Essay: Naar een nationalistische Internationale

Wilders en Le Pen voor Europa

Geert Wilders zoekt toenadering tot populistische partijen in de rest van Europa; de vijand huist niet meer voornamelijk in Mekka, maar in Brussel. Paradoxaal genoeg versterkt hij daarmee juist de democratische legitimiteit van Europa.

Medium 12 11 13 wilders le penn

We mogen best een beetje trots zijn op Geert Wilders. Al zegt hij het zelf: hij is zonder twijfel de bekendste Nederlandse politicus in Europa, zo niet in de hele wereld. Dat is niet de minste paradox rond zijn politieke personage: de meest uitgesproken Nederlandse nationalist sinds de Tweede Wereldoorlog is ook onze grootste internationalist. Onze grootste euroscepticus is onze bekendste Europeaan.

Net als Pim Fortuyn wordt deze kampioen van de Nederlandse cultuur en identiteit vaak gezien als on-Nederlands (ditmaal met een positieve bijklank), omdat hij geen blad voor de mond neemt en politieke moed toont als onvermoeibare freedom fighter tegen de islam. Wilders spreekt zijn talen, heeft een Engelstalige website en houdt opvallende spreekbeurten in de hoofdsteden van Europa, de Verenigde Staten en Australië. Na het wereldsucces van de korte film Fitna in 2008 is er nu het boek Marked for Death: Islam’s War Against the West and Me. Wees eerlijk: welke Nederlandse politicus doet het hem na?

In de opmaat naar de Europese verkiezingen van mei 2014 ontpopt Wilders zich ook als de belangrijkste aanjager van een nationalistische Internationale. Front National-leider Marine Le Pen deed al een ‘appèl aan de volkeren van Europa’ om de Europese Unie te ontmantelen (‘ik wil naties’), en prees zowel Beppe Grillo’s Vijfsterrenbeweging als de ukip van Nigel Farage vanwege hun recente electorale successen. Farage kan het uitstekend vinden met Timo Soini, de leider van de Ware Finnen. Wilders cultiveert al langer contacten met de Deense Volkspartij van ‘zijn goede vriendin’ Pia Kjaersgaard. Onlangs kondigde hij samenwerking aan met het Front National en het Vlaams Belang. Hij ging in april in Parijs lunchen met Marine Le Pen (‘indrukwekkende vrouw’) en was het ‘voor negentig procent, misschien meer’ met haar eens. Later dit jaar brengt zij een tegenbezoek aan Nederland. In mei was hij in Praag om te spreken met ex-president Vaclav Klaus, die het ‘europeanisme’ beschouwt als een nieuwe gevaarlijke ideologie ‘die in de plaats is gekomen van het socialisme’. In augustus was Wilders op bezoek bij fpö-leider Heinz-Christian Strache in Wenen. Daar stelde hij vast dat de pvv en de fpö veel gemeen hadden, ‘meer dan met de rest van het Nederlandse parlement… De kiezers verwachten van ons dat wij samenwerken.’

Hij is ervan overtuigd dat er een politieke revolutie ophanden is in Europa: ‘We kunnen volgend jaar een enorme slag slaan. Partijen die zich verzetten tegen wat wij de lijn van de elite noemen, groeien snel in populariteit. Partijen die hechten aan het nationaal belang, aan de nationale identiteit. Als wij onze krachten bundelen, kunnen we enorm veel voor elkaar krijgen (…) Het momentum is er. Ik ben ervan overtuigd dat volgend jaar afgerekend gaat worden in heel veel Europese landen’ (AD, 28 april 2013). In juni zei hij in Los Angeles: ‘In Europa is de tijd rijp voor een glorieuze, democratische en niet-gewelddadige revolutie ter bescherming van onze nationale vrijheden en het herstel van onze soevereiniteit (…) We voelen het hart van het Nieuwe Patriottisme in Europa kloppen (…) De Europese lente is nabij.’

