‘Het huwelijk is er om de seks te kanaliseren’

Willem Jan Otten over porno en de Heilige Maagd

In 1985 verscheen het essay Denken is een lust van schrijver Willem Jan Otten. Het heeft nog steeds een cultstatus. Otten vindt porno eigenlijk een stomvervelend onderwerp, moeilijk om over te spreken, maar vooruit. ‘Ik denk dat ik al in de hel ben.’

TWINTIG JAAR GELEDEN zou het gemakkelijker zijn geweest om over te praten. Denkt hij. Begeerte. Seks. Porno. Het heeft iets onappetijtelijks, vindt hij, een man van zijn leeftijd die het hierover heeft. Bovendien: de schaamte is toegenomen. Misschien ook wel de bewondering voor mensen die op een bepaalde manier kuis zijn. Ouderwetse mensen.
Niet dat Willem Jan Otten (57) er zoveel jaar geleden over sprak. Wel schreef hij al bijna 25 jaar geleden een groot essay: Denken is een lust. Een essay dat inmiddels een soort cultstatus heeft bereikt, als zijnde het eerste en misschien wel enige voorbeeld van de pornoverslaafde die afdaalt in de krochten van het diepste zelf. ‘Er zijn ogenblikken waarop ik mij geen betere kwaal in kan denken dan die waar ik aan lijd.’ Zijn tastende intellectualiteit leverde doordenkenswaardige uitspraken op over lust, trouw en liefde. Mooi persoonlijk ook eindigde het essay met een hartenkreet richting zijn vrouw, de niet bij naam genoemde schrijfster Vonne van der Meer. Dat ze vooral niet moest proberen hem te begrijpen. Begrip zou uiteindelijk de begeerte doen verlammen. ‘Bewaar je afgrijzen en verdoezel tot geen prijs de schaamte.’
Vanuit het pastorale onderkomen dat hij een mensenleven lang deelt met dezelfde Vonne van der Meer en tot een paar jaar geleden met hun beide zonen, kun je de eenden horen kwaken dat het een aard heeft. De poes ligt te slapen op een tuinstoel en in zijn werkkamer zet de schrijver zijn woorden af en toe kracht bij door met zijn handen op de bank te roffelen.
Zoveel jaar na dato weet hij het nog precies, al zegt hij ‘dat boekje’ nooit meer terug te hebben gelezen. ‘In Hollands Maandblad werd geschreven dat het een liefdesverklaring was. Dat het misschien nog wel meer dan over porno over het huwelijk ging.’ Na even nadenken, want dat blijkt Otten ook in real life heel goed te kunnen, hardop, met heel veel zinnen die halverwege worden afgebroken om preciezere formuleringen een kans te geven, zegt hij: ‘Het huwelijk is er om de seks te kanaliseren, maar zal dat niet kunnen.’
Zowel in zijn poëzie als in zijn romans is dat een belangrijk thema: de frictie tussen verlangen en werkelijkheid, geheimen en trouw, kijken en bekeken worden. In de bundel Na de nachttrein (1988), in Er is een derde, dicht hij: ‘Geen trouw zo ongeveinsd/ als van haar die paart met een geheim’. Trouw en ontrouw krijgen een onverwacht gezicht in de Penelope-gedichten in de bundel Paviljoenen (1991): ‘paar ben ik alleen zolang/ hij uit het duister van zijn wereldzee/ mijn gissen kaatst’. In De wijde blik (1992) wordt het denken over lust en porno in romanvorm voortgezet, en een overspelige verhouding tot de pijnlijke kern afgepeld. De hoofdpersoon in Specht en zoon (2005) keert terug van de videotheek met de buit in een tasje zonder opdruk; minor detail maar saillant.
Hij mag zich er dan ongemakkelijk over voelen in verband met het onderwerp, ouder worden op zich is volgens Otten een van de interessantste dingen die je overkomen in het leven. Hij citeert toneelschrijver Arthur Schnitzler: ‘Alles draait om ouder worden, de rest is avontuur.’
Bent u ook met de jaren anders gaan denken over lust?
‘Ik denk bij dit soort dingen graag in termen van tijdperken van de man, zogenaamde levenstijdperken. Dat is een term van Rümke, de psychiater. Er gaat iets verzoenends vanuit dat allerlei dingen horen bij de verschillende stadia in je leven.’
