Willem Frederik Hermans, Richard Simmillion: Een onvoltooide autobiografie

Willem Frederik Hermans mishandeld

Waarom toch een autobiografisch getinte bundeling van het werk van W.F. Hermans?

Meer dan veertig jaar geleden gaf Willem Frederik Hermans (1921-1995) een fascinerend interview aan het Gard Sivik-schrijverstrio Hans Sleutelaar, Hans Verhagen en C.B. Vaandrager. In dat vraaggesprek, opgenomen in Frans A. Janssens interviewbundel Scheppend nihilisme (1979), zegt Hermans dat een auteur over zijn obsessies moet blijven schrijven, maar moet vermijden «om voortdurend zelfportretten te maken». Over zijn verhaal Het grote medelijden – dat na de publicatie van een fragment eind 1962 in Randstad veel stof deed opwaaien omdat men in het personage Otto Verbeek de Menno ter Braak dacht te herkennen wiens «ventisme» en dagboekschrijverij scherp becommentarieerd leken te worden – zei Hermans dat dat verhaal deel uitmaakte van een thematische bundel rond «het failliet van het reizen». De hoofdpersoon, een schrijver, keert zich tegen de bekrompen Hollandse mentaliteit en probeert daaraan te ontvluchten door op reis te gaan en een geestelijke emigrant te worden. Die poging tot ontsnappen, ook aan verkeerde beeld vorming over hemzelf, loopt op niets uit omdat de schrijver met handen en voeten aan Nederland gebonden blijft. Waar hij ook naartoe gaat: «je vaderland blijft de enige authentieke materie».
Over zelfportretten en autobio gra fisch schrijven – door Ter Braak en Du Perron sterk gepropageerd – is Hermans altijd zeer duidelijk geweest. De autobiografie is niet van belang, het leven is een droom. Het gaat niet om de verteller, alter ego van de schrijver of niet, maar om het verhaal dat op eigen benen staat. Romans zijn geen afspiegelingen van het dagelijkse bestaan. Alle verhalen, zelfs egodocumenten, vormen uiteindelijk vermommingen waarachter dieperliggende waarheden verscholen liggen. Verhalen vormen het resultaat van een persoonlijke indruk en van de tijdgeest, waaraan niemand ontkomt. Met behulp van een altijd tekortschietende taal (de herinnering is al helemaal onbetrouwbaar) probeert de schrijver een «krankzinnige» wereld te creëren die haaks staat op het gezond verstand, de normaliteit en het kabbelende doorsnee bestaan van de lezers. De schrijver pleegt bedrog tegenover de werkelijkheid, die niet echt te doorgronden valt. Schrijven is voor de niet-gerealiseerde mogelijkheden en de auteur is eerder een fantast, surrealist of een mythomaan dan een realist of egomaniak.
Het gaat om de literaire uitbeelding en niet om «mezelf kwijt te kunnen» in een verhaal. «Als ik mij tot mijn autobiografie zou bepalen, dan zou ik niet weten wat ik zou kunnen vertellen dat voor een ander interessant zou zijn. Er worden in Nederland al zo veel autobiografieën geschreven. Allemaal zo saai. De mijne, waar ik zo nu en dan een stukje aan schrijf, is ook saai, dat wil zeggen als ik me uitsloofde alles compleet te vertellen, zou hij zeker saai worden. Maar ik beschrijf alleen episodes die me echt nog bezighouden op een of andere manier en laat de rest weg. Op die manier wordt het natuurlijk toch een arrangement, toch een kunstwerk en geen historisch werk.» (Scheppend nihilisme, vraag gesprek uit 1979 met Frans A. Janssen)
De autobiografie is hoogstens literair constructiemateriaal. Het gaat niet om waarheid maar om waarschijnlijkheid. De beelden die de schrijver schept zijn vermommingen, verhullingen, vervormingen, verzwegen tussenfragmenten of uitvergrotingen van details omdat hij hoe dan ook uit het losse zand van de alledaagse gebeurtenissen een vormvast verhaal moet maken. En de taal blijft «een labyrint van wegen. Je komt van de ene kant en kent de weg; je komt van de andere kant op dezelfde plaats en kent de weg niet meer.» (Wittgenstein, door Hermans geciteerd in Het sadistisch universum, 1964)
Hermans heeft zich, ondanks zijn grote wantrouwen tegen de autobiografie in al zijn uitingsvormen (dagboek, reisverhaal, memoires, enzovoort), wel bezondigd aan het genre, op zijn manier dan. In 1969 verschenen namelijk zijn Foto biografie – een bewust gekunsteld zelfportret in foto’s met korte onderschriften, een kieskeurige autobiografie die af breekt als Hermans’ schrijverschap be gint – en zijn onderschatte reisboek De laatste resten tropisch Nederland.
