Kan artificiële intelligentie de natuur redden?

Wildernis in algoritmen

Stel je voor: de natuur op aarde wordt behouden, en zelfs verbeterd. Uitgestorven diersoorten komen weer tot leven. En daar hoeft de mens eigenlijk niets voor te doen. Hij kan het beschermen en creëren van natuurgebieden overlaten aan de technologie.

Large 2017 10 13 nieuwe wildernis kleur geheel

Stel je voor dat je delen van de aarde ‘beter’ zou kunnen maken. Dat je vervuilde gebieden zou kunnen schoonmaken, afgebrande bossen zou kunnen laten teruggroeien en uitgestorven dieren opnieuw te voorschijn zou kunnen toveren. En voor dit alles zou je als mens nog maar nauwelijks iets hoeven doen. De gebieden beschermen zichzelf met behulp van geavanceerde, zelf lerende technologie. Het lijkt te mooi om waar te zijn. Of misschien toch…?

In een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Cell vragen B. Cantrell, L. Martin en E. Ellis het zich hardop af. De wetenschappers verkennen in dit artikel, Designing Autonomy, de implicaties van een imaginaire ‘wildness creator’, een vorm van artificiële intelligentie (AI) die zelfstandig autonome natuurgebieden creëert en beschermt. Zou dit werkelijk de toekomst kunnen zijn van de conservatiebiologie en van het natuurbehoud op aarde?

Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst kijken hoe zo’n ‘wildness creator’ er in de ogen van deze auteurs uit zou gaan zien. Ze schrijven dat het gaat om een ‘niet-menselijke intelligentie, die oorspronkelijk wel is ontworpen door mensen, maar die in staat is om zelf nieuw strategisch gedrag te ontwikkelen en relaties aan te gaan met verschillende organismen in het ecosysteem’. Het uiteindelijke doel is om een ‘wild ecosysteem te behouden waar mensen geen invloed op hebben. Algoritmen die het systeem controleren leren uit de context en uit het gedrag van organismen en worden niet geprogrammeerd door mensen.’

Mensen zouden er in zo’n gebied niets van merken dat de gehele infrastructuur wordt gemonitord en gereguleerd door de ‘wildness creator’. Ze zouden in hun beleving ‘pure’, ‘ongerepte’ natuur ervaren. Omgekeerd zou ook ‘de natuur’ geen last hebben van mensen, omdat de ‘wildness creator’ alle sporen van mensen direct zou uitwissen volgens zich steeds verder ontwikkelende, steeds slimmer wordende algoritmen.

Voor alle duidelijkheid: de technologie die de wetenschappers voor zich zien, is er op dit moment (nog) niet. Toch vinden ze het tijd dat we ons afvragen wat de gevolgen van dergelijke verregaande deep learning-methoden zouden zijn wanneer die zouden worden toegepast in de ecologie. Er is namelijk nu al een duidelijke trend zichtbaar in de richting van steeds verder gaande automatisering.

‘Een van onze doelen was om het idee dat technologie “onnatuurlijk” en “tam” is in plaats van natuurlijk en wild ter discussie te stellen’, licht auteur Laura Martin in een e-mail toe. Tegelijk wijst ze erop dat ze ook ethische vragen wilden uitlokken. Zo worden mensen uitgesloten van het beslissingsproces. Bovendien zou ‘macht worden geconcentreerd bij de makers van de wilderness creators’. Als die zelf gaan leren en beslissingen nemen, wie is er dan voor verantwoordelijk en aansprakelijk? ‘In die zin zijn de ethische kwesties vergelijkbaar met die van zelfrijdende auto’s.’

Kunstenaar, onderzoeker en zelf verklaard ‘generalist’ Theun Karelse volgt al jaren hoe technologieën zich wortelen in ecosystemen en zich begeven tussen wilde populaties. Hij sprak met ecologen over privacy van niet-mensen, organiseerde een discussie over ‘the private life of plants’ en begon sensor-netwerken in het landschap in kaart te brengen via zijn blog (augmentedecology.com). ‘Toch liep ik in die tijd duidelijk nog te ver vooruit op de discussie.’

