Brexit - De Europese toekomst van het Verenigd Koninkrijk

‘Will she stay or will she go?’

Op 23 juni beslist Engeland of het in de EU blijft. Remainers staan tegenover Brexiteers. Zowel blijven als weggaan staat garant voor ellende. De emoties zijn heftig in this proud nation.

Medium anp 45933411

Hemel Hempstead, 1 juni 2016 – Nog ruim drie weken te gaan tot het Britse referendum over de vraag of het land al dan niet lidstaat van de Europese Unie moet blijven, en nu al wordt het vooruitzicht van de zeven plagen in bijbelse allegorie over de kiezers uitgestort – of ze nu vóór of tégen een blijvend lidmaatschap van de EU zullen stemmen. De peilingen wijzen – nog – op een nipt vóór, maar iedereen klaagt: middelbare mannen in grijze pakken slaan elkaar met onheilsboodschappen om de oren en de kiezer weet niet wie hij moet geloven. En waarom.

Dit zijn de dreigementen. Er komt bij een Brexit respectievelijk een langdurige recessie, een waardedaling van de pond, voor elk huishouden een gegarandeerde inkomstendaling van 4400 pond per jaar en misschien wel een oorlog. Dat vooruitzicht schilderen de Remainers, degenen die willen blijven, premier David Cameron voorop. Je weet wat je hebt, niet wat je krijgt, is hun boodschap. En: in een toenemend gevaarlijke wereld ga je je niet losmaken van je natuurlijke bondgenoten.

In het andere kamp de Brexiteers: Boris Johnson, de flamboyante ex-burgemeester van Londen, boegbeeld voor ‘Vote Leave!’ en – op veilige onderlinge afstand om vooral niet door elkaars aura besmet te raken – Nigel Farage van ukip. Dat is de rechtse partij die al sinds 1991 haar bestaansrecht op een Britse toekomst buiten Europa grondvest en naar wier lokroep steeds meer Conservatieven het oor laten hangen. Johnson en Farage brengen opwinding en spanning in de tent: de stoute jongetjes van de klas die pijltjes op het gezag afvuren. Hun visie: horden arme immigranten uit toekomstige EU-landen als Macedonië en Albanië en, vooral, Turkije, met dáárachter weer heel sub-Sahara-Afrika, staan straks onhoudbaar in Dover voor de deur. Wie houdt ze tegen?

En wat de economie betreft: de natie – this proud nation – heeft zich altijd in z’n eentje kunnen redden, dus waarom in de toekomst niet ook? De Brexiteers dreigen vooral hiermee: als de Britten zich niet losmaken uit de EU, niet in staat zijn om hun eigen grenzen te trekken en te bewaken, dan gaat de ‘eigen cultuur’ voorgoed verloren. Want ‘Brussel’ koerst alleen maar aan op verdere Europese integratie en iedere Brit weet: binnen de EU is Brussel de baas en heeft Londen weinig tot niets te zeggen. Wie, zegt het Vote Leave-kamp, wil er lid blijven van een miljarden verslindende organisatie die ondemocratisch en intern verdeeld is, die zich met 28 landen in een keurslijf heeft geperst van één muntstelsel dat binnenkort zeer wel kan imploderen en dat desondanks plannen maakt voor één belastingstelsel? Voor één Europees leger? In de woorden van de historicus Andrew Roberts: ‘Er is niets oneerbaars aan om als eerste rat het zinkende schip te verlaten.’

Elke nuance is al lang uit het debat verdwenen. Alle onheilsboodschappen van groten der aarde, van Christine Lagarde van het imf tot de tactloze Jean Claude Juncker van de Europese Commissie, tot zelfs president Obama bij een bezoek aan Londen, wekken bij de kiezers alleen maar irritatie over wat gevoeld wordt als inmenging in hún debat. Voorbeeld: Obama’s veel geciteerde uitspraak over hoe de Britten zich als niet-EU-land bij toekomstige onderhandelingen over bilaterale handelsbetrekkingen met de VS zouden moeten aansluiten ‘at the back of the queue’ werd ogenblikkelijk geïnterpreteerd als door het Cameron-kamp gedicteerd. Uitleg: Amerikanen zeggen niet: at the back of the queue. Amerikanen zeggen: at the back of the line.