***

Het is intrigerend om te zien dat die toenadering tussen de populisten gepaard gaat met een ideologische convergentie in de richting van wat een ‘libertair nationalisme’ of een ‘nationaal-individualisme’ kan worden genoemd. Het nieuwe van de neopopulistische partijen in het naoorlogse Europa is dat zij afstand hebben genomen van het collectivistische volksdenken van het klassieke fascisme en nationaal-socialisme, en het nationalisme inkleuren met liberaal-democratische, seculiere en individualistische waarden. Het zijn vrijheidspartijen (vaak ook letterlijk in hun naamgeving) die de idealen van de jaren zestig en het consumentistische ik-tijdperk (persoonlijke autonomie, zelfontplooiing, consumentensoevereiniteit) naadloos verbinden met de verdediging van de nationale soevereiniteit, identiteit en cultuur tegen krachten van buiten, met name de islamisering, de economische globalisering en de Europese integratie. ‘Ik eerst’ en ‘eigen volk eerst’ zijn geen tegengestelden, maar vallen samen: ‘Ieder voor zich, en Nederland voor ons.’ Niet voor niets zweert Wilders’ rechterhand Martin Bosma bij het absolute individualisme van de Amerikaanse schrijfster Ayn Rand.

‘Vrijheid’ is natuurlijk een allemansvriend. Het is een slagwoord waar iedereen iets anders onder verstaat, en dat meestal negatief wordt gedefinieerd, als de bevrijding van iets (ergs): slavernij, onderdrukking, onzekerheid, angst. De vrijheid van de populisten is vooral gericht tegen de islam, het betalen van belastingen en Europa. Het is geen vrijzinnige, maar een gelijkhebberige vrijheid die niet is gecharmeerd van tegenspraak: het volk heeft altijd gelijk. Het is de vrijheid om te ‘houden wat je hebt’, waarbij het evenzeer gaat om de eigen cultuur en identiteit als om eigen geld, banen en welvaart. En natuurlijk ook om de eigen mening. Thierry Baudet, de intellectuele fellow-traveller van de pvv, zei het in zijn H.J. Schoo-lezing zó: ‘Nuance is gebrek aan overzicht, en kort door de bocht is positief, want dan kom je eerder waar je wezen moet.’

Medium wilders

‘Alles wat wij doen is voor de vrijheid van Nederland’, proclameerde Wilders in een uitgebreid nos-interview in december 2012. Het ging hem om de vrijheid van burgers ‘om veilig over straat te kunnen lopen, om de baas te zijn over je eigen zuurverdiende geld, om Nederland geen provincie van Europa te laten worden maar een vrij land’. Verderop in het interview beleed hij zijn ‘absolute geloof’ dat islam en vrijheid haaks op elkaar staan. De bestrijding van ‘Marokkaans racisme’ en ‘islamitisch racisme’ was voor hem een levensopdracht die hij tot zijn dood zou vervullen.

Opvallend (en voor linkse mensen verwarrend) in dit ‘nationaal-individualisme’ is dat de progressief-liberale waarden van de jaren zestig, inclusief de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en tussen homo’s en hetero’s, worden genationaliseerd en als een soort volkseigendom worden ingezet tegen alles wat de vermeende ziel van de natie bedreigt. Een slogan van de Deense Volkspartij luidt: ‘Vrijheid van meningsuiting is Deens, censuur niet.’ Pim Fortuyn had zoals bekend ‘geen zin om de emancipatie van vrouwen en homo’s nog eens over te doen’. Een recent ‘feministisch’ rapport van de pvv, Violence Against Women, bestaat voor het grootste deel uit voorspelbare ‘analyses’ van vrouwonvriendelijke koranverzen.

Ook de Franse politicoloog Pierre-André Taguieff beschouwt het als de grootste innovatie van het Europese neopopulisme dat het in naam van individualistische, postmaterialistische en seculiere waarden ten strijde trekt tegen seksisme, vrouwenhaat, homofobie en de vervolging van religieuze minderheden. Hij spreekt van een ‘libertaire islamofobie’; andere onderzoekers spreken van ‘seksueel nationalisme’ en ‘homonationalisme’. De Engelse politicoloog Ben Pitcher constateert eveneens dat het rechtspopulisme zich met succes heeft meester gemaakt van de taal van antiracisme, feminisme en homorechten. ‘There is no place for fascists, islamic jew haters in England’; ‘Protect gays, children, females from sharia laws’, aldus enkele spandoeken van de radicaal-nationalistische English Defence League, die ook een eigen lgtb Division rijk is.

