn de mensen hier. De Munnikenweg, met zijn hobbelige kasseien, is in de vroege Middeleeuwen aangelegd door graaf Floris de Vijfde. Ik weet niet precies hoe ik dat weet, maar ik heb naar mijn gevoel nooit over deze weg tussen Alkmaar en Oudorp kunnen fietsen zonder die indrukwekkende oudheid te beseffen. De zon staat laag boven de West-Friese weilanden. Ik rijd op een blauw-gele OV-fiets. Wie mij ziet fietsen denkt vast dat ik hier niet thuis ben, maar ik groeide hier op. Ik woonde in Oudorp van mijn vijfde tot mijn achttiende, en keerde toen terug naar Amsterdam, mijn geboortestad.

Ik ben op weg naar Frans van de Graaf, mijn lievelingsleraar van de lagere school. De ontmoeting wordt onvermijdelijk een afdaling naar mijn vroege jeugd. Het belooft een onzekere tocht te worden, want veel van mijn herinneringen aan die jaren zijn vervaagd. Misschien zijn sommige zelfs volledig overschreven door indringende gebeurtenissen van recenter datum.

Gelukkig is de herinnering aan meester Van de Graaf gebleven. Ik zat bij hem in de vierde en de vijfde klas van de Wilgenhoek, een openbare lagere school in Oudorp. In 1980 kwam ik bij hem in de klas – ik was toen negen. Dat is nu bijna veertig jaar geleden – een belachelijk idee. In de zomer van 2015 postte Van de Graaf zomaar, open en bloot, een uitgebreid verhaal op mijn Facebookpagina. Het regende juichende reacties van mijn online-vrienden. Bericht van een schoolmeester van weleer, wauw! Dat wilden zij ook wel. Het was omdat hij iets van mij had gelezen wat hem trof, mailde hij me later. En van Facebook had hij nog niet zoveel verstand.

Nu, ruim vier jaar later, gaan we elkaar ontmoeten. Ik wil erachter komen wat meester Van de Graaf aan zijn leerlingen heeft willen doorgeven, en wat daarvan heeft beklijfd. Het is onduidelijk wat precies ‘de vormende jaren’ van iemands jeugd zijn, en wat de invloed van een lagereschoolleraar op eenieders leven is, maar de reacties van mijn Facebookvrienden destijds en de nieuwsgierigheid van mijn naaste omgeving nu, over hoe mijn ontmoeting met mijn oude meester zal zijn, tonen hoeveel waarde we hechten aan wat we beleefden tijdens onze lagereschooljaren.

‘Dat vind ik nou leuk’, klinkt het helemaal van achter uit het café. Ik zie hoe een lange man opstaat en met jeugdige passen op me toeloopt. Hij heeft een blos op zijn wangen, en een snor. Net als vroeger. Zijn bruine krullende haar is dunner nu, en grijs, en er is een baard bij gekomen. Verder is meester Van de Graaf in zijn voorkomen niet veranderd.

Het is even wennen, zo’n sprong in de tijd. Vooral het tutoyeren blijkt lastig. Maar Van de Graaf weet met zijn geïnteresseerde vragen en zijn grappige verhalen in een mum van tijd een ontspannen sfeer te scheppen. ‘Ik heb klassenfoto’s meegenomen’, zegt hij. We gaan de hoofden af. Die woont nog in het dorp, die niet. Die doet nu dit, die dat. Ik vertel hem hoe na de lagere school het leven in onze wijk grimmiger werd. Van het groepje buurtvriendjes met wie ik ’s ochtends naar school liep zijn er twee overleden. Een andere buurtgenoot, die niet bij ons op school zat, raakte aan de heroïne. We zagen hem niet meer terug. Van de Graaf schrikt. ‘Maar dat speelde toch allemaal nog niet op school?’ zegt hij. ‘We hadden op de Wilgenhoek een populatie met behoorlijk stabiele gezinnen. Weinig echtscheidingen, geen echte armoede. We hadden geen kind aan jullie.’