Dat is inmiddels anders. ‘Langzaam begon in 2013 in de creatieve industrie het idee te ontstaan dat het internet een nieuwe fase in ging: the Internet of Things. Wat mij betreft gingen olifanten, tijgers en walvissen onze koelkasten en broodroosters voor. Er zijn onwaarschijnlijk veel sensor-netwerken buiten onze voordeur: van een satelliet in een baan rond de aarde, tot een sensor op de rug van een bij. Er was naar mijn smaak al lang een Internet of Organisms and Ecosystems.’

In 2014 werd dat expliciet, met de eerste incidenten op het gebied van cyber poaching. ‘In eerste instantie ging het om een data-halsband van een tijger die werd gehackt door stropers’, legt Karelse uit. ‘In tweede instantie ging het om een veel dieper liggend fenomeen. Er circuleerde op Twitter een foto, gemaakt door een Zuid-Afrikaanse vrouw, van een bordje op een safari-voertuig met de waarschuwing: “Please do not include GPS data when uploading photos to internet. Poachers are using the data to find our elephants and rhinos.” Kortom: stropers jagen op neushoorns via Flickr en Instagram. Dat voelde als een bevestiging. In datzelfde jaar ontstond er discussie rondom wifi-dekking in alle nationale parken in de Verenigde Staten. De vraag werd gesteld of dit nog wel echte wildernis was.’

Niet alleen mensen weten zich overal bespied, ook dieren worden inmiddels vrijwel continu gemonitord. We komen via nieuwe technologie steeds meer te weten over bomen, planten en dieren, terwijl we fysiek op afstand kunnen blijven. Een bioloog hoeft niet meer urenlang met een verrekijker in de boom te zitten wachten tot dat hert zich eindelijk wil vertonen; hij kan rustig met een kopje koffie achter de computer kijken wanneer het hert te voorschijn komt. Ecologie wordt op die manier steeds meer een lab-wetenschap, zo schrijft de Amerikaanse ecoloog John G.T. Anderson in een recent artikel in American Scientist (Why Ecology Needs Natural History, september/oktober 2017).

Voor wetenschappers is de alomtegenwoordige monitoring van de natuur wellicht een bron van kennis; voor niet-wetenschappers is het vooral ook een bron van vermaak. Vrijwel alle nationale parken beschikken over webcams waardoor je op elk gewenst moment van de dag kunt kijken naar badderende olifanten in Afrika, stoeiende grizzlyberen in Canada of baby-arenden die in hun nest boven op een berg wachten op hun moeder.

Het gebruik van technologie voor natuurbehoud stopt echter niet bij enkel monitoren. Steeds vaker worden semi-autonome strategieën ingezet om de gevolgen van menselijke inmenging in een ecosysteem actief tegen te gaan. Zo worden autonome onderwatervoertuigjes, zogenaamde cots, gebruikt in het Great Barrier Reef. Deze cots identificeren bepaalde zeesterren die het koraal aantasten en injecteren ze vervolgens met een dodelijk stofje. Robotzwermen die zelfstandig met elkaar kunnen communiceren worden ingezet bij het opruimen van gifvlekken in de oceaan en drones helpen bij de nieuwe aanplant van bepaalde inheemse plantensoorten door met behulp van buisjes zaden op de juiste plek in de grond te stoppen. Karelse vertelt over een soort Facebook voor olifanten, gepresenteerd door Microsoft, waarbij de data-halsbanden van de dieren ook nog fungeren als ankerpunten voor een vloot autonoom opererende drones. ‘Hier werd een natuurlijke kudde geschaduwd door een artificiële.’

Machines beginnen dus steeds actiever te participeren in ecosystemen, bijna zoals dieren dat doen, en de vraag wat dit betekent voor de natuur werd het uitgangspunt van het onderzoeksproject van Karelse, ‘Machine Wilderness’, dat van start ging met een symposium in Artis en werd gevolgd door sessies op verschillende plekken in Europa.

Sergei Zimov werkt aan de terugkeer van de mammoet, een ‘sleutelsoort’ tijdens het Pleistoceen, in Siberië

Naast robots en drones wordt ook genetische technologie ingezet in het kader van natuurbehoud. Zo worden bepaalde dieren genetisch gemanipuleerd om beter bestand te zijn tegen een nieuw klimaat in hun leefgebied (een goedkoper alternatief dan het verplaatsen van dieren naar andere gebieden, iets wat overigens ook al regelmatig gebeurt onder invloed van klimaatverandering).