In Frankrijk heeft het Front National onder leiding van Marine Le Pen een ‘republikeinse wending’ gemaakt waarin de waarden van liberté, égalité en fraternité (en dus van de seculiere democratie) een centrale plaats innemen. De ‘priorité nationale’: de voorrang voor Fransen op ieder gebied (werkgelegenheid, huisvesting, overheidstoelagen) is niet bedoeld ‘voor blanken of raszuivere Fransen, maar voor iedereen die de Franse nationaliteit heeft, ongeacht origine of religie’ (NRC Handelsblad, 2 mei 2013). Terwijl haar vader Jean-Marie nog verkeerde met ex-collaborateurs, Algerije-gangers en royalisten, en de gaskamers een ‘detail in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog’ noemde, nam dochter Marine afstand van de bruine kantjes van de partij. Papa ging in 2009 nog een alliantie aan met het antisemitische en racistische Jobbik, maar dochter Marine wist niet hoe snel ze met de radicale Hongaarse nationalisten moest breken. Haar streven naar ‘normalisering’ en ‘de-diabolisering’ van het FN kwam vooral tot uiting in de breuk met het antisemitisme van papa – voor Wilders natuurlijk een absolute voorwaarde om met haar in zee te gaan.

De normalisering van het FN is misschien representatief voor een meer algemene Abmilderung van het populisme in Noord-West-Europa, dat steeds duidelijker opschuift van cultureel racisme en islamofobie naar een anti-Europees economisch nationalisme. Voor het Front National zijn beperking van de immigratie en hard optreden tegen de sans-papiers nog steeds belangrijke programmapunten, maar Marine Le Pen spreekt liever over de economie (voor nationaal protectionisme, tegen het ‘ultraliberalisme’), over Europa (Frankrijk uit de EU en de euro) en over gedeelde Franse waarden (NRC Handelsblad, 2 mei 2013). Bij de Ware Finnen leven de thema’s van islam en immigratie vanouds minder sterk dan bijvoorbeeld bij de Deense Volkspartij of de pvv. Zij zijn vooral economisch nationalisten die zich verzetten tegen de afdrachten die de hardwerkende Finnen via Europa moeten doen aan de zuidelijke landen: ‘Europa is er niet voor de armenzorg.’ Maar ook de Deense Volkspartij matigt de laatste tijd zijn islamkritiek en bespeelt vooral het anti-Europese thema.

Ook de Engelse ukip probeert uit alle macht om associaties met extreem-rechts (zoals met de British National Party) te voorkomen. De ukip is vooral een rechts-libertaire partij in de traditie van Thatcher, die de Engelse soevereiniteit, identiteit en economie wil beschermen tegen Europa en de immigratie. Zelfs het Vlaams Belang is tegenwoordig bezig de bruine bladzijde om te draaien, en neemt na het terugtreden van Filip Dewinter (en onder de groeiende druk van de burgerlijke nationalisten van de n-va) explicieter afstand van het anti-islamitisch racisme. De nieuwe leider Gerolf Annemans betreurt dat zijn partij de gematigde kiezer is kwijtgeraakt en maakt excuses voor vroeger: de partij had nooit de indruk mogen wekken dat ze ‘tegen mensen, tegen vreemdelingen’ was. Hij wil het Vlaams Belang hervormen zoals Marine Le Pen dat bezig is te doen met het FN. Maar ‘eigen volk eerst’ vat volgens hem het programma nog steeds goed samen (NRC Handelsblad, 29 april 2013).

De meest opvallende wending is echter opnieuw die van de Nederlandse pvv, die in de aanloop naar de landelijke verkiezingen van september 2012 in haar verkiezingsprogramma Hún Brussel, óns Nederland een soort rokadebeweging maakte van de islam naar Europa. Die vijandwissel van ‘Mekka’ naar ‘Brussel’ hield ook een verschuiving in van culturele naar economische issues: van de verdediging van de Nederlandse cultuur tegen de islamisering naar de verdediging van de portemonnee van de hardwerkende Nederlandse belastingbetaler tegen grijpgrage Brusselse bureaucraten en ‘luie en corrupte’ landen als Griekenland, Spanje en Portugal. Nederland moet Europa uit en afscheid nemen van de euro. De euro is een ‘waanzinproject’ omdat je verschillende culturen en economieën (zoals die van eerlijke, zuinige Nederlanders en luie Griekse ‘jokkebrokken’) niet in één muntunie kunt persen. De ‘massa-immigratie’ en de islamisering vormen nog steeds een groot en groeiend gevaar, maar de schuld daarvan legt de pvv nu vooral bij de Europese Unie, die ons dwingt onze grenzen open te houden en ons daarmee de zeggenschap over ons immigratiebeleid ontneemt. Die materialistische wending leidt tot een meer banale, op economisch eigenbelang gerichte opvatting van nationale soevereiniteit (van ‘eigen volk eerst’ naar ‘eigen geld eerst’, terug naar de gulden, weg met de transferunie). Culturele en beschavingsargumenten spelen nog steeds een rol, maar het platte eigenbelang van Henk en Ingrid overheerst. ‘Wat we zelf verdienen, willen we ook zelf houden’, zei Wilders al in februari 2010 in zijn Almeerse bolwerk.