Ik schrik op mijn beurt als hij vertelt dat een van de vroegere docenten op de Wilgenhoek voor de cpn in de gemeenteraad zat. Tijdens zomervakanties was hij reisleider van excursies naar de Sovjet-Unie. Tijdens mijn studie geschiedenis ontwikkelde ik een diepe afkeer van alles wat zweemt naar communisme en totalitarisme. Van de Graaf stelt me gerust. ‘Met wereldbeschouwing waren we op school niet bezig’, zegt hij. ‘Ons onderwijs was vrij traditioneel. We volgden gewoon het lesprogramma. En jullie zeiden “u” tegen mij. Niet “meester Frans” maar “meester Van de Graaf”. Jullie ouders spraken me ook aan met u. Tegenwoordig is het allemaal je en jij. Ik vind dat prima.’

Het was een breukvlak van tijden, constateren we bij ons tweede kopje koffie. De Wilgenhoek was een openbare dorpsschool, in een traditionele katholieke gemeenschap. Eind jaren zeventig sijpelde de egalisering van de samenleving daar traag in door, terwijl de wereld buiten de school razendsnel veranderde. Alkmaar was een groeikern die onder meer diende als overloop voor jonge gezinnen uit de Randstad. De stad groeide hard in de jaren zeventig en tachtig. De weilanden rond de traditionele dorpskern van Oudorp werden grotendeels volgebouwd. In een van die nieuwe wijken beleefde ik een geweldige jeugd. We waren altijd op straat. Bij ons woonde van alles door elkaar. Ik had vriendjes met wortels in Suriname, Italië en de Molukken. ’s Middags dronken we thee bij tante Jopie. Geen idee waar ze vandaan kwam, maar ze sprak met een accent. Wie puur Hollandse roots had, was steevast buiten West-Friesland geboren. Iedereen was import, maar Oudorp was óns dorp. >

Van de Graaf is 64 en sinds een jaar met prepensioen. Vanaf 1995 werd hij intern begeleider bij De Zes Wielen, het fusieverband van de drie Oudorpse openbare scholen waarin de Wilgenhoek toen opging. Hij ging steeds minder lesgeven. Toen hij met pensioen ging had hij er ruim veertig jaar in het onderwijs op zitten. Toen hij begon was hij 22. Hij had de pedagogische academie in Alkmaar afgerond, maar moest eerst nog in militaire dienst.

De Wilgenhoek was zijn eerste school. ‘In het begin was het wel even wennen. Ik mocht een week eerder afzwaaien zodat ik meteen de maandag na de herfstvakantie kon beginnen. Zo uit het leger voor de klas.’ Toen hij drie jaar later onze meester werd, had hij zijn draai inmiddels gevonden.

‘We hadden op de Wilgenhoek een populatie met behoorlijk stabiele gezinnen. We hadden geen kind aan jullie’

Wat leerde je ons over het leven?
‘Wat kon ik jullie daarover leren? Ik was nog maar net volwassen. Toen ik jou in de klas kreeg was ik 25 en woonde ik nog bij mijn ouders. Ik ben pas een jaar later op mezelf gaan wonen.’

Wilde je dan geen sterke mensjes van ons maken?
‘Je koos voor het leraarschap om de kennisoverdracht. Dat was het in die tijd. Kinderen iets leren. Dat ze het daarbij leuk hadden was natuurlijk belangrijk. We wilden ervoor zorgen dat jullie zo goed mogelijk aan het middelbaar onderwijs konden beginnen.’

Bracht je onsbeschaving bij? Normen en waarden, gaf je die aan ons door?
‘Normen en waarden? Ik kan me niet herinneren dat we die per se wilden overbrengen. Ja, als er ruzie was op het plein deed je daar wat mee. Maar dat gebeurde niet vaak. En we deden iets aan seksuele voorlichting bij biologie. Maar ik weet niet of dat al in jullie klas was. Nee, het was toch vooral lezen en schrijven: spelling en ontleden. En rekenen volgens de methode, geschiedenis en topografie. Er werd nog weinig rekening gehouden met verschillende niveaus van leerlingen. Alleen rekenen was gedifferentieerd. Ik zat soms met mijn handen in het haar als iemand dyslectisch was. Daar hadden we nog helemaal geen middelen voor. En liedjes vond ik leuk.’ Hij begint zachtjes te zingen: ‘De oertijd is niet alles, geloof dat maar, geloof dat maar.’

