Willem drees sr.

De sociaal-democraten zijn honderd jaar oud. Een roemrucht verleden, maar een toekomst? De Groene brengt een special over de rooien: de woestijnjaren van de SDAP, de ketters en de renegaten, en een essay over hoe het nu verder moet. Terug naar af? Naar vadertje Drees bijvoorbeeld: saai, maar nobel en verstandig.

PROBEERT MEN zich het prototype van de ware sociaal-democraat voor de geest te halen, dan komt men wetmatig terecht bij Willem Drees Sr.
Hij was vlijtig en studieus, onkreukbaar en onomkoopbaar, verstandig links, oerdegelijk, oerbetrouwbaar en oerfatsoenlijk, wars van flodderigheid en rose balletten, op of rondom het Binnenhof. Het zijn ongetwijfeld burgerlijke eigenschappen, waar het postmoderne hedonisme zich ver boven verheven voelt. Maar het moet een geruststellende gedachte zijn geweest te worden geregeerd door iemand die niet de laden lichtte, geen plebejische populariteit zocht op de flanken van de Alpe d'Huez en geen zakelijke belangen met het oliesjeikdom Koeweit onderhield.
Als jongeling werd Drees geraakt door de ‘ontwakende drang naar strijd tegen onrecht in het algemeen’. Typisch Drees: saai geformuleerd, nobel qua strekking. Hij werkte samen met de christenen, die nu eenmaal een democratisch gekozen factor in den lande zijn, maar was tegelijkertijd een tegenstander van op confessionele grondslag bedreven politiek. Ex- staatssecretaris Ernst van den Beugel: 'Ik zie nog zijn gezicht na een diner ter ere van de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken, wiens dochter aan tafel naast hem zat, en al bij de soep aan Drees had gevraagd of hij het ook zo heerlijk vond om in een katholiek Europa te leven. Het arme meisje was door de Italiaanse ambassadeur in Den Haag 'smiddags voorgelicht over de politieke situatie in Nederland en had daarbij in goede Italiaanse traditie verondersteld dat de minister-president wel een christen-democraat zou zijn. Na afloop van het diner siste Drees mij toe: Zie je wel! Ik heb het altijd al gedacht!’
Hij was natuurlijk de vleesgeworden consensus, behalve op de momenten dat hij zijn zin niet dreigde te krijgen. Dan was hij hard als een spijker. Sicco Mansholt, ex-minister van Landbouw: 'Hij is in Nederland de hardste politicus geweest die ik heb meegemaakt. Als Drees werkelijk iets wilde en hij zag het fout lopen, dan zag je die felle prikogen, dan verstarde dat gezicht.’
BEJAARD, OP tweeenzeventigjarige leeftijd, nam hij in 1958 afscheid van de praktische politiek, na vier kabinetten-Drees. Hoogbejaard speelde hij op het kruispunt van de jaren zestig en zeventig nog een rol aan de zijlijn, in woord en geschrift. Zijn Partij van de Arbeid trachtte zich schoksgewijs te vernieuwen, een proces dat zich naar Drees’ smaak te onbesuisd voltrok. Dus krabbelde hij zijn waarschuwingen neer in zijn karakteristieke kriebelschrift en bood dit ter publikatie aan, bij voorkeur aan de weekbladen Accent (ultrarechts) of Vrij Nederland (ultralinks).
Niet tot ieders genoegen. Ex-PvdA-fractieleider M. van der Goes van Naters ('ik heb Drees altijd een misselijk mannetje gevonden’) gewaagde in een interview van 'oude lullen’ die zich beter niet meer met de politiek moesten bemoeien. Drees ('Beste Wim’) verstuurde per kerende post een paginavullend ingezonden stuk. Wie heeft ooit durven beweren dat de man zo weinig humor had? 'Denk ik te egocentrisch als ik veronderstel dat Van der Goes bij zijn kwalificatie “oude lullen” speciaal aan “beste Wim” heeft gedacht?’ Trouwens, van die andere oude lul, de Amsterdamse gemeentebestuurder Wibaut, kon men - constateerde Drees - in redelijkheid niet beweren dat deze zich uitsluitend had beperkt tot 'het bouwen van pisbakken voor de bourgeoisie’.
Het was dat Drees voor velen nog steeds een - passieve - electorale factor was binnen de Partij van de Arbeid, anders had het aanstormend jongvolk liever gezien dat hij was opgekrast. Hij had immers openlijk verklaard dat het erkennen van de Duitse Democratische Republiek, de toetreding van Rood China tot de Verenigde Naties en het afschaffen van de monarchie wat hem betreft niet de hoogste prioriteit had.
Was het jongvolk iets verstandiger met hem omgesprongen, had het zich gerealiseerd dat de aartsvaderlijke politicus in relevantere vraagstukken een radicale bondgenoot was: een voorstander van de nationalisering van de IJsselmeergronden, de socialisering der levensverzekeringsmaatschappijen, een tegenstander (voorzichtiger gezegd: geen voorstander) van de plaatsing van kruisraketten.
