Lessen uit Soldaat van Oranje

‘Wilhelmina was een gewoon mens’

Een half miljoen Nederlanders zal de musical Soldaat van Oranje bezoeken. Over de incompetentie van politici en het onaantastbaar moreel gezag van de Oranjes. ‘Het leek ver van ons bed/ maar de toon is gezet.’

HET IS EEN BEETJE bedenkelijk om op pad te worden gestuurd naar een musical als Soldaat van Oranje om daarmee een bijdrage te leveren aan een themanummer over ‘het volk’. Is 'de musical’ dan een plek waar dat volk in massa bijeenkomt en waar het zich zonder risico laat observeren? Is de musical zo populair?
De cijfers zeggen van wel. Gegevens van het Sociaal en Cultureel Planbureau laten zien dat binnen de podiumkunsten de toeloop tussen 1991 en 2002 groeide van tien miljoen bezoekers tot zestien miljoen, een toename van zestig procent. Daarin is de sterke opkomst van het cabaret verrekend, maar het leeuwendeel van de groei werd geboekt door de musical, door Cats, The Lion King, Annie, Oliver Twist, enzovoort. Dergelijke voorstellingen, geschoeid op de leest van een Broadway- of West End-productie, waren vroeger te duur en te ingewikkeld voor Nederland, waar het theaterpubliek conservatief en chauvinistisch was en de infrastructuur te benepen. Men was wel te porren voor een eigen product van Wim Sonneveld of Annie M.G. Schmidt, en men ging naar de revue en de operette, maar dat was altijd bescheiden van omvang. De uitzonderingen die de regel bevestigden waren Hair (vanwege het bloot) en Jesus Christ Superstar.
Dat is nu allemaal heel anders. Grote investeringen en fanatieke marketing (dat vooral) hebben de sector tot aanzienlijke bloei gebracht. Op de avond dat ik Soldaat van Oranje bezocht had ik ook naar Miss Saigon in Utrecht kunnen gaan, naar Wicked in Scheveningen en Zorro in Eindhoven. Als ik werkelijk de wanhoop nabij was geweest had ik ook nog naar Tineke Schoutens LOL Inclusive gekund, in Leiden, maar dat is toch echt iets voor diehards. Wat daarmee ook veranderd is, is de status van het genre. Vroeger zou een 'serieuze’ theatermaker als Theu Boermans zich niet hebben afgegeven met het banale, zo sterk 'Amerikaanse’ product, maar nu engageert iedereen zich zonder enige reserve. Dat heeft onmiskenbaar een gunstig effect op de kwaliteit; en passant wordt ook de carrière van menig acteur uit de B-garnituur nieuw leven ingeblazen.
Heeft de musical ons dus definitief bevrijd van de kloof tussen hoge en lage cultuur? Het is onzin om de musical nog te zien als entertainment voor alleen het volk; het is onzin te denken dat tennis en golf nog sporten voor kakkers zijn, het is onzin te denken dat de gewone man niets van klassieke muziek begrijpt en onzin te denken dat de elite niet van voetbal houdt. Dát is althans het dogma van de egalitaire open samenleving, zoals de gezeten blanke burgerij die graag begrijpt: wij zijn allemaal gewone mensen, alles is gelijkwaardig, iedereen kan overal naartoe, de verheffing van het proletariaat is voltooid en het vaandel waaronder wij Nederlanders elkaar vinden is niet rood, maar oranje. En wie dat niet begrijpt hoort er niet bij.
Soldaat van Oranje is een Nederlandse theaterproductie van Robin de Levita en Fred Boot, geregisseerd door Theu Boermans, losjes gebaseerd op het boek van Erik Hazelhoff Roelfzema en de beelden van Paul Verhoevens gelijknamige film. De voorstelling zit elke avond vol. De selling-points zijn het verhaal, de locatie en de zaaltechniek. De theaterzaal is ondergebracht in een hangar van het militair vliegveld Valkenburg, tussen Leiden en Katwijk. Het publiek - elfhonderd stoelen - bevindt zich op een enorm draaiend podium dat 360 graden bestrijkt en langs verschillende grote decors heen en weer reist. Het meest spectaculaire deel daarvan is een waterbassin met een heus strand: de personages zien daar het bombardement op Rotterdam, ze kiezen er zee in een echte boot en ze slaan in de golven echt om.
De plaatskaarten variëren van 39 tot 85 euro. Een parkeerkaart kost tien euro. In de foyer wordt oranjebitter geschonken. Er is een klein museumgedeelte dat zich richt op kinderen ('Wat zou jij doen?’). Een deel van het restaurant is gereserveerd voor werknemers van 'Tenne Cosmetics’. Het publiek is geheel blank en niet jong. Vijftigers, zestigers, zeventigers, een enkele familie, een dozijn rolstoelen. Heren dragen jasjes of hun beste kleurige overhemd, dames hebben hun haar gedaan. Men is wat gespannen, omdat de foyer iets provisorisch heeft, met weinig zitjes, maar ook omdat men duidelijk niet vaak in het theater komt. De juiste plaats vinden is nog een hele opgave.