Als hij is uitgezongen kom ik opnieuw met een reeks vragen, die hij telkens serieus probeert te beantwoorden. Hij denkt met me mee terwijl ik friemel en wrik. Ik wil weten wat hij ons écht leerde. Wat was zijn geheim? Waarom was meester Van de Graaf mijn lievelingsmeester? Toch niet omdat hij ons alleen het lesprogramma doorgaf?

Ik voelde me veilig op school. En dat begon toen jij voor onze klas stond. Hoe deedje dat?
Eindelijk neemt hij een slokje van zijn cappuccino, die er al een tijdje staat, zodat hij even kan nadenken. ‘Basisveiligheid bieden, dat hoorde er uiteraard bij. We leerden jullie dat je niet mocht stelen, natuurlijk. Geen potloden van school mee naar huis nemen. Niet pesten en treiteren, dat was ook belangrijk. Maar dat is van alle tijden. Is dat waar je naar op zoek bent?’

Hij kijkt me vriendelijk aan. ‘Misschien’, zeg ik.

Het begint me te dagen: het is zijn persoonlijkheid. Dat hij niet in het minst geïrriteerd raakt door mijn kleinzielige zoektocht naar een heldere uitspraak voor in mijn artikel, toont precies waarom hij zo’n goede leraar was. Hij zag ons onzekere gezoek naar houvast. Gaf ons aandacht, sabelde ons niet neer als we een fout antwoord gaven, maar hielp ons om tot iets beters te komen. Dat was wel even anders dan de juf die we in de derde klas hadden, het jaar vóór Van de Graaf. Een voor een moesten we naar haar tafel lopen om het tekstje te laten zien dat ze zojuist had gedicteerd. ‘Nee, fout. Volgende.’ Het ging om het woordje ‘terug’, dat we blijkbaar klassikaal als ‘trug’ hadden geschreven. Ik herinner me de nerveuze stilte waarin we wachtten op onze beurt om haar kant op te lopen. Na dat jaar was meester Van de Graaf een verademing. Maar hij moet toch meer hebben doorgegeven dan het veilige gevoel dat falen geen ramp was? We nemen afscheid en spreken af dat we bij onze volgende ontmoeting de Wilgenhoek zullen bezoeken.

Twee weken later is het zo ver. Eerst koffie, in hetzelfde etablissement als de vorige keer. ‘Je mag ook bij me thuis komen’, had Van de Graaf gezegd, ‘maar dan praat ik niet zo makkelijk want dan ben ik bezig met of je het wel naar je zin hebt. Dus liever in het café.’

Wat ga ik aantreffen op mijn oudeschool? Zijn de docenten en leerlingen heel anders dan in mijn tijd?
‘Het is vooral de maatschappij die veranderd is. Toen jij op school zat was de meerderheid van de moeders in het dorp nog huisvrouw. Jullie gingen tussen de middag naar huis. De school is nu een “integraal kindcentrum”, met opvang voor en na schooltijd. Sommige kinderen zijn er van half acht tot zes uur, want vader en moeder hebben vaak allebei een voltijdbaan.’

Van de Graaf inspecteert mijn handschrift. ‘Zo heb jij bij mij niet leren schrijven. Geeft niks’, zegt hij lachend

We komen aan bij de school, een laag gebouw aan de asfaltweg die het dorp doorsnijdt, de weg waarlangs wij naar huis liepen. Het speelplein lijkt onveranderd. Zelfs de fietsenrekken staan nog op dezelfde plaats. Ik herken het donkere hout van de buitendeuren van het hoofdgebouw. Op de plek waar in mijn tijd een houten noodgebouw stond waarin twee klassen waren ondergebracht, staan nu twee luxewoningen. De indeling van het hoofdgebouw is vrijwel onveranderd. Maar wat is alles klein! Het podiumpje waarop we de eindmusical opvoerden leek destijds reusachtig. De lokalen, acht in getal, lijken eveneens gekrompen.