Die nieuwe wij/zij-tegenstelling resulteert opmerkelijk genoeg in een zekere verzachting van het politieke vijandbeeld. De aandacht verplaatst zich deels van de Haagse elite en de linkse multikul naar het wat verder gelegen en moeilijk links te noemen Brussel. Europa is voor Wilders natuurlijk ook buitenland, maar het is een abstracter gegeven dan de buitenlander die aanwijsbaar in ons midden leeft en moet worden gevreesd als lid van een islamitische vijfde colonne. De kritiek op luie Zuid-Europeanen heeft nog steeds een racistische ondertoon (‘Wij werken, zij de souvlaki. Wij ploeteren, zij aan de ouzo’), maar is per definitie minder venijnig dan de haat jegens criminele Marokkanen.

Die economische wending bracht de pvv het afgelopen jaar dichter bij haar belangrijkste rivaal, de vvd, en leverde vorig jaar een teleurstellend stembusresultaat op. Misschien legt Wilders daarom de laatste tijd (zoals in bovengenoemd nos-interview) weer meer nadruk op zijn unique selling point: de strijd tegen de islamisering. Maar de realiteit van de aanhoudende financieel-economische crisis zorgt ervoor dat het economische, anti-(Zuid-)Europese argument een minstens even grote rol blijft spelen. Beide thema’s worden door de pvv ook systematisch met elkaar verbonden: dezelfde Brusselse bureaucratie die de groei van de overheidsuitgaven en belastingen dicteert en ons geld over de balk gooit richting knoflooklanden verbiedt de EU-lidstaten om hun eigen grenzen te controleren. De cultureel relativisten in Brussel bieden ruim baan aan de islamitische massa-immigratie die onze nationale cultuur en vrijheden ondermijnt.

***

De patriottische alliantie die Wilders en Le Pen in de zin hebben is (behalve de mogelijk verrassende nasleep van de tot nu toe oersaaie Duitse verkiezingen) een van de belangrijkste ontwikkelingen in het Europese politieke landschap, en kan grote gevolgen hebben voor de Europese politiek na mei 2014. Misschien worden we volgend jaar opgezadeld met het meest eurosceptische en nationalistische Europarlement sinds de start van de Europese integratie. Maar het is overdreven om moord en brand te schreeuwen over een mogelijke Weimar-achtige situatie of een aanstaande coup van het fascisme in Europa. Het nationalisme van de Noord-West-Europese populistische partijen heeft zoals we al zagen een sociaal-liberale, democratische en republikeinse inslag, die juist daarom progressief links al enkele decennia in de grootst mogelijke verwarring brengt.

Bovendien moeten we de grote verschillen tussen de populistische partijen in Europa niet uit het oog verliezen. Een patriottische alliantie tussen (maximaal) de pvv, het FN, de dvp, de Ware Finnen, ukip, het Vlaams Belang en de fpö, eventueel aangevuld met de Noorse Vooruitgangspartij en de Zweden Democraten (ook Die Alternative für Deutschland?) is vooral een Noord-West-Europese aangelegenheid die weinig aansluiting zal vinden of zoeken met anti-Europese populisten in Zuid-Oost-Europa. Net als in de Europese Unie als geheel is er ook in het Europa van de populisten sprake van een tegenstelling tussen Noord(-West) en Zuid(-Oost): er loopt dezelfde politieke diagonaal van Engeland, Scandinavië en Duitsland in de richting van Hongarije, Griekenland en Cyprus. Die beschrijft niet alleen een contrast tussen koude en warme landen, maar ook tussen de oude kern van de EU en de landen in de voormalige periferie die nog niet zo lang geleden gebukt gingen onder rechtse of linkse dictaturen en dus een sterkere autoritaire en communitaristische traditie hebben.