Trillend en bevend wachtte het PvdA-kader op het onontkoombare moment dat Drees afscheid zou nemen van de partij die hij meer dan zestig jaar had gediend. Dit geschiedde uiteindelijk niet uit rechtse, maar uit linkse motieven: op het moment dat de Nieuw Links-voorman Andre van de Louw, hakend naar een volksfront dat van de pacifistisch-socialisten tot de limonaderadicalen van D66 reikte en verklaarde dat 'de rode vanen voor het laatst gewapperd hadden’. Toen vond Drees het wel mooi geweest en bedankte. Even heeft hij nog overwogen zich op individuele basis bij de Noorse socialistische partij aan te sluiten, om er uiteindelijk de voorkeur aan te geven tot zijn dood partijloos te blijven.
HIJ IS GETYPEERD als 'de wethouder van Nederland’, wat denigrerender klinkt dan waarschijnlijk is bedoeld. Wethouders - als de partijgenoten Wibaut, De Miranda, Boekman en Drees - waren immers ooit de eer en glorie van het socialisme geweest; 'de sergeanten der sociaal-democratie’, zoals Bart Tromp hen heeft genoemd, anders dan 'het spookpeloton der beoogde bewindslieden’ dat 'in het duister blijft oefenen, in afwachting van het ochtendrood’.
Inderdaad, Drees was zijn hele leven, ook in de functie van 'slands eerste politicus, een sergeant, een uitvoerder zonder poespas, de man van de praktische arbeid, de dossiers bestuderend in het schijnsel van zijn tweepitskacheltje en als hem na afloop van een van die verplichte galadiners door zijn echtgenote werd gevraagd wat er op het menu had gestaan, antwoordde hij: 'Soep en vlees.’
In het begin van de jaren zeventig raakte Drees Sr. in een merkwaardig spanningsveld toen zijn zonen Jan en Wim zich ontwikkelden tot de dragende krachten van een alternatieve socialistische beweging, de Democraten '70, een groep antiradicalinski’s die niet het geduld konden opbrengen rustig af te wachten tot hun politieke tegenvoeters keurig burgemeester van Rotterdam, voorzitter van de Vara of commissaris der Koningin waren geworden.
Willem Drees jr. werd lijsttrekker. Jan Drees werd secretaris. Hij woonde nog bij zijn ouders thuis, in de Haagse Beeklaan, en hield zijn vader, wiens gezichtsvermogen steeds slechter werd, op de hoogte van de gebeurtenissen. Hij nam met hem de correspondentie, de socialistische klassieken en de dag- en weekbladen door. Plus de notulen van het PvdA-partijbestuur die Drees Sr. (toen nog buitengewoon lid) q.q. in de brievenbus kreeg.
Ik ben in die dagen even bij de toenmalige PvdA-voorman Anne Vondeling langs geweest om te vragen of zijn partij zwaar aan de politieke concurrentie van de erven-Drees tilde. 'Njeu’, zei Vondeling. 'Maar kijk. Het zit zo. Wij hebben een ander probleem. Dat zijn die notulen van het p.b. Die worden Drees elke keer weer door jonge Jan voorgelezen. Dat is nog daar aan toe. Maar erger is dat diezelfde notulen de volgende dag regelrecht naar De Telegraaf worden getransporteerd.’
Drees Sr. was overigens te links en te verstandig om daadwerkelijk lid van het sympathieke, maar wat heetgebakerde clubje van zijn zonen te worden. Dat boekte aanvankelijk het niet onaanzienlijke succes van acht zetels, werd na twee jaar het kabinet-Biesheuvel uitgechanteerd en spatte zelf even later ruziend uiteen. De aanhangers zijn inmiddels lid van D66 of de VVD, terwijl de gematigdsten onder hen naar de Partij van de Arbeid zijn teruggekeerd.
Willem Drees Sr. gaf er de voorkeur aan de rest van zijn leven een heimatlose Linke te blijven. 'Ten opzichte van de maatschappelijke structuur ben ik altijd voorstander geweest van radicale veranderingen’, zei hij tegen Vara’s Achter het Nieuws. Tegen de uiterlijke schijn in was hij nog steeds 'een radicale socialist’. En weer liet de oude man zijn stokpaarden galopperen: in een behoorlijk ingerichte maatschappij worden de daarvoor in aanmerking komende instituties op een beheerste wijze genationaliseerd.
Wijze geluiden, die anno 1994 al lang zijn overstemd door het gedonder van de geprivatiseerde Spoorwegen en de ketelmuziek rond de eveneens geprivatiseerde Post, Telegraaf en Telefoon. De sociale infrastructuur van de - zijn - verzorgingsstaat wordt inmiddels steen voor steen afgebroken en in het Willem Drees-huis ballen de oudjes machteloos de knokige knuisten.