6 augustus 1951 - 31 juli 2011

Wilfred Oranje

Zijn meesterwerk als vertaler was het complete werk van Sigmund Freud. Oude meesters hadden zijn voorkeur, want na de Tweede Wereldoorlog waren er geen goede boeken meer geschreven.

WILFRED ORANJE WAS een markante figuur in de vertalerswereld, al van grote afstand te herkennen: rijzige gestalte, piekerig haar, enigszins afgedragen colbertje met leren elleboogstukken, zijn bril halverwege zijn neus en onveranderlijk een uiterst dun shagje (zware Van Nelle) tussen zijn vooruitgestoken, vochtige lippen. Hij was altijd druk in gesprek, in welk gezelschap dan ook, en meestal ging het over grote thema’s, hoewel hij de sappige roddel niet schuwde.
Hij was een man met uitgesproken, bijna altijd tegendraadse meningen, die hij met verve maar nooit zonder ironie en zelfspot verdedigde. Zo kon hij je haarfijn uitleggen waarom het vooroorlogse Duitse woordenboek van uitgeverij Wolters-Noordhoff stukken beter was dan het prestigieuze, eigentijdse Van Dale Groot woordenboek Duits-Nederlands, of dat Heinrich Mann een betere schrijver was dan diens veel beroemdere broer en Nobelprijswinnaar Thomas. Hij had niet veel op met de digitale verworvenheden. Hij weigerde heel lang per e-mail te communiceren. Digitale woordenboeken waren voor hem uit den boze; hij moest de zwaar beduimelde bladzijden van zijn woordenboeken en naslagwerken tussen zijn vingers voelen. Toch liet hij zich de gemakken van internet niet ontgaan: hij volgde urenlang belangrijke schaaktoernooien en cricketmatches online. Cricket en schaken, dat waren de enige sporten waarvoor hij waardering kon opbrengen. Hij schaakte in clubverband, met veel overgave en ambitie. De data waarop hij competitie moest spelen, waren hem heilig.
Wilfred Oranje’s vertaaloeuvre is indrukwekkend, zowel van omvang als van kwaliteit. Hij vertaalde voornamelijk uit het Duits, een taal die hij zich door lezen eigen maakte. Hij was trouwens in alle opzichten een autodidact: hij studeerde weliswaar Russisch en rechten, maar maakte geen van beide studies af. ‘Op een dag merkte ik dat ik helemaal niet meer studeerde, maar vertaler was geworden’, luidt de even bondige als laconieke analyse van zijn 'vertaalopleiding’. Hij vertaalde zowel fictie als non-fictie, wat voor een literair vertaler uitzonderlijk is; en in beide genres bereikte hij een hoge graad van perfectie, wat nóg uitzonderlijker is. Hij had voor geen van beide genres een echte voorkeur, sterker, voor hem was het onderscheid tussen die twee kunstmatig en weinig relevant, met name in vertaaltechnisch opzicht. 'Niet het verschil tussen fictie en non-fictie is in mijn ogen relevant bij het vertalen, maar de vraag of de auteur goed of slecht schrijft. Een vertaler is een van de eersten die merkt dat er in de te vertalen tekst iets hapert. En een slecht geschreven tekst in de brontaal leidt onvermijdelijk tot een slechte vertaling.’
Na een paar vingeroefeningen in de vorm van vertalingen van artikelen (in zijn hoedanigheid van redacteur van het filmtijdschrift Skrien), kwam zijn vertaalcarrière in 1982 echt op gang, toen hij door uitgeverij Boom gevraagd werd samen met Thomas Graftdijk de vertaling van het volledige werk van Sigmund Freud op zich te nemen, een titanenwerk dat hij na het overlijden van zijn vriend en collega Graftdijk alleen afrondde en dat uiteindelijk in 2006 culmineerde in de monumentale, elfdelige Freud-editie (voor een even monumentale winkelprijs van 995 euro). Deze prestatie leverde hem in hetzelfde jaar, op voordracht van de Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse, een koninklijke onderscheiding op, die hij als overtuigd republikein en ex-communist met enige aarzeling aanvaardde. Het was de bekroning van wat men gerust een levenswerk mag noemen; hij werkte er, zij het met onderbrekingen, bijna 25 jaar aan. Hoewel hij nooit zonder spot en verlegenheid over de onderscheiding sprak, stak hij de terechte trots en voldoening over het project zelf niet onder stoelen of banken. Hij ervoer het dan ook als een grote klap voor hem persoonlijk (en voor de reputatie van de door hem zo hoog gewaardeerde Sigmund Freud) toen hij te horen kreeg dat nog geen vijf jaar na verschijning deze unieke editie voor de vernederend lage prijs van 79,95 euro in de ramsj lag. Het was een dieptepunt in zijn aan hoogtepunten zo rijke carrière.
Een van die hoogtepunten was de toekenning van de vertaalprijs 2007 van het Fonds voor de Letteren. De jury roemde zijn veelzijdigheid, zijn vakmanschap, zijn werklust; ze prees met name zijn vertalingen van de oude meesters uit de Duitse literatuur, Goethe, Friedrich Schiller, E.T.A. Hoffmann, Heinrich Heine, Adalbert Stifter, Theodor Fontane en Joseph Roth: 'Zonder de tekst te vereenvoudigen, te moderniseren of anderszins aan te passen produceert Oranje vertalingen die je bijna niet kunt wegleggen: prachtig Nederlands, klassiek, maar niet hinderlijk ouderwets.’ De oude meesters, daar ging Wilfred Oranje’s literaire liefde naar uit. Een van zijn sterke meningen was dat er na de Tweede Wereldoorlog geen goede boeken meer geschreven waren (en ook bij het verkondigen van deze mening klonk de bekende ironische ondertoon door in zijn stem). De laatste twintig jaar van zijn carrière stelde zijn inmiddels gevestigde reputatie hem in staat alleen nog oude meesters te vertalen en genoot hij het voorrecht met teksten aan de slag te gaan waaraan 'niets haperde’.
Een jaar of drie geleden openbaarde zich bij hem een nieuw talent, dat van leraar. Hij ging, zij het aarzelend ('wat kunnen die kinderen nu van mij leren?’) in op het verzoek van de Amsterdamse Vertalersvakschool les te komen geven. Gaandeweg kreeg hij steeds meer plezier in zijn leraarschap, en de 'kinderen’ kregen ook steeds meer plezier in hem, niet in de laatste plaats vanwege zijn humor.
In de zesde klas van het gymnasium in zijn geboortestad Haarlem wilde Wilfred Oranje ambassadeur in Moskou worden (vandaar de studies rechten en Russisch). Literatuurminnend Nederland mag de voorzienigheid danken dat ze dat verhinderd heeft.