De voorstelling is technisch inderdaad interessant. Die ronddraaiende zaal, de echte motorfietsen, de projectie van een luchtgevecht, de historische beelden: innemend. De regie van Boermans is vooral goed in de organisatie van die technische middelen, de verrassende afwisseling, maar ik kan me niet voorstellen dat hij bijzonder trots is op het getoonde spel, dat maar een heel enkele keer enige flair of diepgang heeft. De muziek is voldoende energiek, maar niet van het niveau Elton John of Andrew Lloyd Webber. Er zijn geen showstoppers bij en geen deuntjes die blijven hangen. De cast heeft het bovendien niet makkelijk met de houterige, brokkelige teksten, die geen enkele jeu bevatten en nauwelijks het sinterklaasrijm overstijgen. Na de Duitse inval zingt Erik 'Het leek ver van ons bed/ maar de toon is gezet’ en 'Zij is over zee/ Ons vorstenhuis telt niet meer mee’.
De dialogen worden allemaal opgewonden gebracht, alsof men niet versterkt is, en ze zijn ergerlijk schematisch. Als er slecht nieuws wordt gebracht - en daar is veel reden toe, het is immers oorlog - dan reageert de aangesprokene altijd met 'Wat?’
'Ze hebben Charlotte gepakt!’ 'Wat?’
'Zijn broer is gesneuveld!’ 'Wat? Wanneer?’
'Bram is dood.’ 'Wat?’ 'Gefusilleerd door Anton.’ 'Dat meen je niet.’ 'O mijn god.’
Ik overdrijf niet. Het curieuze is dat het publiek de handeling, die aan die mededelingen voorafgaat, meestal net uitentreuren heeft gezien en dus lijkt het raar dat de personages elkaar ook nog eens op de hoogte moeten brengen. Dat is een merkwaardig horror vacui, een drang tot het volledig invullen van elke denkbare lacune die wel een heel laag inlevingsvermogen van de toeschouwer veronderstelt. Het was allemaal heel erg, toen, en dat wordt erin gehamerd. Alle Duitsers schreeuwen. Gaandeweg wordt de beklemming van de Bezetting toch voelbaar, in die zin dat ik tijdens de voorstelling sterk de behoefte kreeg om naar Engeland te vluchten.
Meer dan één bezoeker noemde het in de pauze 'een hele geschiedenisles’ en dat was goed gezien. Maar wat voor les? Ik telde er drie. Ten eerste wordt de bezoeker voorgehouden dat verzet een zuiver individuele keuze is. De studiegenoten van Hazelhoff kiezen allemaal anders, en allemaal uit persoonlijke motieven. Ideologie speelt nauwelijks een rol. De een houdt zich afzijdig en vertrouwt op God, een ander kiest voor de nazi’s omdat zijn moeder Duits is, een derde doet niks. Ook Hazelhoff deed eerst niks; pas toen wat de Duitsers deden hem persoonlijk raakte (hier: de ariërverklaring van de Leidse universiteit) kwam hij in actie. Niet vanwege het geschonden vaderland, niet tegen het fascisme zelf, niet vanwege de jodenvervolging en zeker niet uit religieuze overtuiging. Alleen de aantasting van individuele levenssfeer telt; het enige wat daarbuiten als gemeenschappelijke waarde wordt erkend is het koningshuis. Dat lijkt vooroorlogs, maar het klinkt heel 21ste-eeuws.
Ten tweede: de elite is laf en politici zijn incompetent. Hazelhoff is weliswaar lid van Minerva, maar in de ontgroeningsscène maakt hij meteen duidelijk dat hij er niet werkelijk bij hoort - hij zit er voor zijn cv. De bevoorrechte jongens ontbreekt het bijna allemaal aan ruggengraat. Van Hout, Hazelhoffs kameraad, zoon van een generaal, is een bangerik. De capitulatie is de schuld van generaal Winkelman. Wilhelmina maakt tot zes keer toe haar kabinet uit voor slapjanussen 'die niets doen’. Als ze Hazelhoff tot Ridder MWO slaat ('U bent de ware adel van ons land’) betekent dat dat ook de slungelige kolonel der mariniers ter plekke voor hem moet salueren: verdienste gaat voor rang. Het gaat erin als koek.
Ten slotte: Soldaat van Oranje is een bijna absurde hagiografie van koningin Wilhelmina en met haar het hele Oranjehuis. Het idee werd in Verhoevens film al geïntroduceerd, maar het is hier in steen geschreven: Wilhelmina stond pal, Wilhelmina leed mee met haar volk, Wilhelmina was liever aan het front gesneuveld en bovenal was Wilhelmina 'een gewoon mens’. Het is de hofhouding die - in een komisch nummertje - de Engelandvaarders de elitaire maniertjes wil bijbrengen waar Wilhelmina zelf een broertje dood aan heeft: 'Doe mij ook maar een neutje’, zegt ze. Het lijkt mij duidelijk dat die doelbewuste simplificatie van het moreel gezag van de Oranjes een actuele waarde heeft. In dat silhouet van Wilhelmina passen Juliana en Beatrix ook. En was die oude Hazelhoff zelf niet bijzonder op Willem-Alexander gesteld?
Herman Pleij mag er graag op wijzen dat 'gewoon doen, in de zin van niet aanstellen en geen verbeelding tonen (…) allengs is verheven tot zowel herkenningsteken als toetssteen van modern Nederlanderschap. (…) Niemand vindt zich gewoon in Nederland, maar onder hoog en laag zijn opmerkingen als “ik ben maar een heel gewoon mens” bijzonder in trek. Dat is een tamelijk geraffineerde manier om de eigen voortreffelijkheid te afficheren.’ Zeer dicht ligt dat bij de boodschap van deze voorstelling, en dicht bij, zo vermoed ik, de moraal van de elfhonderd blanke Nederlanders die ernaar kwamen kijken. Gesticht door het drama wandelden zij naar buiten. Ik ben benieuwd waar zij de volgende keer op gaan stemmen.

Soldaat van Oranje, De TheaterHangaar, Valkenburg/Katwijk, t/m april 2012. www.soldaatvanoranje.nl