Genetische technologie wordt ook gebruikt om bepaalde uitgestorven dieren terug te brengen in een ecosysteem: zogenaamde de-extinctie-technieken. Een gebruikelijke de-extinctie-methode is het ‘terugfokken’. Net zoals je wilde dieren kunt fokken totdat ze tam zijn, kun je ze ook terugfokken tot ze weer wild zijn. Zo kun je bepaalde ‘sleutelsoorten’, die belangrijk zijn voor de biodiversiteit en de dynamiek van een ecosysteem, herintroduceren. Momenteel worden koeien teruggefokt naar een soort oeros, een wilde Europese rundersoort die in 1672 is uitgestorven.

Een extremer voorbeeld komt uit Siberië, waar Sergei Zimov, in samenwerking met George Church, professor in de genetica aan Harvard Medical School, werkt aan de terugkeer van de mammoet op de Siberische toendra in het door hem opgerichte ‘Pleistoceen Park’. De permafrost in het Siberische landschap is aan het smelten en dat kan catastrofale gevolgen hebben. Als de broeikasgassen onder de permafrost eenmaal vrijkomen, ontstaat een feedback loop van steeds snellere opwarming. Zimov denkt dat het graslandschap dat dit gebied domineerde in de tijd van het Pleistoceen, oftewel de laatste ijstijd, koelere grond kan garanderen door meer reflectie van het zonlicht, en op die manier de permafrost bevroren kan houden. Om die reden is hij met zijn zoon al jaren druk bezig om alle bomen in het gebied te kappen en grote grazers te introduceren. Ten slotte hoopt hij op de terugkeer van de mammoet, een ‘sleutelsoort’ in het ecosysteem die een belangrijke invloed uitoefende op de structuur van het landschap in de tijd van het Pleistoceen.

Church werkt in zijn lab aan de creatie van een soort hybride mammoetolifant. Tijdens een Ted-talk in 2013 legt hij uit dat we genoeg onderdelen van het mammoet-genoom in handen hebben om bepaalde eigenschappen van het oerdier (bijvoorbeeld de dikke, wollige vacht) te creëren in een hybride mammoet-olifant. Onze huidige olifant is nu geëvolueerd tot een dier met een gevoelige huid die juist gericht is op afkoeling in een warm klimaat. Als deze olifant nu eens net zo’n dikke, wollige vacht zou krijgen als een mammoet, en minder flapperende oren (die zouden immers snel bevriezen), zou die hybride mammoet-olifant wellicht eenzelfde ecologische functie kunnen vervullen in het toendra-ecosysteem als vroeger de mammoet deed in het Pleistoceen.

Het idee van over de toendra struinende mammoeten spreekt tot de verbeelding. Hoewel op deze methode door andere experts veel kritiek is geleverd en omstreden is of deze technologie überhaupt ooit mogelijk zou zijn (waar haal je bijvoorbeeld een ‘leen-baarmoeder’ vandaan voor de duur van 22 maanden, is slechts een van de vragen die Church wel erg gemakkelijk afdoet als een ‘klein obstakel’), is duidelijk dat mensen inmiddels bereid zijn om tot in het diepste genoom van dieren en planten in te grijpen om op die manier de aarde te managen.

Het management van natuurgebieden vergt steeds meer menselijk ingrijpen. Denk aan alle drones en andere vormen van beveiliging die mensen inzetten om de overgebleven neushoorns en andere megafauna in Afrika te beschermen. Paradoxaal genoeg kost het reduceren van de invloed van de mens op ecosystemen dus steeds meer en steeds intensiever menselijk management. Waarbij uiteraard de mens telkens bepaalt hoe de natuur ‘hoort te zijn’. Wat is natuur? Wat is wildernis? Allemaal vragen die wij mensen beantwoorden. Met als gevolg dat we ‘wilde natuur’ zoals die is ontstaan door het ‘rewilding project’ in de Oostvaardersplassen prachtig vinden, maar dan liever wel zonder zielige, stervende paarden in de winter. We willen dolgraag de laatste neushoorns in Afrika beschermen terwijl de ecologische functie van deze iconische dieren in het ecosysteem in feite al lang is uitgespeeld.

