De geschiedenis van joodse voetbalclubs

Wilhelmina vooruit

Ajax was geen joodse voetbalclub. Vijf andere Amsterdamse verenigingen waren dat wel. Een bewogen en tragische geschiedenis.

HET IS AUGUSTUS 1946 als Leo van Geuns de 73 namen op ledenlijst van de Amsterdamse voetbalclub Wilhelmina Vooruit voor het seizoen 1941-1942 met een potlood langsloopt. Van Geuns zet een kruisje bij de leden die de oorlog niet hebben overleefd. De secretaris, zelf een paar maanden eerder uit een concentratiekamp teruggekeerd, zet uiteindelijk 49 kruisjes.

De lijst is als bewijsstuk toegevoegd aan het verslag van de zitting van de Raad van het Rechtsherstel op 2 september 1946. Wilhelmina Vooruit stond hierin tegenover de koninklijk goedgekeurde gymnastiekvereniging Zeeburg. Deze club was in september 1941, nadat het voor joden verboden was om te sporten, de nieuwe huurder van het voetbalveld op sportpark Voorland geworden en weigerde nu te vertrekken. Belangrijkste argument: men vond niet dat Wilhelmina Vooruit een joodse vereniging was.

Op 25 mei 1908 richtten zeven tieners een voetbalvereniging op. Elk lid betaalde 35 cent entreegeld en nadat de statuten in een schriftje waren genoteerd, kon een leren bal worden aangeschaft. Het eerste veld was een braakliggend stukje grond, de doelen werden gevormd door twee palen met een touw ertussen. Het moeilijkste punt op de oprichtingsvergadering was de naam van de club. Uiteindelijk werd voor ‘Wilhelmina’ gekozen. ‘Er zijn er, die deze naam mooi vinden, anderen vinden ’m belachelijk. Never mind. What’s in a name’, relativeerde later een van de oprichters.


De jongens van Wilhelmina, die later de naam van de club moesten veranderen in Wilhelmina Vooruit omdat er al een andere voetbalvereniging Wilhelmina bestond, legden een groot organisatietalent aan de dag. Anderhalf jaar oud werd de club tot de Amsterdamse Voetbal Bond (AVB) toegelaten en in hetzelfde jaar verscheen een gedrukt verenigingsblad. Een primeur, want een gedrukt orgaan had zelfs het sjieke AFC niet. In 1912 werden zelfs wedstrijden in Duitsland gespeeld.


Hortus (1912), Eendracht Doet Winnen (1913), Be Quick Pollux Combinatie (1922), Overwinning Door Eenheid (1909) en Allen Eén Doel (1920) werden op vergelijkbare wijze opgericht. De verenigin-gen hadden één aspect gemeenschappelijk: het overgrote deel van de leden was joods.



‘IK WOONDE IN de Blasiusstraat’, herinnert zich de journalist en romancier Milo Anstadt. ‘We voetbalden waar nu de Wibautstraat is. Het muurtje voor de tunnelingang was ons doel, de voorzetten kwamen uit de zijstraat. Elke dag waren we daar te vinden. De ene kwam uit school, de ander van z’n werk en om vijf uur stond je te voetballen tot zes uur, ’s zomers tot laat in de avond. Al die jongens werden op een gegeven moment lid van HEDW.’


Op het Smaragdplein voetbalden de gebroeders Luc en Harrie Sacksioni, onder anderen met Loe de Jong en zijn broer. Het waren actieve ledenwervers voor hun club. Luc Sacksioni: ‘Dat Smaragdplein was vooral een voetbalveld. Je haalde er altijd wel jongens uit waarvan je dacht dat ze bij ODE pasten.’


De trapveldjes vormen de belangrijke verklaring voor het joodse karakter van de voetbalclubs. Als vanzelf ontstonden rond de veldjes in overwegend joodse buurten ook overwegend joodse verenigingen. Als je in de Tugelaweg of Retiefstraat woonde, voetbalde je bij HEDW, de Smaragdstraat was voor Wilhelmina Vooruit en in de Blasiusstraat voerden de twee clubs een felle concurrentiestrijd, zo kan uit de ledenlijsten worden opgemaakt.


Opvallend is dat de verenigingen veel joodser waren dan de buurten waaruit hun leden kwamen. In 1941 was dertig procent van de inwoners van de Transvaalbuurt joods. In de Rivierenbuurt was het percentage veertig. HEDW had daarentegen negentig procent joodse leden en bij Wilhelmina Vooruit lag het percentage rond de tachtig.