Arthur Schnitzler is de schrijver van onder andere Die Traumnovelle (‘veel van ons gedenk over seks hebben we te danken aan Freud én Schnitzler’), door Stanley Kubrick verfilmd als Eyes Wide Shut. Een Girard-verhaal, noemt Otten het, naar de Franse filosoof René Girard, inspirator en held. In een van de essays in Waarom komt u ons hinderen (2006) legt Otten uit waarom: Girard opende voor hem de ogen tot begrip van de werking van begeerte.
‘De gedachte is simpelweg dat als je op iemand valt en in een soort acute begeerte vervalt, dat heel vaak is omdat iemand ánders tegen je zei: “Wat een mooie vrouw is dat.” In Eyes Wide Shut ontstaat zijn begeerte naar haar, omdat hij weet dat een ander haar begeert, van wie zij weet dat die haar begeert. Het is een bemiddelde driehoek. Je zit met een vriend op een terrasje en je ziet zijn blik afdwalen naar een vrouw, en aan zijn blik zie je dat het belangwekkend is wat hij ziet. En dan heb je eigenlijk zijn blik al op. En dan dénk je dat het objectief door haar geweldige schouders komt. De hele organisatie rondom de begeerte werkt zo. Waarom willen we een bepaald drankje drinken? Omdat de reclame duidelijk maakt dat er bepaalde mensen zijn die dat drankje heel graag drinken. Girard noemt dit de mimetische begeerte.’
Werkt het in porno ook zo?
‘In de geregisseerde machtsstructuur van een pornografische scène kijk je met de regisseur en de mannelijke modellen mee, dat is het opwindende. Het is niet de vrouw die je opwindt, maar de setting, de machtsstructuur. Daar wordt iets uitgevierd wat je in werkelijkheid niet durft. Wat je niet eens zou willen durven als het erop aankomt. Om ervan te kunnen genieten moet de man juist elke gedachte aan de realiteit systematisch wegduwen. Zo gauw je gaat denken: dat kan mijn dochter zijn, is het voorbij. Je moet je ook niet voorstellen dat degene van wie je houdt zich zou voegen naar dit spinsel. Al die gedachten flitsen even door je hoofd, maar die duw je met succes weg om te kunnen verdwijnen in die cultuur waar gedaan wordt wat je wilt.’

OTTEN PUT ZICH UIT in het proberen uit te leggen wat er wel en niet opwindend is, en zucht dan dat het toch een stomvervelend onderwerp is, en moeilijk om over te spreken: ‘Want waar heb ik het over? Dat je de hond van Pavlov bent en dat graag wil zijn. Ik kan er niks leuks van maken. Dat ontdekte ik als de grote leugen toen ik Denken is een lust schreef. Kousbroek schreef over porno op een soort antropologische manier: kijk hoe interessant en hoe vrij we zijn dat we dit kunnen doen, hoe interessant menselijk het is dát we het doen en hoe opwindend het is. Ik vond dat een leugen, het idee dat er mooie, kunstzinnige, esthetische, verantwoorde, functionele porno zou kunnen bestaan. In níets doet porno wat er gebeurt als je een gedicht schrijft of een kunstwerk maakt of van iemand probeert te houden. Genot is een veelkoppig monster. Je kunt genieten van iets waarvan je houdt, maar ook van iets waarin liefde geen rol speelt, waar liefde gewoon buiten staat. Er zit aan porno iets wat niemand lekker zit, en dat noemen we de schaamte.’
Wat maakt, even afgezien van porno, seks op zich al zo beladen? Beladen genoeg dat je als meisje kunt denken dat je jezelf moet bewaren, dat je lichaam heilig is?