Ik woon een les bij van Carola Steeman, in groep drie, voorheen de eerste klas. Zij kwam op school toen ik al lang weg was. Haar klas huist in het lokaal waar ook ik mijn eerste klas beleefde. Ik leerde er schrijven. De eerste woordjes zijn veranderd, zie ik. ‘Boom, roos, vis, vuur’ is tegenwoordig ‘ik, kim, sim, kip’. Ze hangen op geïllustreerde platen aan de muur. De kinderen zijn druk, waarschuwt Carola. ‘Dat komt door Sinterklaas. Ze vinden het heel spannend, allemaal.’

Vóór in de klas hangt een active board. ‘In het hele pand is geen schoolbord meer te vinden’, had Van de Graaf al gewaarschuwd. ‘Het is nu allemaal digitaal.’ Juf Carola tovert foto’s en filmpjes op het bord tevoorschijn, in sinterklaassfeer. De les gaat over de chocoladeletter ‘S’, en over het ‘d-e-e-g’ waar pepernoten van zijn gemaakt.

Tijdens de pauze, op het schoolplein tussen de luidruchtig spelende kleintjes, vraag ik haar of zij het gevoel heeft dat ze iets speciaals doorgeeft aan de kinderen, iets wat haar lesprogramma overstijgt. ‘Jazeker’, antwoordt ze. ‘Behalve dat je ze nieuwe dingen aan het leren bent, probeer je ze ook saamhorigheid mee te geven. Wij zijn samen een groep. Elkaar helpen, voor elkaar opkomen.’ Ze vertelt over een cursus waarmee ze bezig is, om kinderen hun talenten te laten ontdekken. ‘Iets waar je blij van wordt en dat je altijd graag wilt doen, dat is je talent. Zo leren ze stevig in hun schoenen te staan en de eigenheid van zichzelf en anderen te respecteren.’

‘Ik ben elf jaar ouder dan Carola’, zegt Van de Graaf als ik hem vraag naar de verschillen tussen hem en zijn collega. ‘Zij heeft veel meer tools meegekregen in haar opleiding. De opleiding en het lesgeven zijn in de loop van de jaren veranderd. Het is niet meer het vak dat ik ooit koos. Er is veel meer aandacht voor vaardigheden en ‘denkgewoonten’, veel meer afstemming per kind. Dat is positief. Maar we hebben tegenwoordig ook adhd, add, pdd-nos, waar we vroeger nooit van hadden gehoord. En je moet zorgplannen maken voor alle kinderen in de klas, in een format dat met gemak twaalf kantjes per kind beslaat. Je wordt er hartstikke gek van.’

Er zijn ook geen schoolborden meer waarop je van die mooie bordtekeningen kunt maken. Dat deed je altijd met Sinterklaas en Kerst. Met kleur.
‘Ja, die tijd is voorbij. Netjes schrijven op het bord, in een verbonden handschrift. Dat vond ik belangrijk. Ik kreeg vroeger vaak te horen dat ik een slecht handschrift had. Motoriek is niet mijn sterkste punt en ik heb bovendien nooit een goede pen-greep geleerd. Ik heb op de pedagogische academie hard geoefend om voor jullie netjes op het bord te kunnen schrijven. Als het over handschriften ging was ik best streng tegen jullie. Er moest netjes geschreven worden. En geen gekras. Als je een fout in een woord had gemaakt dan moest je dat tussen puntjes zetten. Ordelijk werken is heel belangrijk. Netheid is structuur, en juist dat hebben kinderen nodig.’

Bingo. Netjes en ordelijk werken om fouten te voorkomen. Dat heeft mijn meester zeker doorgegeven. Ik let er zelfs op bij mijn dochters. Van de Graaf inspecteert mijn handschrift in mijn notitieboekje. ‘Zo heb jij bij mij niet leren schrijven’, zegt hij streng. ‘Maar ik kan het nog steeds heel netjes’, verweer ik me. ‘Geeft niks’, zegt hij lachend, ‘elk handschrift gaat eraan vanaf de middelbare school.’