Engeland (lees: het Verenigd Koninkrijk) heeft zich altijd anders gevoeld dan de rest van Europa. Een eilandstaat, apart van het continent, met de blik bijna meer naar Amerika en, over Europa heen, naar zijn voormalige empire gericht, dan naar de dichtbije buren op het vasteland. De grote Britse staatsman Winston Churchill, van wie het wel eens lijkt of hij eigenhandig ‘de vrije wereld’ (Europa) heeft gered van een moreel verdorven naziregime, begreep heel goed dat de verdediging van de eigen grenzen begon op ‘het continent’. Dat hij na de Tweede Wereldoorlog pleitte voor ‘een soort Verenigde Staten van Europa’, zodat Europese volken nooit meer tegen elkaar oorlog zouden voeren, heeft daarmee alles te maken. Maar die ideologische grondslag is al lang ondergesneeuwd en Boris Johnson, die zich graag in de mantel van Churchill hult, heeft het liever over datgene waarin Churchill óók geloofde: de ‘soevereiniteit’ van Groot-Brittannië en daarmee het primaat van het Britse parlement.

In deze laatste week van mei ben ik terechtgekomen in Hemel Hempstead, een stadje op zo’n veertig kilometer ten noorden van Londen. Uitgerekend hier wil ik de sentimenten peilen die op 23 juni bij het referendum de doorslag zullen geven, omdat ik hier als piepjonge stagiaire bij de regionale Evening Post (al lang ter ziele) van de hoofdredacteur de opdracht kreeg om op de markt stalhouders te ondervragen over de decimalisering (1971) van het Britse muntstelsel. In de aanloop naar een toekomstig lidmaatschap van de Europese Economische Gemeenschap verdwenen eenheden als de guinea en de half crown en waren ponden en shillings niet langer een veelvoud van zes of twaalf, maar voortaan deelbaar door tien.

Ik herinner me een donkere ochtend, midden in de winter en vooral boze slagers die, rood aangelopen boven de bacon en het lamsvlees in hun kraam, mopperden over ongerief. Decimalisering – ‘Daarmee begon de Ellende’, kopte de Daily Mail onlangs nog. ‘That’s when the Rot Set In.’

Schaduwen van wij-zijn-een-wereldnatie hangen nog altijd over de Britse eilanden. Het Gemenebest van 53 voormalige Britse koloniën met koningin Elizabeth II aan het hoofd; de zestien landen over de wereldbol verspreid waar de Britse monarch nog steeds staatshoofd is; de vanuit Londen immer benadrukte special relationship met Washington, dat het VK lang als een soort vooruitgeschoven vertegenwoordiging in Europa heeft gezien; het Britse permanente lidmaatschap van de Veiligheidsraad; zijn economische en militaire macht en ook de lingua franca-status van het Engels – dat alles maakt Britain will be great again! tot een verleidelijke slogan. Ook buiten het voetbalveld. Het was daarom een schok toen twintig jaar geleden een minister van Buitenlandse Zaken het zei zoals het eigenlijk nu is: ‘Wij zijn een tweederangs land dat in een te hoge gewichtsklasse uitkomt.’

In een business unit op een bedrijventerrein aan de buitenkant van Hemel schuift plaatselijk zakenman John Ellison, een 55-jarige ingenieur-uitvinder, mij bij wijze van argument EU-regel 1333/2011 inzake de marketingstandaard voor bananen toe. Brusselse regelgeving inzake lengte en mate van kromming van bananen staat in het VK symbool voor de Europese bureaucratische bemoeizucht tot in de kleinste details. Niet toevallig was Boris Johnson in zijn tijd als Brussel-correspondent voor de rechts-conservatieve Daily Telegraph (begin jaren negentig) de bron van vele artikelen in de categorie rechte bananen. Waarvan een aantal aantoonbaar uit de duim gezogen.