We kunnen onze menselijke neiging om in te kleuren wat wij onder ‘goede, pure, wilde natuur’ verstaan niet gemakkelijk onderdrukken waardoor we waarschijnlijk niet altijd de beste keuzes maken. In dit licht wordt het idee van een niet-menselijke intelligentie die de rol van beschermer van ecosystemen op zich neemt iets begrijpelijker. Zo’n vorm van intelligentie komt wellicht op ideeën waar mensen simpelweg nooit op zouden komen, gehandicapt als we zijn door onze antropocentrische blik.

Medium 2017 10 13 nieuwe wildernis 3 kleur

Theun Karelse is zich momenteel aan het verdiepen in Environmental Machine Learning. ‘Tot nu toe was de gewaarwording van het landschap het domein van planten, dieren en mensen. Die grens begint met artificiële intelligentie te vervagen. Ik vraag me af: als machines zelf gewaar worden en gaan leren, welke data geven we ze dan om mee te beginnen?’

Hij wijst op twee kunstenaars, Paul Kolling en Paul Seidlerbouwen, die op dit moment een tradingbot bouwen, een robot die kan handelen op de financiële markt en een bos vertegenwoordigt. Hun project heet Terra0. Op de website is te lezen: ‘Een bos heeft een exact te berekenen productiekracht; de marktwaarde van de output van het bos kan precies worden uitgerekend. Het bos is bron van ruw materiaal maar heeft ook de rol van serviceverlener. Het Terra0-project creëert een scenario waarin het bos, versterkt door geautomatiseerde processen, zichzelf gebruikt en op die manier kapitaal opbouwt. Op die manier kan het bos zijn werkelijke waarde genereren en uiteindelijk zichzelf kopen. Zo kan het bos niet alleen eigenaar worden van zich zelf, maar ook is het in de positie om meer grond te kopen en dus uit te breiden.’ Karelse vindt het razend interessant: ‘Hoe zou het bos gaan handelen?’

Bernice Bovenkerk is milieufilosoof aan Wageningen University en is kritisch over wat zij het ‘technodeterminisme’ noemt. Ze vraagt zich, als het over de ‘wildness creator’ gaat, af of het wel zo’n goed idee is om alle menselijke invloed uit de natuur te halen. ‘Misschien vinden sommige dieren het wel helemaal niet zo erg om met mensen in aanraking te komen. De vraag is natuurlijk wat wij definiëren als natuur. We gaan ervan uit dat alles goed komt als wij ons maar terugtrekken. Maar als wij onszelf meer als onderdeel van de natuur zouden zien, dan zou de situatie veel minder problematisch zijn.’

Bovenkerks probleem met ideeën zoals besproken in het Cell-artikel is dat de natuur telkens wordt voorgesteld als een passieve entiteit die wij mensen moeten managen met onze superieure kennis en technologie. ‘Alsof de natuur zelf niets kan oplossen! Misschien heeft de aarde wel een eigen vorm van intelligentie. Geen bewuste intelligentie, maar wel manieren om problemen op te lossen. Kijk naar alle natuurrampen van de laatste tijd. Je zou kunnen denken dat de aarde daar nu al mee bezig is, met het oplossen van problemen. Dat de aarde aan het “terugslaan” is.’

Ze wijst op de Australische sociale wetenschapper Jeremy Baskin, die kritisch staat tegenover wat hij de ‘ideologie van het Antropoceen’ noemt. Hij maakt onderscheid tussen een Prometheaanse en een Aidosiaanse benadering. Prometheus stond in de Griekse mythologie voor techniek, maar ook voor hubris. Het was namelijk hubris die Prometheus ertoe bracht het vuur van de Olympus te stelen en aan de mensen te geven, zodat ze daarmee een technologische beschaving konden ontwikkelen. De Prometheaanse benadering gaat uit van actief wereldwijd ingrijpen door de mens om te komen tot een beter Antropoceen voor de mensheid, de inmiddels al bijna ‘klassieke’ ecomodernistische visie.

Mensen zijn bereid om tot in het diepste genoom van dieren en planten in te grijpen om de aarde te managen

Aan de andere kant is er de Aidosiaanse benadering. Aidos was de godin van de schaamte, nederigheid en bescheidenheid. Dit perspectief is bescheiden en bepleit een terugkeer naar de tijd van het Holoceen, omdat we in ieder geval weten dat mensen in het klimaat van die tijd goed konden gedijen. ‘Het artikel in Cell kun je zien als een voorbeeld van precies die Aidosiaanse benadering’, vindt Bovenkerk. ‘De toon is schaamtevol over wat de mens heeft aangericht.’ We moeten ons in deze benadering vooral terugtrekken uit de natuur, in het uiterste geval met behulp van vormen van kunstmatige intelligentie. ‘Maar beide benaderingen blijven steeds uitgaan van de noodzaak van menselijk, technologisch management van de aarde’, aldus Bovenkerk.