Wat zou bij klasgenoten zijn blijven hangen van de lessen van onze meester? Ik bezoek Esther de Goede-Vermeer, met wie ik in de vijfde klas zat. Ze woont tegenwoordig schuin tegenover de school. Ze komt naar buiten lopen als ik mijn OV-fiets op slot aan het zetten ben. Ik bracht vroeger kranten rond in deze buurt, ik ken hem nog op mijn duimpje. De begroeting is allerhartelijkst. We hebben elkaar bijna veertig jaar niet gezien, maar dat blijkt weinig uit te maken.

Op de bank in haar woonkamer halen we herinneringen op. Het dorp blijkt onweerstaanbaar. Esther woonde een tijdje in Alkmaar, maar kocht met haar man Patrick uiteindelijk toch een huis in Oudorp. Een andere oud-klasgenoot van ons vertrok, maar overweegt nu terug te keren. ‘Onze meester heeft nog steeds die blos op zijn wangen, hè?’ Haar stem zingt een beetje, door de lichte West-Friese tongval. ‘En hij loopt nog altijd met van die grote passen.’ Ze gaat staan en doet het voor.

Esther en Patrick werken allebei en hebben drie zoons van zestien, dertien en tien jaar. Ze gingen alle drie naar de voormalige Wilgenhoek. Eli, de jongste, zit er nog op school. Haar oudste zoon, Sam, kreeg leestoetsen van Van de Graaf in diens functie als intern begeleider. Hij vond hem ‘een rustige man, erg vriendelijk’.

Wat gaf hij aan ons door? ‘Veiligheid’, zegt Esther. ‘Er was een veilige, warme sfeer in de klas.’ We hadden op school van niemand iets te duchten, ook niet van onze ouders, meent ze. ‘Die kwamen misschien twee keer per jaar op een ouderavond. Tegenwoordig bemoeien ouders zich met bijna alles wat hun kinderen op school doen.’ En natuurlijk netjes schrijven, zegt ze. ‘Dat heb ik van Van de Graaf geleerd. Ik hamer er ook op bij mijn jongens. Door slordigheden maak je fouten. Hier, kijk.’ Ze pakt het blaadje waarop Eli in een ietwat onvast handschrift een sinterklaasgedicht heeft neergepend, overgeschreven van een website. ‘Zo schrijven ze nu dus. Niet normaal, toch?’

Er is nog iets. Iets wat was weggezakt, totdat Esther erover begon. ‘Weet je nog, zijn geschiedenislessen? Hoe hij vertelde, het was alsof je erbij was. Bonken op het bord, stampen met zijn voeten.’ Ik sla mijn hand voor mijn mond van verbazing. Hoe kon ik dat vergeten zijn? De geschiedenislessen van meester Van de Graaf waren belevenissen. Verhalen over edelen en boeren die het met elkaar aan de stok kregen in de moerassen van West-Friesland; de Spanjaarden die tijdens het Beleg van Alkmaar in 1573 hun tenten opsloegen in Oudorp. Naast veiligheid en het aanbrengen van orde en structuur, bracht hij ons de liefde voor het verhaal bij, voor de oorsprong der dingen. Met een vriendje sloeg ik aan het graven in het bos naast de katholieke kerk, in de hoop oude helmen en zwaarden te vinden. Misschien legde onze oude meester wel de kiem voor mijn geschiedenisstudie.

Ik neem afscheid van Esther en stap weer op mijn OV-fiets. Via de Munnikenweg bereik ik de weilanden aan de rand van het dorp. Ik verlaat de kasseien en rijd via een smal pad de weilanden in, op weg naar het station. Dat Floris de Vijfde de Munnikenweg liet aanleggen weet ik dus dankzij de geschiedenislessen van meester Van de Graaf. Zo weet ik ook dat Floris niet alleen West-Friesland bedwong, maar ook Amsterdam aan zich bond. Mijn vroegere en mijn huidige thuis, veilig verbonden door mijn oude schoolmeester.