H.J.A. Hofland

Wilders

Het is niet uitgesloten dat we een zomer als die van 2002 tegemoet gaan, of een herfst als van 2004. De ingrediënten voor de volgende nationale crisis zijn onverminderd aanwezig: een deel van het volk dat zich onbestemd miskend en bedreigd voelt; een agitator met talent – misschien zijn het er deze keer twee; een gevestigd politiek bestel dat zich wel op onheil voorbereidt maar daarbij de indruk wekt dat het zich geen raad weet; en een detonator van formaat. De agitator is vast van plan het zaakje tot ontploffing te brengen omdat hij van de knal veel goeds verwacht, al kan hij ook niet precies uitleggen wat dat dan zal zijn. Na ons de zondvloed. En dan misschien de nu nog anonieme gek die zich door hogere machten gestuurd weet, en die dwingen hem dan tot ingrijpen.

De toestand in 2008 is een remake van wat we zes jaar geleden hebben beleefd, met dit verschil dat het nu ernstiger kan worden. Toen had Pim Fortuyn de islam als een achterlijke godsdienst ontmaskerd en vervolgens het geloof gewekt dat alles anders zou worden als hij minister-president was. Zijn aanhang groeide onstuitbaar. De gevestigde politieke orde wist zich zichtbaar geen raad. Frits Bolkestein en Bart Tromp hoorden tot de weinige publieke figuren die hun hersens bij elkaar hielden. Als die man premier wordt, slaan we internationaal een pleefiguur, zei Bolkestein. Kort voor Fortuyn werd vermoord liet hij een paar van zijn beste vrienden, Harry Mens en Albert de Booy, weten dat hij van zijn aspiraties afzag. Een politiek feit dat door zijn geestverwanten altijd zorgvuldig is weggefrommeld. Na de moord kwam de zomer van de kogelbrieven, gevolgd door de zelfopheffing van de LPF. Zelden hebben we een zo krankzinnige periode in onze politiek meegemaakt.

Daarvan hebben we toen niets geleerd, zoals twee jaar later werd aangetoond. Ayaan Hirsi Ali en Theo van Gogh kwamen met de film Submission, die moest dienen om het volk de ogen te openen voor de kwade kanten van de islam. Dat was geen politieke daad maar au fond een uiting van zendingsdrift. Niemand zal de moslims in Nederland en per slot van rekening het land in zijn geheel een zo slechte dienst hebben bewezen als de moordenaar van de cineast. Na een paar maanden van nationale razernij bedaarde de opwinding, maar het grote probleem, de niet-integratie van een grote groep onder de moslims in Nederland, bleef onverminderd bestaan.

Toen kwam Geert Wilders. Nadat hij de VVD had verlaten, maakte hij een snelle politieke carrière. Moest eerst onderduiken in Kamp Zeist, zich daarna permanent laten bewaken. Specialiseerde zich in oneliners – knettergek, beroepslafaard – en liet weten dat hij op zijn beurt een film over de islam (fascistische ideologie) en de koran (moet verboden worden) ging maken. Zal het helpen, zullen de moslims massaal worden bekeerd, hun koran weggooien? Nee. Het is waarschijnlijker dat het effect van Fortuyn, Hirsi Ali en Van Gogh in versterkte mate wordt herhaald. Dan zijn we nog verder van huis. De film dan maar verbieden? Dat is ook onzin. Het hele kabinet, om te beginnen, zal door Wilders als een zootje beroepslafaards worden ontmaskerd. En laten we hopen dat niet een volgende Mohammed B. bezig is aan zijn laatste voorbereidingen. Met zijn tot niets dienende film zet Wilders de natie op het volgende traject van een weg waarop we niet kunnen terugkeren.

Hebben de PVV en haar leider het dan helemaal bij het verkeerde eind? Dat denk ik niet. Zoals Fortuyn dat heeft gedaan, geeft Wilders stem aan een grote broeiende angst en onvrede. Niet alleen ‘de’ moslims zijn daarvan de oorzaak. Het is een door grote groepen ervaren stagnatie in de hele maatschappij. De files, de excessieve bedragen waarmee president-directeuren worden beloond, de gouden handdrukken, dagelijkse misère waarvan de regelende bureaucratie de schuld krijgt, de wollige taal waarin de ‘machthebbers’ zich uitdrukken, het wantrouwen waarmee ‘politiek Den Haag’ automatisch bejegend wordt, onderschat de politieke invloed van dit alles niet. Daarop kapitaliseerde toen Fortuyn, en zo is het nu ten dele ook met Wilders.

Ik dacht aan Het fascisme en de nieuwe vrijheid, het meesterwerk van Jacques de Kadt, uit 1939. Wie het fascisme wil bestrijden, moet zich eerst afvragen waaraan het zijn succes te danken heeft, schreef hij. Voor grote massa’s hebben de fascisten recht van spreken. In zijn Anmerkungen zu Hitler betoogt Sebastian Haffner in grote trekken hetzelfde. Let wel: ik beschouw Wilders niet als een fascist; eerder heeft hij een anarchistisch trekje. Maar terzijde van definities: wie hem wil bestrijden moet zich eerst afvragen waaraan hij zijn succes te danken heeft. Daaraan zijn de politieke concurrenten nog niet eens begonnen.