Laura Martin vindt eveneens dat veel conservatie gericht is op het ongedaan maken van menselijke acties in het landschap. ‘Maar’, schrijft ze, ‘wat als mensen landschappen zouden kunnen co-cureren samen met artificiële intelligentie? Dat zou een samenwerking zijn. Dat is niet je terugtrekken als mensheid, maar dat gaat om mensen die technologie ontwerpen om andere soorten te laten voortbestaan. Wij hopen dat ons artikel een discussie losmaakt over de politiek van conservatie, over menselijke verantwoordelijkheid en het samen bestaan met andere soorten op aarde.’

De vraag is op welke manier je aankijkt tegen dit ‘samen bestaan met andere soorten’. De discussie raakt hier aan de huidige tweespalt in de ecologie over de zogenaamde ‘sparing versus sharing’-vraag. De voorstanders van ‘sparing land’ vinden dat we gebieden moeten teruggeven aan de natuur en de rest van het land zeer intensief moeten gaan bewerken, omdat dit de enige manier is om alle mensen te kunnen voeden. Daartoe is een ontkoppeling nodig tussen mens en natuur. Zo stelt de beroemde, inmiddels hoog bejaarde bioloog Edward Wilson in zijn laatste boek HalfEarth voor om de helft van de aarde terug te geven aan de natuur en ons daar als mensen uit terug te trekken. Dit ziet hij als de enige manier om de aarde, of beter gezegd de mensheid op de aarde, te redden.

Aan de andere kant staan de ‘sharing land’-voorstanders die juist het samenleven van mensen met dieren en planten in de natuur voorstaan. Denk aan biologische landbouw, voedselbossen et cetera. Op de lange termijn zou de opbrengst van het land om mensen hiermee te voeden juist hoger zijn, omdat je op de lange termijn de grond die je kunstmatig en intensief bewerkt, volledig uitput. Bovendien is het in deze visie niet mogelijk om de mens van de natuur te ontkoppelen, omdat de mens deel uitmaakt van de natuur. We moeten juist onze relatie met de natuur herstellen. Dit vinden de ecomodernisten dan weer te romantisch en niet realistisch gedacht. De Aidosiaanse stroming lijkt een soort middenweg, een compromis. Wel de mens in het middelpunt, maar ook meer bescheidenheid en verantwoordelijkheid.

Bovenkerk heeft er een hard hoofd in: ‘Hoe kunnen wij bescheiden en schaamtevol zijn over de rol van mensen en tegelijkertijd toch de rol van managers van de aarde willen spelen? Ik wil de framing van het idee van het Antropoceen helemáál ter discussie stellen. Weg van de Prometheaanse of de Aidosiaanse benadering. Ik denk dat we geen middenweg nodig hebben, maar een ándere weg.’

Een ‘wildness creator’ lijkt haar geen goed idee. ‘Dan geef je iets uit handen dat niet meer is terug te draaien. Dat kan een eigen leven gaan leiden en dat vind ik heel erg eng.’ Bovendien vraagt ze zich af wat er voor ons mensen overblijft. ‘Wij moeten dan zeker allemaal in “groene steden” gaan leven?’ Ze begrijpt dat de auteurs zelf ook de wildness creator niet propageren als alomvattend panacee voor de klimaatcrisis, maar toch wil ze graag waarschuwen voor de blinde adoratie van nieuwe technologie, zeker die van deep learning.

Het beeld van een op hol geslagen kunstmatige intelligentie komt regelmatig op. Elon Musk roept dan ook vaak op tot een debat over het opstellen van een gedragscode voor artificiële intelligentie. Dan gaat het vooral om de gevaren voor de mens. Niet onbegrijpelijk, want zou zo’n ultra-slimme ‘wildness creator’ niet al vrij snel gaan inzien dat het een stuk efficiënter is om die autonome cots te gebruiken om mensen in te spuiten met een giftig stofje dan om er die zeesterren mee te verdelgen? Mensen hebben immers een veel grotere en negatievere impact op het koraal dan de zeester, hoe agressief die ook mag zijn. Hoe komt de agressieve zeester überhaupt op deze plek terecht? Heeft dat uiteindelijk niet ook te maken met de mens die de oorspronkelijke ecosystemen heeft verstoord?