Die nog altijd zeer leesbare en leerzame travelogue over Suriname en de Nederlandse Antillen, gelardeerd met krantenartikelen rond zijn bezoek, is niet alleen de nuchtere tegenhanger van Harry Mulisch’ pseudo-revolutionaire Cuba-boek maar ook een zeer betrokken verslag over kolonialisme, racisme, kleine en grote politiek en over schrijven. Ongeveer vijftien procent van De laatste resten tropisch Nederland bestaat uit au then tieke dagboekaantekeningen, die lopen van zaterdag 18 januari tot en met dinsdag 21 januari 1969: Dagboek of Bij de Boslandcreolen. Daarin vermeldt Hermans dat Mulisch persona non grata is in Suriname omdat premier Pengel een bezoek niet goed vindt. Hermans keert zich scherp tegen deze censuur maar relativeert Mulisch’ engagement zo: «Harry, de Castro-vereerder, Harry, die dag en nacht wakker ligt over het lot van de voormalige koloniale gebieden, Harry zou slechts onder koloniale dwang van het ‹moederland› zijn blijde boodschap in de ‹kolonie› kunnen verkondigen…»
Hermans heeft ook lezingen in Suriname en op de Antillen gegeven rond de voor hem stupide vraag Waarom schrijft u? Wat hij daarover schrijft in het door Hermans-adepten altijd slecht gelezen De laatste resten tropisch Nederland vormt de oerversie van Waarom schrijven?, geschreven vlak na zijn omstreden Zuid-Afrika-bezoek in 1983 en pas voor het eerst opgenomen in De laatste roker (1991). Op die telkens terugkerende vraag antwoordt Hermans in 1969 in Suriname en op de Antillen dat men Verolme nooit vraagt waarom hij schepen bouwt en geen auto’s of was machines. Waarna hij de vraag verder relativeert door te vertellen dat hij schrijft omdat hij zo veel van schrijfmachines houdt. «Als ik niet verder meer weet, schroef ik de schrijfmachine uit elkaar. En dan weer in elkaar.»
Een lezing op een mulo op Bonaire wordt een groot succes omdat Hermans een alternatief en veelzeggend antwoord geeft op de onvermijdelijke waarom-schrijft-u-vraag: «Ik las wel eens detectiveromans en het viel me altijd op dat, tot de laatste pagina, eigenlijk niemand wist hoe de vork in de steel zat, behalve de detective. Als nu eens de detective halverwege het boek onder een auto kwam, dan zou de misdaad nooit tot klaarheid kunnen worden ge bracht. Ik verlangde er naar eens een boek te lezen, waarin dat gebeurde, maar zulke detectiveverhalen bestonden klaar blij ke lijk niet. Daarom besloot ik er zelf een te maken. Overigens heb ik eigenlijk nooit een detectiveroman ge schreven. Zo is het begonnen. Als alle boeken die ik zou willen lezen al bestonden, zou ik ze zelf niet hoeven te schrijven.» Daarom wordt detective Ose woudt, in de naoorlogse chaos op zoek naar zijn evenbeeld of tegenbeeld Dorbeck, aan het eind van De donkere kamer van Damokles (1958) doorzeefd met ko gels. De echte schrijver be haagt zijn pu bliek niet maar spreekt het tegen, prikkelt verdrongen verlangens en onthult wat het niet wil zien, denken of voelen.
Hermans mishandeld. Dat dacht ik meteen bij Richard Simmillion: Een onvoltooide autobiografie, waarin onder meer Waarom schrijven? is opgenomen. Het mooiste van de publicatie is het omslag, waarop Le Seize Septembre (maansikkel in bladerrijke boom op mistig heideveld) van de Belgische surrealist René Magritte staat afgebeeld, een kunstenaar die wel past bij het antirealisme van Hermans.