‘Ik vrees dat ik nog net zo ouderwets ben, en zo geschokt ben geweest in de jaren zestig door vieze plaatjes, omdat ik nog net zonder voorbehoedsmiddelen ben voorgelicht, en leerde dat aan seks iets serieus kleeft omdat je er kinderen van kunt krijgen. Ook al is dat er bij mij snel uitgetimmerd omdat mijn eerste vriendinnetjes de pil al gebruikten, eind jaren zestig. Maar dat hele idee van het lichaam als een tempel, dat bewaard moet blijven, dat is een antropologische constante. Het is een reactie van een vrouw op haar eigen lichaam, voortkomend uit de drang te beschermen. Een meisje zal daarbij geholpen worden door de clan, want de kinderen die komen moeten ónze kinderen zijn. De kerk heeft dat omringd met dogmatiek en beschermwallen, een soort ring van formuleringen eromheen gelegd. Als die ring wordt afgebroken, en dat is wat er is gebeurd tussen 1963 en 1973, gaat die antropologische constante weer opspelen. Ik ben het product van nog ervóór en van de afbraak. Pas halverwege de jaren tachtig ben ik gaan denken dat ik niet van mijn tijd moest zijn. Ik begreep tijdens het schrijven van Denken is een lust dat ik moest gaan luisteren naar de schaamte die ik maar niet kon overwinnen. Als jongetje verslond ik de problemenrubriek in Sekstant, en dat had zijn functie, om te weten dat ik me niet dood hoefde te schamen. Maar het idee dat ik me níet moest schamen, dat is heel schadelijk geweest. Althans: daarmee is iets in mij opstandig geworden, namelijk de schaamte. Kijk, wat ten grondslag ligt aan alles is natuurlijk toch dat het ontstellend is.’
Wat?
‘Pornografie. De begeerte in ongehinderde toestand, die een object maakt van de ander, haar klein en slaafs wil maken. Het is dus ook ontstellend als een meisje gaat denken: is het niet een overwonnen idee dat ik mezelf zou moeten beschermen? Waarom zou ik niet gewoon de hele kroegpopulatie aan z’n gerief helpen? Wat zij dan doet is de ontsteltenis wegdrukken die zij eigenlijk voelt bij het idee dat ze zou doen wat de praktijk van dit moment van meisjes vraagt. Ik ben er erg voor om trouw te blijven aan je ontsteltenis. Misschien moeten we niet denken dat we over seks kunnen spreken in termen van oplosbaarheid. Je moet bijvoorbeeld niet denken dat de schaamte oplosbaar is. Dat is toch het hele leven, dat we met onoplosbare dingen moeten zien uit te komen. We worden niet beoordeeld naar de mate waarin we de problemen oplossen, maar naar de mate waarin we de problemen erkennen, en de krachten durven toe te laten. Ook die van de schaamte.’
Heeft internet iets voor u veranderd?
‘Dat is een kloeke magneet. Je ontdekt dat het er is, en dat is lastig. Kijk, ik ben natuurlijk een ophouder (sinds een paar weken is Otten opgehouden met roken, voor de derde keer in zijn leven – mp). Maar ik zie het nu veel meer als een verslaving. Ik ga het niet meer verdedigen en ik ga het ook niet meer interessant vinden wat ik zie. Afkicken is dat je kijkt met de blik van de niet-gebruiker naar jezelf als gebruiker. Als ik met die koele blik naar mezelf kijk, dan zie ik een verslaving, een zonde. Je moet durven toegeven als je gebruiker van pornografie bent, dat er dingen in je hoofd zitten die je er niet meer uit krijgt, zoals je als roker moet toegeven dat er teer in je longen zit. Die worden nooit meer schoon.’
Waarom gebruikt u een beladen term als ‘zonde’?
‘Omdat het inhoudt dat je jezelf als onderdeel van het kwaad ziet, en niet alleen het kwaad bij anderen legt. Als je een verslaving probeert klein te krijgen, zul je moeten begrijpen dat jij het zelf bent. Wat je eigenlijk niet wil, wil je toch, juist omdat je het niet wil. Zo gauw je het over zondebesef hebt, denken mensen dat ik bedoel dat ik denk dat ik in de hel kom. Ik denk dat ik al in de hel bén. De hel ziet er ongeveer zo uit als een man die aan zijn scherm gekluisterd zit en het apparaat op mute heeft gezet, die helemaal afgesloten zit van zijn gezin en van zijn kinderen, die naar ongeveer zijn dochter kijkt die door vier mannen wordt genomen en tegelijkertijd met één oor naar de wereld aan het luisteren is, omdat als hij ontdekt zou worden er zoiets zou inslaan als de bliksem van Satan.’

Ter voorbereiding op dit interview mailde u: seks is religievervangend.
‘Religie helpt je seks weer terug te denken als onderdeel van liefde, tegen het desintegreren van jezelf. Voor mij is christendom lichamelijk, zintuiglijk. Het geloof zie ik als een helend project. Het gaat om de liefde, het gaat erom dat je de dingen in alle vrijheid uit liefde doet, dus ook seks.’
Waarom had u religie nodig?