Laura Martin begrijpt de zorgen – ‘die vraag krijgen we heel vaak’ – maar denkt dat het mogelijk moet zijn om een artificiële intelligentie (AI) zo te programmeren dat het geen mensen kan schaden. ‘Neem een kleine AI om al het afval van mensen op te ruimen. Die zou kunnen worden ontworpen met de opdracht geen mensen te schaden. Of dit ook bij meer allesomvattende AI mogelijk is, is een belangrijke vraag voor programmeurs in de nabije toekomst.’

Als we gebieden toewijzen aan ‘de natuur’ die vervolgens worden ‘gemanaged’ door onze technologie, al dan niet met onze input, en andere gebieden aan ‘de mensen’ die hun eigen voedselvoorziening dan weer mogen managen, dan raakt de relatie tussen ons en de natuur nog verder verstoord dan die nu al is. Het herstellen van die relatie zou op jonge leeftijd kunnen beginnen.

De Amerikaanse ecoloog John Anderson beschrijft juist hoe biologiestudenten ‘steeds meer tijd binnen doorbrengen, lab-experimenten uitvoerend waarvan de uitkomsten vaak al vaststaan, eerder turend naar hun computerschermen om steeds verder ontwikkelde simulaties van gedrag te observeren dan opgaand in het observeren van daadwerkelijke organismen in een ongecontroleerde context’. En die neiging om biologie als een lab-wetenschap te zien begint volgens Anderson heel jong. Een klas kinderen mee naar buiten nemen ‘kost tijd en is risicovol en de uitkomsten van dit soort onderzoek zijn vaak minder goed meetbaar dan gecontroleerde lab-experimenten’.

Al in het begin van de negentiende eeuw schreef Alexander von Humboldt over de verbindingen tussen mens, dier, plant en aarde. Over hoe alles met alles samenhangt. Over de gevolgen van slavernij en kolonialisme voor de natuur, zelfs voor klimaatverandering waarschuwde hij ons toen al. Hij bepleitte het toelaten van emoties bij de bestudering van de natuur. Die emoties kunnen we echter alleen ervaren als we onszelf daadwerkelijk als onderdeel van de natuur beschouwen en in rechtstreeks, fysiek contact met die natuur staan.

We moeten de natuur niet vol schuldgevoel en schaamte uit de weg gaan en haar op een afstand bestuderen en managen. We moeten juist een relatie aangaan met de aarde, hoe ingewikkeld dat ook is. Juist nu wij blijkbaar zo’n grote invloed uitoefenen op de aarde dat we zelfs op geologische schaal veranderingen aanbrengen, is het tijd om onze verantwoordelijkheid te nemen.

Clive Hamilton bepleit daartoe een andere vorm van antropocentrisme. We kunnen ons boos en progressief verzetten tegen het ‘humans only’-perspectief, maar we kunnen ons ook realiseren dat we die macht nu eenmaal blijkbaar hebben. En dat we in die zin wél uniek zijn. Dát we de aarde hebben veranderd en nog steeds veranderen, al is dat wellicht niet altijd onze bewuste intentie geweest. Dat de wereld van de mensen en hun onderlinge relaties de wereld van de geologie en de kosmos is binnengedrongen. Daarbij past niet het blind vertrouwen op een ‘wildness creator’ of andere vormen van niet meer terug te draaien, al dan niet kunstmatig intelligent, technologisch monitoren en ingrijpen.

Daarbij past eerder het in alle bescheidenheid nemen van verantwoordelijkheid, waarbij we ons proberen open te stellen voor nieuwe relaties met niet-menselijke organismen om ons heen en proberen beter naar hen te luisteren. Waarbij we de complexiteit van ecosystemen, de onzekerheid van de toekomst en de ontembaarheid van het leven leren verdragen en de poëzie en de verbeelding weer een plaats geven in de natuurwetenschap.

Want, zo schreef Alexander von Humboldt: ‘Wat tot de ziel spreekt ontsnapt aan onze metingen.’