Het idee en de inhoud voor zo’n boek werden al in september 1986 geopperd door Martien J.G. de Jong in een boeiend essay over de problemen rond het autobiografische spoor in Hermans’ werk: De waarheid (?) omtrent Richard Simmillion of de onvoltooide autobiografie van Willem Frederik Hermans. Jammer dat die literaire denkexercitie niet is opgenomen als een soort nawoord dat zowel De Jongs als Hermans’ scepsis tegenover het begrip autobiografie weerspiegelt. Aan het slot van zijn essay – met een titel waarin niet voor niets een vraagteken staat – verzucht De Jong tegen Hermans, die hij in 1984 en 1985 interviewt, dat hij een essay heeft geschreven over een boek dat er nooit zal komen. Hermans’ reactie: «Maar dat is toch het mooiste wat een mens doen kan…»
Tien jaar na Hermans’ dood is dat boek er helaas toch gekomen. Ik betreur dat vooral omdat de lezer nu ge dwongen wordt de opgenomen verhalen rond het personage Richard Simmillion – waarvan er een paar, opgenomen in Een wonderkind of een total loss (1967), voor het eerst uit hun oorspronkelijke verband zijn gerukt – binnen een opgedrongen autobio grafisch kader te lezen, waar door de verteltechnische eenheid van vier ik-verhalen in de tegenwoordige tijd wordt verbroken en de verhalen een andere betekenis krijgen.
Bovendien zal de lezer die in de autobiografische richting wordt gedirigeerd als vanzelf een strenger waarheidscriterium hanteren: klopt het, is het wel waar? En daar zit het probleem: de ultieme waarheid in de wereld van Hermans was immers onkenbaar? De Jong speelde slechts op essayistische wijze met de gedachte. Het daadwerkelijk samenstellen en publiceren van een pseudo-autobiografische bundel is sjoemelen met een literaire nalatenschap. Toegepast op het al genoemde metaforische reisverhaal Het grote medelijden: de aanval op de figuur van Otto Verbeek verandert zodra dat verhaal uit de authentieke context wordt gelicht (in de verzamelbundel Het grote medelijden uit 2002 blijft die context nog intact) en in een boek terechtkomt dat abusievelijk, en via allerlei kronkelredeneringen, als onvoltooide autobiografie wordt aangeprezen. Ri chard Simmillion (denk aan het Franse simili, imitatie, en het Nederlandse simuleren: doen alsof, veinzen, nabootsen) wordt dan Willem Frederik Hermans, en Otto Verbeek Menno ter Braak, waarmee twee fictieve namen gemakshalve genegeerd worden en er een ontoelaatbaar autobiografisch pact tussen levende le zer en dode schrijver wordt gesloten.
Als het personage Richard Simmillion in zijn (schrijvers)leven laveert tussen doorslaand succes en hopeloze mislukking fungeert Verbeek als een soort spookverschijning, hallucinatie of hersenschim die Simmillions schrijversbestaan in het bekrompen Holland infecteert en ondermijnt. Verbeeks verschijning in Simmillions hoofd is freudiaans getinte zelfhaat en zelfmedelijden, zoals De Jong min of meer zegt. De overheersende emoties in Het grote medelijden zijn vernedering en woede. Hoogstens kan ik zeggen dat de verzetshouding waaruit Simmillion en Hermans schrijven dezelfde is: wraakzucht en ontmaskeringsdrift. De rest blijft bijzaak. Maak er dan geen anekdotische hoofdzaak van.
Als er een autobiografisch getinte bundeling had moeten komen – maar waar om per se, het idee alleen al strijkt in tegen de mentaliteit van Hermans’ oeu vre – zou ik eerder hebben gedacht aan (dagboek)fragmenten uit De laatste res ten tropisch Nederland of, na veel aarzeling geformuleerd in een nauwgezet nawoord, aan zeven her en der gepubliceerde naamloze ik-verhalen. Die ze ven ik-verhalen, waarvan er al vier in de bundel De laatste roker (1991) zijn terecht gekomen, en waarvan De Jong er in zijn essay De waarheid (?) omtrent Richard Simmillion vijf signaleert, zijn: De schoorsteen (1978), Buren (De vleugel van de buren, 1977), Twee gebouwen, twee geleerden (1981), Bronnen van energie (1978), Een boek der boeken (1978), Gedachten over het wonen in het buitenland (1978) en Een landingspoging op Newfoundland (1952), oorspronkelijk bedoeld als fragment van een nooit verschenen reisboek over Ca nada. Over het laatste verhaal zegt Hermans op 22 augustus 1985 tegen De Jong dat het «ook zo’n autobiografisch verhaal» is. Niemand heeft ooit overwogen dat verhaal in een autobiografisch getinte bundel op te nemen.