De keuze van de joodse jongens voor joodse clubs was een vrijwillige, zo komt echter uit interviews naar voren. Joodse leden werden niet geweigerd bij algemene Amsterdamse voetbalverenigingen. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de roeisport, waar bij koninklijke vereniging De Hoop joden tot 1948 niet door de ballotage kwamen.


De Amsterdamse joodse clubs zijn het resultaat van een wederzijds in- en uitsluitingsproces. Joodse jongens werden lid gemaakt door hun broers of vriendjes. Er bestond hierdoor geen noodzaak om een eventuele etnische drempel te slechten. Een club die eenmaal het etiket ‘joods’ had, werd minder aantrekkelijk voor veel niet-joodse Nederlanders. Of zoals David van Minden (Wilhelmina Vooruit) het zegt: ‘De weinige niet-joden die er waren, waren zo! Anders ga je niet tussen een stelletje joden spelen.’



AED, ODE, BPC, HEDW en Wilhelmina Vooruit hadden aantrekkingskracht op verschillende groepen binnen de joodse gemeenschap. AED vond zijn basis in de buurt rond het Waterlooplein. ‘Het was een heel hechte club’, vertelt Sam de Hond, de vader van opiniepeiler Maurice. ‘Net een gezin. Niet groot, misschien zes, zeven elftallen, maar naar het eerste kwamen een paar honderd leden kijken. De club was voor 98 procent joods. Er speelden twee niet-joden mee.’


De meeste leden waren arm, net als bijna alle buurtgenoten. Ook bij Sam de Hond thuis hadden ze het niet rijk. ‘Mijn moeder was een bekende straatfiguur. Ze stond met een fruitkar bij het oude Wilhelmina Gasthuis. Ze heette Marianna, maar werd altijd Tante Saar genoemd. In d’r eentje moest ze twaalf monden vullen. Het was armoe troef.’


AED was echter ook een beruchte club. ‘Het was een heel erg joodse vereniging’, zegt HEDW-lid Michél Agsteribbe. ‘Als ze tegen christelijke verenigingen speelden was het vaak vechten. Niet dat het altijd hun schuld is geweest, maar ze praatten altijd zoveel in het veld. En als ze dan tegen christelijke verenigingen speelden, dan werd er wel eens gespot.’


‘AED was toch een beetje minder dan de andere verenigingen’, zegt ook HEDW’er Louis Beem. ‘Prima mensen hoor, daar niet van. Vaak handelaren van het Waterlooplein, maar misschien wel wat driftig. Er waren wel eens incidenten.’


ODE, dat ook zijn thuisbasis in de jodenhoek had, was een heel andere club, benadrukt Luc Sacksioni. ‘Nou, het klinkt misschien gek, maar ODE vond ik altijd een beetje meer elite dan AED en HEDW. Wij hadden een bestuur met voorzitter Mapurgo, dat was de directeur van Metz & Co. Pais had wel zes, zeven boekwinkels. Broers was een grote lompenhandelaar. Dat waren allemaal heertjes, hoor. AED was helemaal van de volksjoden. Die zaten er ook bij ons, hoor. De Polakkies in de Jodenhouttuinen, nou dank je de koekoek, je keek je ogen uit. Dat mensen daar konden wonen. Maar de één stond op de markt en liep met de voddenkar, de ander had winkels. Die winkellui, de kleine middenstand, zaten bij ODE.’


‘HEDW was een arbeidersclub’, zegt Milo Anstadt. ‘Voor negentig procent joods.’ Hij was ook lid van de jongerenorganisatie van Anski, een socialistische vereniging van oost-joden. Het waren twee totaal verschillende werelden. ‘Bij Anski waren we meer met ontwikkeling bezig. Samen boeken lezen, praten, weekeinden naar buiten gaan. De mensen daar hadden een ander niveau.’


Toch had ook de HEDW-leiding een pedagogisch doel, vermoedt Anstadt. ‘De jeugdleider was een gymnastiek-onderwijzer. Ongetwijfeld had de leiding een sociaal-democratische inslag. Dat zal niet in de statuten hebben gestaan, maar het was wel een onbewuste leidraad. Ze wilden de joodse jongens van de straat houden.’