Deze politieke geografie laat ook een verschil zien tussen partijen die het nationalisme hebben geliberaliseerd en geïndividualiseerd en partijen die dichter staan bij klassieke vormen van fascisme en nationaal-socialisme, zoals het Bulgaarse Ataka, de Slowaakse Nationale Partij, Jobbik in Hongarije en Gouden Dageraad in Griekenland. Ook in het noordwesten bestaan dergelijke partijen (denk aan het Britse National Front en de Duitse npd), maar dat zijn marginale verschijnselen. De meeste noordwestelijke partijen die nog personele en ideologische banden hadden met het bruine verleden, zoals het FN onder Papa Le Pen, het Vlaams Blok/Belang onder Filip Dewinter en de fpö onder Jorg Haider, hebben inmiddels een meer burgerlijk-democratische stijl gekozen, mede onder invloed van gematigde concurrenten als de n-va in Vlaanderen en de bzö en Team Stronach in Oostenrijk. Zelfs de Lega Nord in Italië is zijn rabiate xenofobe toon enigszins gaan matigen, ook omdat zij veel kiezers verloor aan de Vijfsterrenbeweging van Beppe Grillo.

Het is dus net zo onverstandig om te generaliseren vanuit de politieke ervaring in het noordwesten als vanuit die in het zuidoosten van Europa. De vrees dat het fascisme overal in Europa weer de kop kan opsteken is misplaatst. Populisme is geen nieuw fascisme. Maar het is ook verkeerd om die varianten van het nationaal-populisme die qua stijl en inhoud doen denken aan (en soms bewust aanschurken tegen) het fascisme van de jaren dertig, niet te zien voor wat ze zijn. Dat alle populisten volksnationalisten zijn die (uitgezonderd Bart De Wever en nog wat regionalisten) fel tekeergaan tegen de EU mag ons niet de ogen doen sluiten voor de diversiteit van de anti-Europese populistische beweging. Misschien is dit ook reden voor enige politieke hoop. Een groot verschil tussen de jaren dertig en nu is immers dat de EU al meer dan zestig jaar bestaat als effectieve container van het rauwe nationalisme dat het Europese continent zo lang heeft verscheurd. In de jaren dertig heerste er nog weinig anders dan een hobbesiaanse oertoestand op het Europese continent: het (terug)winnen van respect, levensruimte en rijkdom stond gelijk aan oorlog. Voor alle lidstaten van het naoorlogse Europa is die context van vrede en beschaving een dwingend gegeven, ook voor de landen die nog niet lang geleden dictatoriaal werden geregeerd. Waar een land afglijdt naar autoritair nationalisme, zoals Hongarije onder Victor Orbán, blijft Europa ‘er omheen’ staan en politieke, economische en morele druk uitoefenen.

Op z’n best (maar misschien pas na de mogelijke schok van mei 2014) zullen voorstanders van de Europese Unie door de bundeling van de populistische krachten worden geprikkeld om eindelijk uit hun schulp te kruipen en Europa verder te brengen als het democratische eliteproject dat het in feite is – hoewel niemand het zo durft te benoemen. De angst voor de populisten is zo groot dat weinig politici het aandurven om de Europese droom tegenover hun eigen eurosceptische meerderheden te verdedigen. Dat is precies wat het succes van de populisten uitmaakt: zij zijn erin geslaagd om de liberale democratie om te formuleren tot een volksdemocratie: een heerschappij van de meerderheid, die altijd gelijk heeft.

Maar de paradox blijft, die ook Wilders af en toe uit zijn slaap zal houden: dat hij juist door zijn anti-europeanisme van de weeromstuit bezig is de Europese integratie verder te helpen. Hij wil een netwerk aanleggen tussen de Europese hoofdsteden, vér voorbij de Haagse kaasstolp, met euro-Engels als lingua franca, dat niet alleen de boosheid van Henk en Ingrid kanaliseert maar ook die van gelijkgezinde Wutbürger in andere Europese landen. Hij bouwt aan een pan-Europese club die de politieke versnippering van nationalistisch rechts opheft en tegenwicht kan bieden aan de bestaande christen-democratische, liberale, socialistische en groene Internationales. De uitkomst ervan zal, net als op nationaal niveau, een versterking zijn van de democratische legitimiteit van het Europarlement. En niet de opheffing van Europa, de afschaffing van de euro, de ontmanteling van Brussel of een dergelijke radicale pijpdroom.


Dick Pels is socioloog en publicist. Zijn laatste boek is Het volk bestaat niet: Leiderschap en populisme in de mediademocratie (2011)

Beeld Wilders: Every Jan Daniels / HH