Ellison laat zich niet graag sprookjes vertellen. Hij heeft dus het door de EU gepubliceerde artikel inzake het op de markt brengen van bananen zelf opgevraagd, toen iemand weer eens tegen hem begon over nieuwe bananenregels. Artikel C heeft hij rood gemarkeerd: ‘De bananen moeten aangeboden worden in kammen of trossen (onderdeel van kammen) van tenminste vier vingers. Bananen kunnen ook aangeboden worden als enkele vingers. (…) Niet meer dan één tros van drie vingers met dezelfde karakteristieken als het andere fruit in de verpakking mag per rij worden aangeboden.’

Ellison vraagt: ‘Wie verzint zoiets dat in zichzelf al tegenstrijdig is? Waar bemoeien ze zich mee?’ Het is de vraag die hier al vanaf het begin van het Europese lidmaatschap in 1975 in de lucht hangt: wie denken onverkozen bureaucraten wel dat ze zijn, met hun regels? En waarom is het dat Britse ambtenaren, áls Londen eenmaal in grote lijnen met een Commissie-voorstel akkoord is gegaan, zo strikt op toepassing daarvan toezien dat markthouders – ‘de metrieke martelaren’ – hun waar niet langer in Engelse ponden (454 gram) mogen aanprijzen en zwaar beboet worden voor vermeend gebrek aan hygiëne, terwijl in zuidelijke vakantielanden de paella en de kazen straffeloos open en bloot verkocht kunnen worden?

Officials Gone Mad is het boek dat de invloedrijke journalist Christopher Booker over dit fenomeen van Britse ambtelijke ijver schreef. Het was een vervolg op een soortgelijk werk over Brussel en de Europese Commissie: The Castle of Lies.

In geen land is vanaf het begin de discussie over het democratisch tekort van een politiek verenigd Europa zo uitvoerig en diepgaand gevoerd als juist in het VK. Voor de Britten geldt dat ze maar één maal hun volkswil hebben mogen uitspreken hierover, want geen partij heeft het al dan niet blijvend Europees lidmaatschap sinds 1974 ooit in het verkiezingsprogramma gehad. In 1975 stemde 67 procent van de bevolking vóór toetreding tot een vrijhandelszone die eeg heette, in het geloof dat die betere economische omstandigheden zou brengen. Een ‘immer hechter politiek Europa’ was niet aan de orde.

Margaret Thatcher zou altijd volhouden dat ze er ingeluisd was door haar pro-Europese kabinetscollega’s toen ze haar handtekening onder de Single European Act zette. Haar late ‘nee, nee, nee!’ was een diep gevoeld protest tegen een politiek verenigd Europa in een tijd dat Nederlandse opinieleiders bovenal ‘goede Europeanen’ wilden zijn en kritiek op de koers binnenskamers hielden. In Engeland zijn de heftige emoties over ‘onverkozen bureaucraten in Brussel’ en over uitspraken van het Europese Hof, die tegen de wil van het Britse parlement ingingen, sindsdien niet meer bedaard.

De grootste grief: je eigen parlement kun je elke vijf jaar naar huis sturen, de machthebbers in Brussel en Luxemburg zijn niet gekozen, maar benoemd. Iedere Brit weet wie zijn Member of Parliament is, bij wie hij wekelijks op spreekuur kan komen en zijn grieven kan spuien. De Europese parlementariërs? Niemand weet wie het zijn. De heilige wet van de democratie: ‘No taxation without representation.’

Terug naar Hemel Hempstead en John Ellison. In het gevecht over ‘in’ of ‘uit’ de EU hebben in het VK over het algemeen de grote bedrijven vóór blijvend EU-lidmaatschap gestemd, terwijl de kleinere bedrijven overwegend áf willen van de hun opgedrongen bureaucratie met haar kosten verslindende administratieve verplichtingen en vooral haar verplichte werknemers beschermende maatregelen.

