1 oktober 1951 – 9 november 2012

Will van Kralingen

Ze was maar ‘van’ twee toneelgezelschappen. Daarna was Will van Kralingen voornamelijk van zichzelf. ‘Ik hoor nergens bij. Ik ben alleen.’

Het is op de kop af zes jaar geleden, het pontificaal verschijnen van Will van Kralingen als koningin Elisabeth de Eerste in Maria Stuart. Schiller heeft ons een vol bedrijf laten wachten. En daar is ze dan. Om met vileine ironie het einde van haar vrijgezellinnenstaat aan te kondigen: ‘Mijn onderdanen willen het niet zo/ Zij denken nu al vlijtig aan de tijd/ Dat ik er niet meer ben. ’t Is niet genoeg/ Dat nú dit land met voorspoed is gezegend/ Ook aan het komend welzijn breng ik offers/ Ook mijn verkozen maagd’lijkheid moet ik/ Mijn hoogste goed, prijsgeven voor mijn volk.’ In karmozijnen jachtkostuum, met een kraag die als een witte zon haar gelaat en rossige pruik omkranst, is dit haar vorstelijke opkomst, in de regie van haar leermeester Erik Vos. Vijftien jaar eerder had ze in dezelfde Koninklijke Schouwburg in hetzelfde stuk en bij hetzelfde gezelschap de andere hoofdrol in Schillers drama gespeeld, Maria Stuart, de gevallen Schotse vorstin. Er zijn een hoop koningsdrama’s geschreven, moet Will van Kralingen stiekem gedacht hebben, maar verdomd weinig vorstinnenstukken. Dus kom maar op met allebei die rollen! Haar triomfantelijke lach hoor je er als het ware onder.

In het toneelspelen is ze dan al een poos een heel grote. Er wordt door de jonkies in het vak tegen haar opgekeken. Zo ging dat in haar eigen jonge jaren ook. Op haar vijftiende zag ze Mary Dresselhuys spelen en ze was meteen verkocht. Voor dansen, haar eerste liefde, had ze te zwakke enkels. Haar vader, ‘een autoritaire, humoristische en razend slimme man’, vond dat ze een gewoon beroep moest kiezen. Toneel was iets voor de vrije tijd. Bovendien werden er in het toneel in zijn ogen ook iets te veel huwelijken ontbonden. Vader Van Kralingen, in het gewone leven leraar Frans, deed zelf ook aan kunst, in zijn vrije tijd, jazzmuziek en gedichten schrijven. Will van Kralingen werkte derhalve officieel bij een Boerenleenbank, kluste bij als schoonheidsspecialiste, maar in háár vrije tijd deed ze stiekem een vooropleiding toneel. Toen vader daar achter kwam, bond hij in – als je zó graag wilt…

Will van Kralingen ging op haar 21ste naar de Toneelacademie in Maastricht. Dat liep mis. Twee jaar later probeerde ze het opnieuw op de Toneelschool in Amsterdam. Eigenlijk vond ze zichzelf toen al te oud voor een school. Na een paar moeizame jaren studeerde ze in 1978 af. En kreeg vrijwel meteen een engagement bij De Appel. Waar ze Eric Schneider, haar eerste man en de vader van haar twee zoons ontmoette. En ook haar eerste echte leraar en toneelvader, Erik Vos.

Voor haar was De Appel een soort ­thuiskomen: extreem repeteren, aandacht voor de basale, de fysieke en muzikale kant van het toneelspelen. En niet te vergeten: werken met een dijk van een regisseur. Will van Kralingen: ‘Als je bij Erik Vos een scène hebt gespeeld, is het stil. Dan gaat hij zitten en geeft je in twintig zinnen zo veel rijkdom aan, dat je er net zo stil van wordt als van luisteren naar muziek. Hoe kan ik dit ooit evenaren, denk je dan – en dat is heel inspirerend. Erik Vos stimuleert je om materiaal te verzamelen. Als alle ­ingrediënten er zijn, zet hij de voorstelling in drie dagen in elkaar. Hij heeft een ontzettend goed ­geheugen, dus hij weet nog altijd precies wat je vorige week dinsdag in die-en-die scène hebt gedaan. In het begin viel mijn mond daarvan open. Inmiddels heb ik dat geheugen zelf ook.’

Ze heeft bij De Appel een pak prachtige rollen gespeeld. Na tien jaar, in 1988, verhuisde ze naar het Haagse Nationale Toneel waar ze zeventien jaar deel van het ensemble was. Film en televisie deed ze mondjesmaat. Stanley Kubrick benaderde haar ooit voor een rol, een aanbod dat ze liet schieten omdat haar zoons toen nog te klein waren. ‘Het is voor mij belangrijker dat mijn kinderen twee leuke jongens worden en niet twee keer per week bij de psychiater zitten.’ En zo’n screentest voor film, ze vond het een beetje raar eigenlijk: ‘Ik voel me dan net een vertegenwoordiger. Met als bagage een koffertje met emoties. Zo van: ik kan dit en ik kan dat, zit er misschien iets bij wat u kunt gebruiken?’ Als de camera haar vond, was het overigens wel vaak raak. Frans Weisz maakte twee films met haar, Havinck (1987) en Storm in mijn hoofd (2001), die haar allebei een Gouden Kalf opleverden. Een van haar eigen lievelingen was Belle van Zuylen (1993) van Digna Sinke.

Zus Miranda, nakomertje in het gezin Van Kralingen en nu een operadiva, is altijd een ijkpunt voor haar gebleven. ‘Zij is als zangeres net zo onzeker als ik als actrice. Gelukkig storten we nooit tegelijk in. Dat gaat altijd afzonderlijk en de een helpt de ander er weer bovenop. We zijn gek. Allebei. Want, hoe onzeker we ook zijn, we dulden niet dat iemand van buitenaf dat tegen ons zegt. Dan is het meteen: and who the f… are you?’ Lodewijk de Boer (1937-2004), schrijver en een van haar andere lievelingsregisseurs, zou ooit misschien een muziektheaterstuk voor de zussen Miranda en Will schrijven. Het kwam er niet meer van. Tijdens het repeteren aan Bergmans Scènes uit een huwelijk, dat De Boer in 1998 voor Will van Kralingen en Edwin de Vries voor toneel bewerkte en regisseerde, kwamen ze te spreken over doodgaan en reïncarnatie. Will van Kralingen: ‘Lodewijk vroeg wat ik wilde worden. Mijn antwoord: muziek. Als ik naar mezelf kijk zweeft er iets jongs, iets kwetsbaars. Dat is vast muziek. Daar heb ik heimwee naar.’

‘Als ik naar mezelf kijk zweeft er iets jongs, iets kwetsbaars. Dat is vast muziek’