Willem Aantjes, 16 januari 1923 – 22 oktober 2015

Nadat hij zich had bekeerd tot het evangelisch radicalisme maakte Willem Aantjes keer op keer duidelijk dat de overheid moest functioneren als ‘schild voor de zwakken’. Hij was het niet eens met de manier waarop zijn CDA dat invulde, maar bleef de partij toch trouw.

Er zijn weinig politici die zowel in hun privé-leven als in hun publieke bestaan zo’n drastische wending hebben gemaakt als Willem Aantjes. Tussen zijn jeugd in een vreugdeloos gereformeerde-bondmilieu in de Alblasserwaard en de dag waarop een innige vriendschap ontstond met schrijver Jan Wolkers, ligt een lang leven waarin hij ten langen leste het geluk vond. Mede dankzij zijn grote liefde, Ineke Ludikhuize, die hem met het vrijzinnige protestantisme in contact bracht, wist hij zich te ontworstelen aan de neerdrukkende gedachte dat de wereld een tranendal is en geen sterveling zeker kan zijn van Gods lotsbeschikking over hem.

‘Het gaat slecht, heel slecht en het is onze eigen schuld’, vatte hij het wereldbeeld dat deze mystiek hem ingaf samen. In zijn politieke leven verhuisde hij van de rechterflank van de Anti-Revolutionaire Volkspartij (arp), een van de partijen die in het cda zijn opgegaan, naar de andere kant. Hij omarmde het evangelisch radicalisme, een maatschappijkritische stroming in de arp die aan de bijbel een concreet politiek programma ontleende met de christelijke idee van naastenliefde als brandpunt. Voorzover dit gedachtegoed nog leeft in het cda is het in de krochten, zeker sinds de cda-leiding in 2010 de regeringssamenwerking met de panisch rechtse groepering van Geert Wilders doordrukte. Aantjes verzette zich tegen dat verbond, ook omdat hij in de pvv een antidemocratische kracht zag.

Volgens de evangelisch radicalen moest ‘onvrede met de wereld’ de inspiratiebron van christelijke politiek zijn. Bij zijn komst in de Tweede Kamer in 1959 was Aantjes tegenstander van het net ingevoerde staatspensioen, de aow, en ook in zijn latere stemgedrag bleek zijn aversie van staatsbemoeienis met de sociale zekerheid. Zo keerde hij zich tegen de Kinderbijslagwet (1961), de Bijstandswet (1963) en de invoering van een sociaal minimum (1964). Maar na zijn bekering tot het evangelisch radicalisme lag de uitdrukking dat de overheid moest functioneren als ‘schild voor de zwakken’ hem in de mond bestorven.

Geestverwanten als Bob Goudzwaard, in 1977 auteur van het cda-programma Niet bij brood alleen, legden de intellectuele basis voor deze positiewisseling. Zij herdefinieerden het christen-democratische kernbegrip ‘publieke gerechtigheid’ zo dat de overheid op grond van haar verantwoordelijkheid voor de rechtsstaat tot diep ingrijpen was gelegitimeerd. Mede vanwege de verwantschap in het denken over de overheid verkoos Aantjes de pvda boven de vvd als coalitiepartner. ‘Dat is een partij van halen, hebben en houden’, zei hij over de vvd, overigens tot geacteerd genoegen van toenmalig vvd-leider Hans Wiegel, die droogjes opmerkte dat de ‘mensen in het land’ nu konden weten bij welke partij hun ‘zuurverdiende centjes’ veilig waren.

Als arp-fractieleider verdedigde Aantjes ook tijdens de formatie van het kabinet-Den Uyl (1973-’77) de voorkeur voor de pvda, zelfs ten koste van een breuk met geestverwant Barend Biesheuvel, die daarmee een prolongatie van zijn premierschap aan zich voorbij zag gaan.

Aantjes was overgestapt van een ‘angstgeloof’ op een ‘vertrouwensgeloof’

In reactie op het spervuur van protesten en scheldkanonnades van het eigen kiezersvolk trok Aantjes, vergezeld door Jan de Koning, in een maand langs alle achttien regionale arp-afdelingen om zich te verantwoorden. Vijandigheid was zijn deel. In Spakenburg zongen de mannenbroeders hem op hele noten, dus tergend langzaam Psalm 1 toe: ‘Welzalig hij, die in der bozen raad niet wandelt, noch op het pad der zondaars staat.’

Aantjes liet zich door al die boosheid niet afschrikken, in de overtuiging dat de plicht tot verantwoording de kern van democratische politiek is. De kiezers hebben daar recht op, in ruil voor de zware verantwoordelijkheid die zij politici toevertrouwen. Anders wordt de politiek een besloten onderonsje op het Binnenhof, een speeltje van de spindoctors. Om die reden riep Aantjes de cda-leiding op zich alsnog te verantwoorden voor de samenwerking met Wilders, tot dusver tevergeefs. Dat bijna tweejarig verbond met de pvv, dat het cda ver uit het midden heeft gedreven, deugde volgens Aantjes niet. Rechtsstatelijk was die keuze dubieus omdat de pvv het grondrecht van de vrijheid van godsdienst wil afschaffen; democratisch klopte het niet omdat niemand in de ledenloze pvv Wilders ter verantwoording kan roepen. Aantjes bleef het cda wel trouw, ondanks zijn onvrede over de koers. ‘Ik wil ze het genoegen niet doen mijn lidmaatschap op te zeggen’, zei hij met de milde spot die hem eigen was.

‘Hé, Aantjes, wat hebben ze jou rot behandeld!’ riep Jan Wolkers een jaar of vijftien geleden naar hem toen ze ergens tegelijkertijd uit hun auto stapten. Hij doelde op Aantjes’ gedwongen vertrek uit de politiek in 1978, na een blunder van Niod-directeur Loe de Jong, die een jeugdige lichtzinnigheid van de politicus uit 1944 ten onrechte als een zwart oorlogsverleden afschilderde. Met de vriendschap die na Wolkers’ hartenkreet groeide verwijderde Aantjes zich verder van de bevindelijke orthodoxie uit zijn jeugd, die hem zo lang had belast met de doemidee dat het leven lijden en strijden is.

Hijzelf zei dat hij was overgestapt van een ‘angstgeloof’ op een ‘vertrouwensgeloof’. Zijn geluk was zijn liefde voor de theologe Ineke Ludikhuize, zijn levenspartner sinds 2000, die hem leerde genieten. Aan NRC Handelsblad vertelde hij hoeveel pret ze met z’n tweeën onder de douche hadden, ondanks een leeftijdsverschil van meer dan dertig jaar. Ludikhuize zegde haar baan van directeur van een vrijwilligersorganisatie op, om Aantjes in zijn laatste levensjaren bij te staan. Na een kort ziekenhuisverblijf haalde zij hem naar huis zodat hij in een vertrouwde omgeving, met haar aan zijn zijde, kon sterven.


Beeld: Willem Aantjes in Utrecht, 2011. Foto Joost van den Broeck