‘Nee, het is andersom. Ik was begin jaren negentig aan het schuiven in mijn hoofd over allerlei eindkwesties. Eerst was er de pornografiekwestie, het leek alsof we het taboe op seks hadden opgelost. Toen kwam het euthanasiedebat. Kunnen we de dood oplossen door zelfmoord te legitimeren? Daarmee wordt de dood een probleem, in plaats van een eindvraag die ons in een tragedie stort. Al mag je elkaar doodspuiten, dan nog heb je de dood niet overwonnen. Je kunt het lijden als een probleem zien, maar je kunt het ook als een menselijke conditie beschouwen.
Ik ontdekte dat het gedenk in problemen en taboes die overwonnen kunnen worden, dat dat niet klopte. Met name bij die euthanasiekwestie bleek er vanuit de christelijke hoek een hele traditie te bestaan waarin werd gedacht in termen van de menselijke tragedie waarin we leven, de menselijke conditie, zondebesef… Dat soort woorden vond ik opeens op mezelf van toepassing. Maar waarom ik een godsverlangen kreeg en waarom het die katholieke setting werd, dat heeft met het lijdensverhaal te maken. Met Jezus.’
Was het dan een verlangen naar overgave?
‘Ja. Naar een niet-intellectuele… niet oplossing, maar vérlossing. Naar verzoening met mezelf. Geloof betekent voor mij ook heel erg dat God je ziet. Dat je wordt gezien. Het is een blik die door je heen kijkt, en waarvan je graag wil dat die door je heen kijkt, en daarmee moet je in een verstandhouding proberen te leven. Door gebed, dat een soort verlangen is. Dat is geloven.’
Heeft het geholpen?
‘Geloven is een liefdesaffaire en dwingt je te beseffen dat je ertoe geneigd bent de liefde te ontduiken. Het helpt je door je leven te compliceren. Behalve ontstellend is porno treurig en op een grappige manier kinderachtig. Zelfs de meest harde porno. Het gaat om machtsdingen, je wil bijna stampvoetend als een kind dat aan jou ook iets gewild wordt, en wel onmiddellijk. Ik kan me voorstellen dat een vrouw, juist als object van al die onzin, het maar een zielige bedoening vindt. Je kijkt naar kinderen. Ik denk dat mannen geholpen moeten worden. De vrouwelijke blik, de moederlijke blik, en dan bedoel ik niet de moeder die alleen maar met afgrijzen reageert, kan heel genezend zijn. Dat is het goeie van het katholieke geloof, die hebben Maria bedacht.’

NAARMATE hij ouder wordt, wordt het rijtje schrijvers aan wie hij iets heeft korter: J.M. Coetzee, Shusaku Endo, Graham Greene en Dostojevski: ‘Hun boeken zijn heart-of-darkness-achtige boeken. Ze dalen af naar de hel en worden aan een touwtje gehouden van het besef dat er geloof moet zijn. Zij hebben de erkennende, maar ook helende blik die God op jou werpt en die jij wil werpen op de wereld. Ik zeg niet dat het gelovige mensen zijn, het is wat je voelt als je hun boeken leest.
Eens ben je ingewijd. De eerste keer porno, de eerste fantasie, het openbaren, opschrijven. Het is toch een zone waar je in terechtkomt. Wat je ook hebt als je de eerste keer een kerk binnengaat. Met vrees en beven. Zo ging ik ook voor het eerst een pornobioscoop binnen. Daar is iets waar je voor zou moeten veranderen om te begrijpen wat dat is. Er zit iets kinderlijks aan, en iets onweerstaanbaars. Je moet anders worden, je zúlt anders worden. Als je ouder wordt, wil je weer herinnerd worden aan hoe het was vóór dit allemaal begon.’
Want toen was je nog zuiver?
‘Ja, want je binnenste ring, je eerste zelf, zit toch in je, hoor. Die wordt níet aangetast. Je verlangen wordt níet gecorrumpeerd. Alles wordt aangetast, je hoofd, je geheugen, je herinneringen, maar je verlangen niet, en dat is toch waar je het uiteindelijk mee doet, waarmee je zult sterven. Je herinnert je het weer, omdat je eigen kinderen er midden in zitten, in die hele mallemolen. Ik zie dat ze hun strijd om hun verlangen aan het leveren zijn. Als je ouder wordt, raak je misschien toch weer wat meer verbonden met je oorspronkelijke maagdelijkheid.’