Bij Wilhelmina Vooruit voetbalden de HBS’ers Hans en Benno Aussen. De club werd ook wel het joodse AFC genoemd. ‘Het was geen volksclub, maar een club van beter gesitueerden’, zegt Benno Aussen. ‘Iedereen had een goede baan. Het was een bovenlaag.’ De leden waren sterk geassimileerd. ‘Het was een joodse club die een kerstfuif organiseerde.’


‘Er werd heel veel gelachen en heel slecht gevoetbald’, herinnert zich Deetje van Minden. ‘Het was een heel behoorlijke vereniging. Heel anders dan AED of ODE. Dat was geteisem, maar wel leuke jongens.’


De club zelf hing de visie aan dat sport niet te maken had met afkomst, religie of politieke opvatting. Een anonieme redacteur schrijft in 1933 in het verenigingsblad: ‘Waarschijnlijk is er ook geen club in ons land waarin zoo zeer de verschillende religiën verenigd zijn als in WV. En wie in deze veelbewogen tijden mocht gaan twijfelen aan z’n eigen idealen van verbroedering en vrede, die zie terug op de 25 jaren van WV die onomtstootelijk het bewijs leveren dat menschen van verschillend ras, geloof, rang en stand in ware vriendschap uitstekend samen kunnen leven.’



HET WAREN GROTENDEELS geassimileerde joden die voetbalden in joodse verenigingen. Of ze nu tot het lompenproletariaat behoorden, tot de arbeidersklasse, de middenstand of de elite; door in een joodse vereniging te voetballen, werden ze door de buitenwereld vooral als joodse groep beschouwd. Dat had consequenties in het Nederland van voor de oorlog.


‘Oh God, moest je naar Ilpendam, Purmerend of Monnikendam, of naar Edam en Weesp. Nou, mensenlief. Nou, dan kwam je het veld op en dan hoorde je: daar heb je de joden. In het schuurtje stonden harken en schoppen opgeslagen. Als het knokken werd, dan holden die gasten naar het schuurtje en werd je van het veld afgeslagen. In die jaren was dat heel heftig’, herinnert zich HEDW’er Michél Agsteribbe.


Antisemitische incidenten deden zich volgens Van Minden minimaal een paar keer per jaar voor. ‘Ik kan me een wedstrijd herinneren, toen werd er ook gejood. Ik wou mijn handen uitsteken en ik ben tegengehouden door een jongen uit m’n elftal. We hebben ze buiten op straat opgewacht op de Middenweg en hebben ze in puin geslagen. Er kwam een politieman en die heeft ons uit elkaar gehaald, ik vergeet het nooit. Hij vroeg: wat is hier gebeurd? Wij zeiden: ze noemden ons klerejoden. Hij zei: o, dan loop ik door, sla ze maar kapot. Ik vergeet het nooit, het gebeurde bij Voorland.’


Over het algemeen wordt aangenomen dat het vooroorlogse antisemitisme in Nederland mild en in ieder geval niet gewelddadig was. De joodse voetballers gingen daarentegen menigmaal op de vuist. ‘In de polder, dat was niet misselijk’, zegt HEDW’er Beem. ‘Ik noem het antisemitisme op klompen. Je ging niet voor de lol naar zo’n uitwedstrijd, ook na de oorlog niet. Er waren altijd wel vervelende opmerkingen. De sfeer was vaak vervelend — hard spel en incidenten.’


Met een politiek getint antisemitisme kwamen de spelers nauwelijks in aanraking. AED’er De Hond is de enige die zich op het veld een botsing met NSB’ers kan herinneren. ‘In het begin van de oorlog, of nog ervoor, was er een voetbalvereniging waarvan bekend was dat ze anti-joods waren. We moesten een keer tegen ze spelen en er was heel veel publiek, allemaal NSB’ers. Ik weet niet meer welke club het was. Ze hadden NSB-spelden op en wat ze niet allemaal geroepen en gedaan hebben. Dat was op het terrein bij die NSB’ers in de Watergraafsmeer.


Toen ze bij ons zouden spelen, op de Middenweg 86, was er een joodse scheidsrechter, Koopman. Wij kregen de vrijheid om te doen wat we wilden. Allemaal jongens die niet bang waren, zoals ik, en die meer schopten dan voetbalden, werden opgesteld. Drie maal moest de GGD komen om iemand op te halen die beschadigd was.’