De outers met wie ik in Hemel Hempstead in contact kom, vallen geen van allen in de categorie ‘little Englanders’ en ‘swivel eyed loonies’ uit de achterban van Nigel Farage. Ellison is een perfect voorbeeld van het cliché van de Engelse uitvinder-ingenieur die in zijn schuur in de tuin eindeloos rondklungelt met onderdelen en dan de computer of de stofzuiger uitvindt. Sinds Margaret Thatcher heet zijn soort ‘the lifeblood of the British economy’, de veelbelovende vrucht waaruit een machtige eik kan groeien. In Ellisons geval: hij bedacht in zijn garage thuis een machine die de ruimte tussen dubbel glas vult met inert gas. Op een milieuvriendelijke manier. Zijn John Ellison Electronics biedt inmiddels aan zo’n honderd mensen in binnen- en buitenland werkgelegenheid en zelf reist hij de hele wereld over. Maar wat betreft de EU en de vraag of het VK de richting daarvan kan bijsturen door lid te blijven… Hij vreest voor de nabije toekomst van de euro, ziet hoe een federale structuur de enige manier is om Europa monetair en politiek te laten werken, maar voorspelt dat ‘de halfslachtige positie waarin we nu met z’n allen zitten’ leidt naar een ‘implosie die zo snel zal komen dat we de tijd niet meer krijgen om aan de handrem te trekken’.

Hij vindt de beste vergelijking nog die met het Eurovisie Songfestival. ‘Laten we onszelf toch niet langer voor de gek houden. Zogenaamd heeft elk land dezelfde kansen, maar het VK zal de wedstrijd nooit winnen. Hoe het allemaal verder gaat met de EU, als dit referendum achter de rug is, is natúúrlijk een politieke beslissing. Wij hebben daarin de macht niet om de koers te wijzigen.’

Hij stemt dus voor ‘uit’, ook al ‘omdat mijn land mij niet opgevoed heeft als Europeaan. Ik ben toch meer een West-Atlantisch wezen en als je naar onze tv-kanalen en onze kranten kijkt, dan begrijp je dat. Ik kom nooit ’s avonds thuis en denk: hoe zou het vandaag in Frankrijk of Duitsland gegaan zijn? Maar ik klik wel cnn aan om te zien waar ze in de VS mee bezig zijn.’

De directeur van een grote Amerikaanse internationale projectontwikkelaar, die op een bijeenkomst van lokale zakenlieden praat over de komst van een immens Amazon-magazijncomplex naar Hemel Hempstead, zegt dat zijn bedrijf officieel voor een EU-Britain is, ‘maar de wereld stort heus niet in als op de 24ste blijkt dat een Brexit een feit is’.

De City, Europa’s grootste en belangrijkste financiële centrum, kan wel of toch niet een klap krijgen. De Brexiteers wijzen erop dat in 2000 de Britse niet-deelname aan de euro ook tot angstaanjagende voorspellingen leidde, terwijl er in Londen nu tweemaal zo veel euro’s worden verhandeld als in de rest van Europa bij elkaar opgeteld. En grote bedrijven baseren hun investeringen ook op de vraag waar de beste golfbanen, scholen en shopping opportunities zijn, als ook op de taal die wordt gesproken. Frans (Parijs) en Duits (Frankfurt) liggen daarom minder voor de hand. Degenen die ‘blijven’ bepleiten, zeggen dat substantiële belastinginkomsten op het spel staan en dat Londen hoe dan ook zijn invloed inzake financiële regelgeving zou verliezen als het niet langer met de beslissers inzake om de tafel mag zitten.

Manoeuvreert de op vijf na grootste economie ter wereld zich dus gevaarlijk dicht naar een geïsoleerde positie als een weliswaar fraai maar los in de Atlantische Oceaan ronddrijvende groep eilanden, waaruit een deel (Schotland) zich ook nog eens dreigt los te maken als een meerderheid van die eilandbewoners Europa de rug toekeert? Brokkelt de noordwestelijke rand van Europa straks af met medeneming van zestig miljoen inwoners en snelt het project EU daarmee een gewisse dood tegemoet?

David Cameron flirtte in 2000, toen hij Member of Parliament voor Witney (bij Oxford) werd, openlijk met euroscepsis. Eenmaal premier gebeurde met hem wat met alle premiers sinds Thatcher is gebeurd: hij bekeerde zich tot Europa ‘in het landsbelang’. Dat landsbelang was altijd de toegang tot de Single Market – tot de opkomst van IS, tot de invasie van Oost-Oekraïne en de Russische bezetting van de Krim, tot de oorlog in Syrië. Nu is het landsbelang vooral security, een woord dat hij in een belangrijke toespraak een paar dagen vóór de aanslagen in Parijs maar liefst 31 maal in de mond nam.