Nu moeten we het doen met een slordig geredigeerd boek met inconsequente spelling waarvan alle verhalen op één na, Een toerist, al in twee andere bundels staan. Als de lezer het irritante autobiografiestempel negeert, kan hij de bundel Richard Simmillion beschouwen als het verbrokkelde relaas van een schrijvers personage dat vanuit een later tijdperk terugkijkt op wie hij was. En die vertelconstructie – de moeizame reconstructie van een schrijversleven – is een literaire kunstgreep met vele haken en ogen waarvan Hermans zich maar al te bewust was. Wat weet Richard nog, wat wil hij nog weten en wat is hij vergeten? En hoe het geheugen vol hiaten als schrijver vorm te geven? Proustiaanse problemen. Als Richard Simmillion als thema de autobiografie en het schrijven heeft, betekent dat nog helemaal niet dat Richard Simmillion een autobiografie is! Want blijft het niet verschrikkelijk dat de Richard van veertig jaar later zich nooit meer «natuurgetrouw zal kunnen herinneren wat daar (bij de schooltuintjes – gb) ge beurde. Ik heb zelfs moeite iets te reconstrueren dat erop lijkt, moeite het op te schrijven, nog meer moeite het te herlezen.» (De elektriseermachine van Wimshurst)
Het is nog veel erger. Hoe kan de schrijver Richard zijn gevoel van ontroering bij zijn bezoeken aan het Amsterdamse museum van de arbeid wél formuleren als hij tegelijkertijd weet dat hij dat toen als elfjarige schooljongen niet kon? Toen stemloos, nu niet meer: de vertekening van welke waarheid ook is onherroepelijk. «Als ik naga wat ik mij er werkelijk van herinner, is dit zo weinig en bovendien zo visionair, dat ik geen enkel bewijs kan leveren het niet alleen maar te hebben gedroomd.»
Richard Simmillion gaat over verbeelde herinneringen, over het opnieuw uitvinden van verhalen als vorm van ontsnapping aan een benauwd en bekrompen milieu, over het spreken van de waarheid via het wapen van de vormgegeven literaire fantasie. «Pas later, als we, noodzakelijkerwijs door het verstrijken van de jaren, ergens gekomen zijn, waar dan ook, kunnen we achteraf vertellen waar we vandaan en waar we langs zijn gekomen, en ons verbeelden dat ’t altijd al zo had gemoeten.» (Waarom schrijven?) Willem Frederik Hermans als romantische surrealist die in zijn Simmillion-verhalen veel meer werk maakt van dagdromen, hersenschimmen, angstdromen of woeste wandelingen dan van naturalistisch-realistische reconstructies van wat «echt» is gebeurd. Hij speelt eerder met het genre van de autobiografie dan dat hij het serieus praktiseert. De samenstellers van Richard Simmillion, hopelijk niet het WFH-Instituut, negeren dat spel met waarheid, werkelijkheid en waan.
«Alle blindgeborenen kunnen de schrijver verwijten dat hij liegt; hij liegt nooit. Hij kan niet liegen waar geen waarheid is» (over antipathieke romanpersonages in Het sadistisch universum). Het taalspel van Hermans is wittgensteiniaans. De taal kent geen muurvaste betekenissen, elk ogenblik openen zich afgronden in de taal – Osewoudt in De donkere kamer van Damokles kon erover meespreken – en blijkt de taal zinledig, zinloos of dubbelzinnig. «Woorden zijn als fiches waarmee ‹taalspelen› worden gespeeld, precies zoals met op zichzelf vrij willekeurige symbolen wiskundige spelen gespeeld kunnen worden. Taalspelen, geen woordspelingen…» (over Wittgenstein in Het sadistisch universum).
Misschien hadden de samenstellers van Richard Simmillion: Een onvoltooide autobiografie, een bundel die Hermans postuum mishandelt, nog eens moeten bladeren in Fotobiografie en daarna goed kijken naar een foto die Hermans met gevoel voor feit en fictie op de achterkant van het fictieve oorlogsdagboek van Karel R., Madelon in de mist van het schimmenrijk (1994), liet zetten, met als onderschrift «Madelon X. en Karel R., voorjaar 1944». Wie in Karel R. Hermans zelf herkent beseft dat voor Hermans de literatuur altijd een spel is geweest, vol verbeelding, een spel op leven en dood.
En de autobiografie? In zijn Fotobiografie schreef hij dat als hij daaraan begon die «zou ontaarden in een roman». De lezer was al gewaarschuwd.

Willem Frederik Hermans
Richard Simmillion: Een onvoltooide autobiografie
Met een nawoord van Arjan Peters
De Bezige Bij, 231 blz., € 19,90