De enige club waarvan de joodse voetballers zich kunnen herinneren dat er veel NSB’ers voetbalden was AFC. Bij de chique club uit Amsterdam Zuid speelden een paar bekende nationaal-socialisten. ‘De gebroeders Hazenberg — of was het Hazemeier — zaten in AFC’, zegt Sacksioni. ‘Die jongens provoceerden. Ze kwamen naar het veld met hun uniform aan. Daardoor heeft de club de naam van NSB-vereniging gekregen. Want niemand dorst iets tegen ze te zeggen.’



‘AMSTERDAMSE CLUBS beginnen goed’ en ‘Aantrekkelijke opening van het seizoen’. Het zijn twee koppen in de Sportkroniek, het officiële orgaan van de KNVB, van 22 september 1941. Men moet goed zoeken in de uitslagenlijsten om erachter te komen dat de zes wedstrijden van de eerste elftallen van de Amsterdamse joodse clubs en de Haagse joodse vereniging De Ooievaars niet zijn gespeeld. De Duitse bezetter had het betreden van sportinrichtingen voor joden verboden.


Bij joodse voetballers kwam de maatregel ondanks alle eerdere anti-joodse verordeningen vaak als een verrassing. Louis Beem weet het nog precies: ‘We moesten met HEDW op zondag voetballen tegen Swift op het Olympiaplein. Op die velden met een sintelbaan eromheen. Het was het begin van het seizoen, maar midden in de week stond het in de krant. Joden mochten niet meer in parken komen en ook niet meer op voetbalvelden. Ik heb me niet eens afgemeld. Dat deed je toch ook niet als het veld was afgekeurd? Het was duidelijk.’


Voorzover bekend zag geen enkele niet-joodse Amsterdamse voetbalvereniging in de Duitse maatregel aanleiding tot openlijk protest of tot terugtrekking uit de competitie. De voetbalclub AAC trok zich wel het lot van de niet-joodse leden van de vijf joodse verenigingen aan. Eind september 1941 verzocht ze de NVB dringend de overschrijvingsregels te versoepelen, want ‘in de thans ontbonden joodse vereniging zullen ongetwijfeld spelers zijn, die niet getroffen worden door het verbod’.


De meegaande houding van de voetbalbestuurders en clubs ten aanzien van de anti-joodse maatregelen werd in het verzetsblad Het Parool op een sarcastische manier op de hak genomen. ‘Ja, stel u voor! Stagnatie in de voetbalcompetitie. Het is waar: Nederland is in oorlog. Men moet toegeven: er wordt op dit moment een weereld uitgestreden zoals de mensheid dat nog nooit tevooren beleefd heeft. Maar wat zou er voor ramp gebeuren, als intusschen de voetbalcompetitie een beetje zou stagneren. Men mag er niet aan denken…’


De verenigingen hebben in de oorlog zware klappen opgelopen. ‘Bij ons was het afgelopen, vertelt AED’er Sam de Hond. ‘Ik zou niet weten hoeveel leden de oorlog hebben overleefd. In ieder geval niet veel. Zoveel als twee handen vingers hebben, en dan hou je nog over.’


‘Er is een jongen bij me geweest, een christenjongen, die wilde weer beginnen’, herinnert ODE’er Luc Sacksioni zich, die als halfjood in de oorlog door had kunnen voetballen. ‘Maar ja, dan moest ik Ajax uit. Bovendien: we hadden hooguit een stuk of zes, zeven van de honderd leden over. We hadden niet eens elf mensen voor een eerste elftal. Het was onbegonnen werk.’ De arbeidersclub HEDW verloor 77 procent van de 238 leden, het gegoede Wilhelmina Vooruit 69 procent van de 61.


De twee verenigingen en ook BPC worden weer opgericht. Onderduikers en teruggekeerden uit de kampen sluiten zich aan. In het eerste naoorlogse ledenblad krijgt de laatste groep een dringend advies: ‘We kunnen ons levendig voorstellen, dat de mentaliteit van iemand die korten of langeren tijd in een concentratiekamp heeft gezeten, een geheel andere is dan iemand bij wien het leven vrijwel zonder stormen is voorbijgegaan. Maar de eerstgenoemde categorie moet zich er ook van bewust zijn, dat zij weer in het gewone leven is teruggekeerd, met alle rechten en vooral ook de plichten die daar zoo nauw mee samenhangen.’