Dat laatste plaatst een oudere generatie, die de Tweede Wereldoorlog nog heeft geproefd, voor een dilemma: vooral zij hunkert naar ‘Britain will be great again’ en ook zij gelooft dat na een Brexit Franse boeren en Duitse autofabrikanten nog even hard hun producten aan hun belangrijkste afnemer, het VK, zullen willen blijven verkopen als nu al gebeurt. Met die handelsovereenkomsten komt het dus wel goed. Maar security, internationale veiligheid?

En de jongeren? Die kennen niet anders dan Europa. Die weten niet van een Engeland zonder Kanaaltunnel en zonder goedkope vluchten naar het Europese vasteland. De aanname is dat jongeren binnen de EU willen blijven. Het dilemma hier: jongeren stemmen veel minder. Cameron heeft niet voor niets de bazen van Facebook, Twitter, Google, Buzzfeed en zelfs Tindr op bezoek gehad in No.10 in de hoop dat te beïnvloeden.

De strijd tussen hoofd en hart – daar zal het op 23 juni vooral om gaan. Ik wed op hoofd. Maar voor het bloedend hart ben ik allerminst ongevoelig.

‘Ik kom nooit ’s avonds thuis en denk: hoe zou het vandaag in Frankrijk of Duitsland gegaan zijn?’

De nationale identiteit

Schotland, Engeland, Wales en Noord-Ierland vormen samen het Verenigd Koninkrijk, maar hebben elk een eigen reden om zich (geen) onderdeel van de EU te willen voelen. Ondanks devolutie van bestuur vanuit Londen naar elk van de delen van het VK vinden de meeste Britten, de Engelsen voorop, zich gezamenlijk in deze gevoelens. Premier John Major probeerde in 1992 zijn eurosceptische achterban gerust te stellen: ‘Over vijftig jaar zal Groot-Brittannië nog steeds het land zijn van lange schaduwen over het eigen cricketveld, van warm bier, van niet klein te krijgen groene buitenwijken, van hondenliefhebbers en van vijverbijvullers en – zoals George Orwell zei – “van oude vrijsters die door de ochtendnevel op de fiets op weg zijn naar de Heilige Communie” en, als we onze zin krijgen, waar Shakespeare zelfs op school nog wordt gelezen. Britain blijft bestaan, onveranderd in al zijn wezenlijke onderdelen.’

220.000 plattelandsvrouwen besluiten hun maandelijkse bijeenkomst met het zingen van William Blake’s (1757-1827) Jerusalem. In dit alternatieve volkslied is Engeland het ‘green and pleasant land’ waar God ‘het Nieuwe Jeruzalem’ zal vestigen. Daarom:

Bring me my Bow of burning gold;

Bring me my Arrows of desire;

Bring me my Spear: o clouds unfold!

Bring me my Chariot of fire!

I will not cease from Mental Fight,

Nor shall my Sword sleep in my hand:

Till we have built Jerusalem,

In England’s green and pleasant Land.

Maar wat Shakespeare schreef (in Richard II) is wat elke Engelsman, elke Brit zelfs, voelt over de bevoorrechte ligging en het landschap van dat eiland waarop hij is geboren en dat hem anders maakt dan zijn onfortuinlijker geboren medemens:

This royal throne of kings, this scepter’d isle,

This earth of majesty, this seat of Mars,

this other Eden, demi-paradise,

This fortress built by Nature for herself

Against infection and the hand of war,

This happy breed of men, this little world,

This precious stone, set in the silver sea,

Which serves it in the office in a wall,

Or as a moat defensive to a house,

Against the envy of less happier lands,

This blessed plot, this earth, this realm, this England,

This nurse, this teeming womb of royal kings,

(–)

This land of such dear souls, this dear, dear land,

Dear for her reputation through the world,

is now leased out…


Beeld: Muurschildering in Bristol roept op om te gaan stemmen (Neil Munns / EPA / ANP)